Leerdoelen hoofdstuk 1 tot en met 6 M3 24-25 herkansing



Leerdoelen hoofdstuk 1 tot en met 6.2


1 / 23
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieBasisschoolGroep 1

In deze les zitten 23 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 1 min

Onderdelen in deze les



Leerdoelen hoofdstuk 1 tot en met 6.2




Leerdoelen hoofdstuk 1

1.3 De leerling kent de soorten inkomens en kan hiervan voorbeelden noemen.


1.3 De leerling kan een reservering per periode berekenen.


1.4 De leerling kan de verandering van de koopkracht berekenen.


1.4 De leerling kan een indexcijfer berekenen.



Leerdoelen hoofdstuk 1

1.3 De leerling kent de soorten inkomens en kan hiervan voorbeelden noemen.


  • Inkomen uit arbeid  Loon/Salaris, winst uit eigen bedrijf
    Inkomen uit natura betaalt worden in goederen of diensten ipv geld.

  • Inkomen uit bezit  rente op spaargeld, verhuur van (vakantie)huizen.

  • Overdrachtsinkomen  uitkeringen, kinderbijslag, zakgeld




Leerdoelen hoofdstuk 1

1.3 De leerling kan een reservering per periode berekenen.


Ik wil over 2 jaar een laptop kopen. Deze kost € 1.200,-.

Hoeveel moet ik per maand sparen om deze te kunnen kopen?


2 jaar is 2 x 12 = 24 maanden.


€1.200 : 24 = € 50,- per maand.




Leerdoelen hoofdstuk 1

1.4 De leerling kan de verandering van de koopkracht berekenen.


Nominaal verandering loon – inflatie = verandering koopkracht


Loon stijgt met 6%. De inflatie is 4%. Wat gebeurt er met mijn koopkracht?


6% - 4% = 2%  Dus mijn koopkracht stijgt met 2%




Leerdoelen hoofdstuk 1

1.4 De leerling kan een indexcijfer berekenen.


Nieuw getal : getal uit basisjaar x 100


Een kipwrap kostte in 2023 € 2,50

Dit jaar kost een kipwrap € 3,75


3,75 : 2,50 x 100 = 150





Leerdoelen hoofdstuk 2

2.3 De leerling kent verschillende vormen van gemeentelijke belastingen.


2.3 De leerling kan de OZB berekenen.



Leerdoelen hoofdstuk 2

2.3 De leerling kent verschillende vormen van gemeentelijke belastingen.


  • Onroerende zaak belasting

  • Rioolheffing

  • Afvalstoffenheffing

  • Leges

  • Hondenbelasting




Leerdoelen hoofdstuk 2

2.3 De leerling kan de OZB berekenen.


WOZ waarde x ozb-tarief = verschuldigde OZB.


De WOZ waarde van mijn woning is € 600.000,-. Het OZB-tarief in mijn gemeente is 0,1134%. Hoeveel OZB moet ik de gemeente betalen?


€ 600.000 : 100 x 0,1134 = € 680,40



Leerdoelen hoofdstuk 3

3.1 De leerling kent de geldfuncties.


3.2 De leerling kan rekenen met samengestelde rente.


3.3 De leerling kan de kredietkosten van een lening berekenen.



Leerdoelen hoofdstuk 3

3.1 De leerling kent de geldfuncties.


  • Ruilmiddel  je betaalt met geld in een winkel en krijgt daarvoor het product.

  • Rekenmiddel  vergelijken van prijzen, je saldo checken om te kijken of je iets kan kopen.

  • Spaarmiddel  een deel van je inkomen niet uitgeven, zodat je het later kunt gebruiken.





Leerdoelen hoofdstuk 3

3.2 De leerling kan rekenen met samengestelde rente.


Spaarbedrag begin x groeifactor^looptijd = Spaarbedrag eind

Groeifactor = (100+ rentepercentage) : 100


Ik heb € 5.000 op mijn spaarrekening staan. Het rentepercentage is 2,2%.

Wat is mijn spaarbedrag na 3 jaar?


