1,2,3-zinnen maken
1,2,3-zinnen maken
Aan het eind van de les weet je:
dat een zin begint met een Hoofdletter en eindigt met een punt.
wat er bedoeld wordt met 1, 2 en 3 en weet je deze volgorde van zinsdelen ook te gebruiken voor het maken van een goede zin.
Wat zit er in een zin?
1 2 3 3
De kat zit op de bank.
De kat zit de hele dag op de bank.
De melk staat in de keuken op tafel.
De melk staat op tafel.
De bakker bakt een taart.
De bakker bakt 's morgens vroeg een taart.
1 2 3 3
Ik woon in een klein huis.
Ik woon drie jaar in een klein huis.
1 = mens, dier, ding
2 = werkwoord
3 = extra informatie
Elke zin heeft 1 - 2 - 3 (3)
deel 1 van de zin is altijd een........? er zijn drie mogelijkheden
1=
een mens
een dier
een ding
de 2 in de zin is altijd een.........?
2=
een werkwoord
en 3 =
de REST van de zin
Noem een mens, dier of ding. Of twee
Noem een werkwoord
de mannen lopen elke dag door de straat
elke dag door de straat =1
elke dag door de straat=3
elke dag door de straat =2
Maak een korte zin met 1 en 2
De mannen lopen elke dag door de straat.
lopen = 1
lopen = 3
lopen = 2
De mannen lopen elke dag door de straat.
De mannen = 1
De mannen = 3
De mannen = 2
Hij zit bij het raam.
Schrijf de 1, 2 en 3 op.
hij = 1
zit = 2
bij het raam = 3
De volgende vragen doe je zo:
De kat zit op de bank. Schrijf de 1, 2 en 3 op
De dokter woont in Almere. Schrijf 1,2, en 3 op.
soms heb je 2x een 3:
1= De kat
2= zit
3=de hele dag (tijd)
3= op de bank (plaats)
(altijd eerst tijd en dan plaats)
1) Wij/ wonen /in Amsterdam.
2)Wij/ wonen /twee jaar/ in Amsterdam.
3)Mijn kinderen/ spelen/ op de straat.
4) Mijn kinderen /spelen /de hele dag/ op de straat.
5) De koffie /staat /op de tafel.
6) De koffie /staat/ nu /op de tafel.
7) De hond/ eet /vlees.
8) De hond/ eet/ iedere dag /vlees.
9) De les /is/ op dinsdag.
10) De les/ is/ op dinsdag/ in Rotterdam
in het bos
de man
staat
loopt
morgen
het hert
ligt
vandaag
komt
hij
het ding
Jan
De familie slaapt aan de muur.
De grote man ligt op tafel.
De klok eet in de kamer
De peuter staat taart.
De vrouw kijkt televisie.
Het meisje hangt rode wijn.
De jonge man drinkt op de grond.
De koffie is op de laptop.
De dikke man werkt in de stoel.
1.......................... 2........... 3.........................
Weet je nu
Wat de 1 is, de 2 is, de 3 is?
Hoe je zo een zin kunt maken?
Dat er soms twee keer een 3 is in de zin?
Dat je dan eerst de tijd gebruikt en dan de plaats?