Bloedtransfusie

Bloedtransfusie
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
verpleegkundeMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Bloedtransfusie

Slide 1 - Tekstslide

Wat is het voordeel van een centraal veneuzelijn t.o.v. een perifeer infuus
A
Langdurig blijven zitten
B
Hoge concentratie infuusvloeistoffen geven
C
Bloedafname mogelijk
D
A, B en C zijn juist

Slide 2 - Quizvraag

Terugblik bijzondere infusen

Slide 3 - Tekstslide

Wat is een complicatie/nadeel van een centraal veneuze lijn
A
Moet na een week al vervangen worden
B
Lijnsepsis kan heftiger verlopen
C
Een verpleegkundige mag dit inbrengen
D
Subcutaan lopen

Slide 4 - Quizvraag

Doelstellingen
  • Studenten kunnen benoemen waarom iemand een bloedtransfusie nodig heeft en welke verpleegkundige aandachtspunten hierbij belangrijk zijn.
  • Studenten zijn in staat om in een oefensituatie een zorgvrager een bloedtransfusie te geven volgens het protocol van Vilans. 

Slide 5 - Tekstslide

Braindump bloedtransfusie:
wat weet je hierover?

Slide 6 - Woordweb

Samenstelling bloed
Welke bloedcellen bevinden zich in het bloed?

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Wanneer heeft iemand een bloedtransfusie nodig?

Slide 11 - Open vraag

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Bloedgroepen

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Video

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

O jee!!!!!!!!
Opeens snijdt iemand uit de klas zich en er ontstaat een slagaderlijke bloeding er moet snel gehandeld worden, van wie kan jij ter plekke bloed ontvangen, zijn er combinaties mogelijk?


Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

conclusie
Iemand met bloedgroep O (resus) negatief = universele donor

iemand met bloedgroep AB (resus) positief = universele ontvanger

Daarom wordt er in het ziekenhuis vaak een transfusie gegeven met O negatief bloed.

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Waarom is een juiste verwerking van de administratie zo belangrijk?

Slide 28 - Open vraag

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Welke complicaties kunnen er optreden tijdens een bloedtransfusie?

Slide 31 - Open vraag

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Wat zou jij als verpleegkundige doen bij deze symptomen?

Slide 34 - Open vraag

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide

Som:
260 ml bloed moet in 3 uur inlopen, bereken het aantal ml per uur en druppels per minuut.

Slide 38 - Open vraag

Antwoord
260 ml : 3 = 86,7 ml per uur, je stelt de pomp in op 87 ml per uur.

260 ml x 18 ( 1ml = 18 druppels) = 4680 druppels

 in 3 uur = 3x60 = 180 minuten

4680:180 = 26 druppels per minuut.


Slide 39 - Tekstslide

Ten slotte
Hierna volgt een samenvattend filmpje over het hoe, wat en waarom van een bloedtransfusie, alle hiervoor behandelde theorie komt terug in dit filmpje.

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Tekstslide

Slide 42 - Video

Ik weet nu meer over bloedtransfusie?
๐Ÿ˜’๐Ÿ™๐Ÿ˜๐Ÿ™‚๐Ÿ˜ƒ

Slide 43 - Poll