Hofcultuur - Les 3 - Architectuur

Hofcultuur Les 3
Architectuur
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
KunstMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

Onderdelen in deze les

Hofcultuur Les 3
Architectuur

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Upload je huiswerk voor vandaag hier

Slide 2 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen
Je leert deze les meer over:

  • paleizen, villa's, tuinen; Versailles: inrichting en functie van paleis en tuinen

  • Klassieke theorieën over schoonheid : schoonheid als eenheid van delen, maat, verhouding, symmetrie, orde.

  • Invloed van contrareformatie op de kunsten

  • Villa's als 'lustoorden' en vermaaksfuncties van tuinen.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bouwkundige Kenmerken van de renaissance
  • Geometrische vormen, compacte bouwvolumes
  • Symmetrie 
  • Rustica
  • Rondbogen
  • Zware kroonlijsten
  • Centraalbouw
  • Klassieke elementen
  • toepassing van modulen en de Gulden Snede
  • Neoplatonisme
Het gebouw bestaat uit geometrische vormen (cylinder, kubus en halve bol), gescheiden of geaccentueerd door pilasters en lijsten. Veel pilasters waren boven elkaar toegepast, gescheiden door brede lijsten; later in de Renaissance waren er veel brede doorlopende pilasters (vanaf begane grond over meerdere verdiepingen).
In de Renaissance streeft men naar harmonie. Symmetrie is hierbij heel belangrijk. 
Rustica is het gebruik van zeer zware, ruw behakte blokken natuursteen (gebosseerde natuursteen) onderaan de buitengevel.
In de Renaissance werd veel rustica toegepast, speciaal op de gevel van de beganegrond, die hierdoor robuuster en belangrijker oogde. De textuur van de blokken steen komt nog meer tot uitdrukking omdat zij contrasteert met andere, gladde gevelelementen. De randen en zijkanten van de rustica-blokken waren glad om toch een regelmatig patroon te verkrijgen.

Een rondboog is een boog die een halve cirkel beslaat. Het werd in de vroege middeleeuwen veel gebruikt en in de Renaissance zie je dus ook weer veel halfronde bogen  boven de muuropeningen.
Een kroonlijst is een vooruitspringende lijst of het bovenste deel van een gevel.
Bij gebouwen is de kroonlijst de horizontale uitspringende en meestal geprofileerde band, die de bekroning vormt van een muur onder het dak of boven een ander belangrijk bouwonderdeel zoals vensters, portiek, dakkapel. 
De lijsten die de verdiepingen accentueren en dus niet onderdeel uitmaken van de "kroon" van het gebouw, worden cordonlijsten genoemd. Verder worden er ook waterlijsten gebruikt. Horizontale vooruitspringende elementen die dienen om het regenwater af te voeren.
De "decoratieve" bouwelementen als waterlijst, kroonlijst, fronton e.d. hadden dus wel degelijk hun nut als bescherming tegen het hemelwater.
Bij centraalbouw is de inrichting van een gebouw sterk op het midden gericht, in de plattegrond is dat duidelijk waarneembaar. De centraalbouw vindt in Europa zijn oorsprong in de klassieke architectuur (bijvoorbeeld Pantheon). In de Italiaanse renaissance werd de centraalbouw weer op grotere schaal toegepast, zij het vaak in combinatie met lengtebouw zoals bij de Sint-Pieterskerk in Rome. 
  • zuilen en pilasters (naar (laat-)klassiek voorbeeld)
  •  fronton, pilasters of halfzuilen als omlijsting van vensters, deuren en muurnissen.
  • in portalen werd het triomfboogmotief toegepast.  
  • De zuilenorden Dorisch, lonisch, Corintisch en Toscaans (met gladde zuilschacht) werden door elkaar toegepast. In hoge muren werden de drie zuilenorden boven elkaar gebruikt, telkens door een horizontale lijst gescheiden. 
  •  opbouw van de gevel volgens het principe van de opbouw van de zuil (basement-schacht-kapiteel)
Voor gebouwen moest het modulaire systeem (Vitruvius spreekt van proportio) toegepast worden. Dit was een middel om de volmaakte harmonie van de verschillende onderdelen – net als bij het menselijke lichaam- met het geheel te combineren.
In het modulaire systeem neem je een module als vaste maat, bijvoorbeeld de viering van een kerk zoals Brunelleschi dit deed bij de Santo Spirito. Deze module wordt dan gedeeld of vermenigvuldigd, waarbij één staat tot twee een populaire verhouding was. De travee in de zijbeuk wordt dan bijvoorbeeld de helft van de travee van het schip. Zo wordt elk onderdeel van de kerk afgeleid van de module en ontstaat er een harmonische eenheid.
De kunstenaars van de renaissance waren ervan overtuigd dat in Gods schepping de wetmatigheden verborgen lagen die konden leiden naar de perfecte harmonie. Dikwijls gingen zij daarbij uit van de proporties van het menselijk lichaam. God had de mens immers naar Zijn beeld geschapen, dus waar anders zou je beter kunnen gaan zoeken naar de ideale proporties? En net als in het menselijk lichaam moesten in het gebouw de verhoudingen tussen de architectonische onderdelen zo worden uitgebalanceerd dat niets meer kon worden gewijzigd zonder de harmonie van het geheel te verstoren.
Terwijl de architecten zich probeerden te ontworstelen aan de middeleeuwse tradities en de technieken en vormentaal van de oudheid overnamen, bleef hun levensbeschouwing dus religieus. Ze waren het met Pythagoras eens dat alles getal is en waren er in navolging van Plato en de neoplatonisten van overtuigd dat aan de hele schepping een wiskundige structuur ten grondslag ligt, maar hun mathematische benadering van harmonie en proporties blijkt bij nader inzien toch nog doorspekt met middeleeuws spiritualisme.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rustica
Klassieke elementen
Centraalbouw
Rustica
Symmetrie
Modulen
Rondbogen
Met name voor religieuze gebouwen:
Centraalbouw
Daarnaast nog de basilica die als bouwvorm blijft bestaan