Groeifactor  (100 + 2,2):100 = 1,022


€ 5.000,- x 1,022^3 = € 5.337,31




Leerdoelen hoofdstuk 3

3.3 De leerling kan de kredietkosten van een lening berekenen.


Termijnbedrag x aantal termijnen – krediet (lening) = kredietkosten.


Ik leen bij de bank € 10.000,-. De komende 7 jaar moet ik elke maand € 150,- terugbetalen. Wat zijn mijn kredietkosten?


7 x 12 x 150 = € 12.600 – 10.000 = € 2.600



Leerdoelen hoofdstuk 5

5.1 De leerling kan het nettoloon berekenen.


5.2 De leerling kent de verschillen tussen de vier ondernemingsvormen; eenmanszaak, vof, bv en nv.


5.4 De leerling weet hoe conjuncturele werkloosheid ontstaat en hoe de overheid het kan bestrijden.



Leerdoelen hoofdstuk 5

5.1 De leerling kan het nettoloon berekenen.


Brutoloon – ( loonbelasting + sociale premies) = nettoloon.


Mijn brutoloon is € 4.500,-. Er wordt € 1.800 ingehouden als loonbelasting en de sociale premies zijn € 300,-. Wat is mijn nettoloon?


4.500 – (1.800 + 300) = € 2.400,-




Leerdoelen hoofdstuk 5

5.2 De leerling kent de verschillen tussen de vier ondernemingsvormen; eenmanszaak, vof, bv en nv.




Leerdoelen hoofdstuk 5

5.4 De leerling weet hoe conjuncturele werkloosheid ontstaat en hoe de overheid het kan bestrijden.


Conjuncturele werkloosheid ontstaat omdat de vraag bij de consumenten afneemt. Hierdoor zullen bedrijven minder produceren, waardoor er minder werknemers nodig zijn en die zullen hun baan verliezen.


Om de vraag te stimuleren kan de overheid de loonheffing verlagen, zodat consumenten een hogere koopkracht krijgen, waardoor de vraag zal toenemen. Hierdoor neemt de productie toe en zullen er weer meer werknemers nodig zijn, waardoor de conjuncturele werkloosheid weer daalt.



Leerdoelen hoofdstuk 6

6.1 De leerling kan de afschrijvingskosten berekenen.


6.2 De leerling kan consumentenprijs berekenen.


6.2 De leerling kan het nettoresultaat berekenen.



Leerdoelen hoofdstuk 6

6.1 De leerling kan de afschrijvingskosten berekenen.


Een kapitaalgoed wordt ouder en slijt. Hierdoor produceert deze minder en wordt hij eigenlijk minder waard. De waardedaling van het kapitaalgoed noem je afschrijven.


Afschrijvingskosten per jaar  (aanschafprijs – restwaarde) : gebruiksduur.


Ik koop een machine voor € 200.000 en na 10 jaar kan ik deze nog verkopen voor € 50.000,-. Bereken de afschrijvingskosten per jaar.


(200.000 – 50.000) : 10 = € 15.000,-




Leerdoelen hoofdstuk 6

6.2 De leerling kan consumentenprijs berekenen.


Inkoopprijs + Brutowinstopslag = verkoopprijs.
Brutowinstopslag is altijd een percentage van de inkoopprijs.


Verkoopprijs + BTW = consumentenprijs
BTW is altijd een percentage van de verkoopprijs.






Leerdoelen hoofdstuk 6

6.2 De leerling kan consumentenprijs berekenen.







Leerdoelen hoofdstuk 6

6.2 De leerling kan consumentenprijs berekenen.







Leerdoelen hoofdstuk 6

6.2 De leerling kan het nettoresultaat berekenen.

Verkoopprijs is € 10,- De afzet is 50.000 stuks.
De inkoopwaarde is € 250.000,- en de bedrijfskosten zijn € 150.000,-.

Wat is het nettoresultaat?


Omzet 10 x 50.000 = € 500.000

Brutowinst  500.000 – 250.000 = € 250.000
Nettoresultaat  250.000 – 150.000 = € 100.000