Zware kroonlijsten
Klassieke elementen
Decoratieve elementen voor waterafvoer

Symmetrie
Klassieke elementen
Modules
Rondbogen


Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Griekse Tempel
Fries
Voetstuk
Kapiteel
Timpaan
Zuilschacht
Architraaf

Slide 6 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hiernaast zie je de gevel van de Santa
Maria Novella in Florence. Welke klassieke
elementen zie je?
timer
0:20

Slide 7 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

De Santa Maria Novella was een gotische
kerk. De voorgevel werd door de Leon Battista
Alberti tussen 1458 en 1470 gebouwd in
Renaissancestijl. Geef drie voorbeelden waaraan
je kunt zien dat de gevel in de Renaissance is gebouwd.
timer
0:40

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

            Vitruvius (± 85 – 20 v.Chr)
  • Grondbeginselen van de bouwkunst
  • De menselijke maat
  • Modulair systeem (regel 1)
  • Juiste verhoudingen (regel 2)
  • Vitriviaanse regels
  • Gulden snede
  • Firmitas, Utulitas en Venustas 
De Romeinse architect Vitruvius heeft met zijn, ‘Handboek bouwkunde’, of zoals het oorspronkelijk getiteld was, ‘De Architectura’, (ca 25 v chr) de grondbeginselen van de bouwkunst in tien boeken netjes op een rij gezet en uit de doeken gedaan. Zo schrijft deze architect onder meer over de theorie van de architectuur, de juiste manier om een stad aan te leggen, bouwmaterialen, Ionische en Dorische tempels en openbare gebouwen. Dit geschrift werd in 1414 gevonden, rijkelijk geïllustreerd en in grote aantallen gedrukt.
Volgens Vitruvius was de mens de maat der dingen. Verschillende vaste verhoudingen vloeiden volgens hem voort uit de harmonie van de kosmos.  Vitruvius schreef in zijn derde boek van ‘De Architectura’:
 ‘Het natuurlijke middelpunt van een lichaam is de navel. Als een mens op de grond ligt met gespreide armen en benen, en men trekt vanuit de navel als middelpunt met een passer een cirkel, dan zullen zijn vingers en tenen de omtrek raken. Zoals het lichaam in de figuur van een cirkel past, zo zal men er evenzeer de lijnen van een vierkant in ontdekken. Wanneer het van de voetzolen tot de bovenkant van de schedel wordt gemeten en deze maat wordt vergeleken met de uitgestrekte armen, zal men dezelfde hoogte als breedte vinden, net als bij een vlak dat met de winkelhaak vierkant is uitgezet.’

Voor gebouwen moest het modulaire systeem toegepast worden. Dit was een middel om de volmaakte harmonie van de verschillende onderdelen met het geheel te combineren. Denk maar aan de gevel die Alberti voor de Santa Maria Novella ontworpen had. In het modulaire systeem neem je een module als vaste maat. Deze module wordt dan gedeeld of vermenigvuldigd, waarbij één staat tot twee een populaire verhouding was. De travee in de zijbeuk wordt dan bijvoorbeeld de helft van de travee van het schip. Zo wordt elk onderdeel van de kerk afgeleid van de module en ontstaat er een harmonische eenheid.
De proporties van de verschillende bouwonderdelen zijn niet willekeurig, maar zijn gebaseerd op vaste verhoudingen. Dit gaat terug op Pythagoras en Plato. Pythagoras had ontdekt dat als er twee snaren zijn waarbij de eerste twee keer zo lang is als de tweede, de toon van de lange snaar ook precies twee keer zo laag is. Zo ontstaat wat in de muziek een octaaf wordt genoemd: een verhouding van één staat tot twee. Tussen de lengte en het geluid was dus een duidelijk verband. Uit deze verrassende ontdekking van Pythagoras concludeerden de Grieken dat de gehele natuur, ja zelfs de hele kosmos volgens bepaalde proporties –wiskundig als het ware- in elkaar zat.
In de Renaissance werden deze voorschriften verheven tot de klassieke, Vitruviaanse regels. 
De humanistische, neoplatoonse school van Cosimo de Medici in Florence zag verband tussen de filosofie van Plato en het Christendom. Zoals de mens precies in een cirkel en een vierkant past, weerspiegelen de platoonse kubus, bol en cilinder de universele orde en harmonie. Om Goddelijke harmonie te bereiken, werd gemeten. Elke renaissancearchitect moest een modulair systeem en goede proporties als canon toepassen. Bepaalde verhoudingsgetallen (als in de Gulden Snede) drukten kosmische harmonie uit.
De gulden snede is een stukje eeuwenoude raadselachtige wiskunde.
De gulden snede of ‘Divina Proportia’ (goddelijke proportie) kort men af met de Griekse letter Φ (spreek uit: ‘Fie’).
Het getal geeft een speciale verhouding van lijnstukken aan: stel dat je twee lijnen hebt van lengte a en b, dan voldoen deze aan de gulden snede als de gezamenlijke lengte van de lijnen zich verhoudt tot a op dezelfde manier dat a zich verhoudt tot b.  De Gulden Snede komt veelvuldig voor in de natuur (bv slakkenhuizen, zonnebloemen) In de Renaissance was het een godsbewijs: dat zonnebloemen, mensen en muziek voldeden aan één en dezelfde regel, dat moest haast wel komen doordat god alles schiep met een vooropgezet plan. Dit is de reden dat de Gulden Snede vervolgens veelvuldig werd toegepast in o.a. de architectuur in die tijd.
Vitruvius stelde drie eisen aan een gebouw: Firmitas (stevigheid), Utulitas (bruikbaarheid) en Venustas (schoonheid). In de vijftiende eeuw ontstonden in Italië de eerste gebouwen waarin de architectonische taal van het keizerlijke Romeinse verleden herleefde.

Slide 9 - Tekstslide

https://www.nemokennislink.nl/publicaties/het-geheim-van-de-gulden-snede/

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Video

Deze slide heeft geen instructies

       Leon Battista Alberti (1404-1472)
  • "Een mens kan alles doen als hij maar wil"
  •  Re Aedificatoria
  •  Santa Maria Novella in Florence
Aan deze uitspraak van Alberti  werd het begrip Homo Universalis ontleent. Zelf hield hij zich dan ook met veel verschillende dingen bezig.  Zo was hij schilder, dichter, taalkundige, filosoof, cryptograaf, musicus en architect.
Alberti interpreteerde de term Venustas als een rationele ordening, waarbij de proporties van alle elementen samensmelten en je geen enkel element kan weghalen zonder de harmonie te verstoren.
Deze opvatting van schoonheid, harmonie door goede verhoudingen, was erg belangrijk voor de architecten uit de renaissance. Alberti nam veel elementen uit de Romeinse bouwkunst over, zoals drie boven elkaar geplaatste zuilenorden en de vorm van een triomfboog in portalen. De proportieleer van de Romeinse bouwkunst werkte hij rond 1450 uit in een theoretische studie, De Re Aedificatoria. Hierin gaf hij adviezen over toepassing van klassieke bouwordes.
In de heuvels bij Florence lag een Romaanse kerk, de San Miniato del Monte. Al in 1090 was de gevel van deze kerk versierd met een geometrisch patroon van groen, zwart en wit marmer. Ook het baptisterium in het centrum van Florence was rond 1200 in deze Italiaanse, Romaanse stijl gedecoreerd.
Deze locale stijl inspireerde Alberti, toen hij in 1456 de opdracht kreeg om de façade van de gotische Santa Maria Novella te 'moderniseren'. Met een bekleding van marmerplaten in verschillende kleuren en halfzuilen kon Alberti een overzichtelijke, harmonische verdeling van het gevelvlak zichtbaar maken. Hij bracht ook voluten aan op de gevel om het hoogteverschil tussen de achterliggende zijbeuken en het schip op te vangen.
schilder, dichter, taalkundige, filosoof, cryptograaf, musicus en architect uit de Italiaanse renaissance

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Alberti bouwde in 1451 het Palazzo Rucellai. In Italië bouwde elke rijk geworden bankiersfamilie een palazzo. Deze paleizen kregen naar voorbeeld van het Romeinse atriumhuis een open, vierkante of rechthoekige binnenhof met galerij, de cortile. Daar omheen kwamen vier vleugels die naar buiten een afgesloten symmetrisch geheel vormden. De gevel van deze luxe stadspaleizen kreeg het aanzien van een middeleeuws fort, met een gesloten straatmuur van ruw gehakte, grote stenen.

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Benoem drie kenmerken van
Renaissance architectuur die
je terugziet in het Pallazo Rucelai.
timer
0:40

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 16 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Palazzo's en lusthoven
  • Stadspaleizen
  • Status
  • Hofleven
  • Villa's op het platteland (lusthoven)
  • Tuinen
Veel rijke Italianen verruilden de warme, drukke en smerige stad een groot deel van het seizoen voor de vriendelijke heuvels van het platteland, net buiten de stad. Zo'n plattelandsvilla ( villa suburbana ) had veel weg van een paleis. Er waren prachtige staaltjes van classicistische architectuur bij; de architect Palladio maakte er zijn levenswerk van.
Bij het ontwerp van de villa's werd teruggegrepen op de klassieke Romeinse architectuur. Door proportioneel juiste verhoudingen toe te passen, zoals symmetrie, kon een evenwichtige bouwkundige compositie tot stand komen. De villa's werden ontworpen voor feesten en algemeen amusement. 
Het Italiaanse palazzo in de 15e eeuw leek niet meer op een met torens versterkte en ommuurde vesting. Hertogen lieten hun stadskastelen ombouwen tot elegante palazzi, stadskantoren van waaruit bestuurlijke en economische zaken werden geregeld. Ze waren verfraaid met kostbare meubels, wandtapijten, muur- en plafondschilderingen vol mythologische voorstellingen. De palazzi werden letterlijk midden in de stad gebouwd, vaak aan een plein (piazza), een goed decor voor uitbundige feesten en optochten. Als sponsors van kerken en kapellen, van kunst en het openbare leven waren de vorsten uit op de bewondering van de stedelingen. Een hof was een centrum van kunst en wetenschap. Tot het personeel behoorden niet alleen bewakers, kamer- en keukenpersoneel en klerken, maar ook astrologen, muzikanten, dansleraars, schilders en beeldhouwers.
De villa suburbana's waren bedoeld voor feesten en vermaak. Er werden prachtige tuinen aangelegd, vaak voorzien van vijvers, fonteinen en grotto's (natuurlijke of door de mens aangelegde 'grotten'  waar vaak beeldhouwwerk in geplaatst werd). Soms was er zelfs een openluchttheater of een paardenrenbaan aangelegd. 
Het is dan ook niet zo gek dat er vaak met de term 'lusthoven' verwezen wordt naar deze plekken.
De palazzo's bestonden meestal uit drie verdiepingen om een binnenplaats. De familie zelf bewoonde de eerste etage, op de tweede etage alle andere inwonenden. Op de begane grond waren stallen en voorraden en de keuken.
De benedenverdieping was vaak in rustica uitgevoerd, de verdiepingen erboven hadden een meer verfijndere uitstraling, met daarboven een zware kroonlijst. 
De gebouwen toonde veel symmetrie, er werd rekening gehouden met de in die tijd heersende opvattingen over schoonheid. 
De paleizen dienden als een bevestiging van de rijkdom en status van een familie. Ter gelijkertijd was een bepaalde bescheidenheid wel gepast. Als je bijvoorbeeld naar het Palazzo de Medici kijkt, dan zijn er weinig versieringen aangebracht. Van binnen is het paleis wel rijk versierd.
De families in de stad lagen regelmatig overhoop met elkaar maar ook binnen zo'n palazzo was de sociale controle drukkend. Intriges en ruzies waren aan de orde van de dag.
Opvoeding betekende leren dansen, schermen, muziek maken, jagen, oefening in welsprekendheid, bekendheid met klassieke teksten. Dat betrof alleen de jongens, de meisjes werden jong uitgehuwelijkt en werden in het huwelijk wel wijzer. In welvarende kringen hield men zich bezig met plezierige dingen, "carpe diem", pluk de dag was het devies. Genieten (van wat eigenlijk verboden was) was wel zondig, maar meer ook niet!
Palazzo Medici-Riccardi
Villa d'Este 
Giardino Boboli

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Palazzo's en lusthoven
Het 'palazzo' en de woning van de vooraanstaande 
familie de'Medici.
Cosimo de' Medici de Oude gaf Michelozzo
 in 1444 de opdracht tot de bouw van het
 paleis. Het bleef ongeveer een eeuw in handen van de Medici en werd toen verkocht aan de familie Riccardi. De familie de'Medici nam toen zijn intrek in het Palazzo Vecchio gelegen aan het Piazza della Signoria
Palazzo Medici- Riccardi
Statig
De constructie werd toevertrouwd aan de architect Michelozzo , ten nadele van het project van zijn collega Filippo Brunelleschi, dat door Cosimo beoordeeld werd als "te weelderig en prachtig", en alleen maar tot afgunst en geroddel onder de Florentijnse burgers zou leiden.

Het paleis is niet alleen de privéwoning van de Medici-familie, waaronder Lorenzo de Grote, het vervult ook een publieke functie en vele prominente politieke figuren werden er ontvangen.

De drie verdiepingen worden van elkaar afgebakent met gordellijsten.  De afstand tussen de verdiepingen wordt steeds kleiner  en het metselwerk egaler  – beneden ruw, daarboven iets fijner en helemaal bovenaan glad pleisterwerk. Het gebouw wordt boven begrensd door een sterk overhangende daklijst.
Binnenplaats
Het paleis heeft drie verdiepingen rond een binnenplaats met een hoge zuilengalerij met beelden vanaf de 16e eeuw.
Kapel
Het palazzo heeft een eigen kleine kapel. De muren van de kapel zijn versierd met fresco’s van Benozzo Gozzoli uit 1459, met onder andere de Optocht van de drie Koningen. Een van de drie  wijzen is de in 1460 elfjarige Lorenzo de’ Medici, de ongekroonde toekomstige leider van de Medici-clan. Op de frescoschildering zie je nog vele andere leden van die clan, onder wie Cosimo de’ Medici zelf.

Handelaars en politieke gezaghebbers die op bezoek waren bij de Medici kregen uiteraard een rondleiding in de kapel. De bezoekers stonden oog in oog met een indrukwekkend kleurrijk en levensgroot tafereel waarop de Medici staan afgebeeld in het gezelschap van de groten der aarde.  Voor de Medici was de kapel dus een propagandamiddel om hun machtpositie te versterken, een statussymbool dat de sociale positie van Cosimo in de maatschappij veruitwendigde.
stenen bank
Rondom het palazzo bevindt zich, net als in andere palazzi, op zithoogte een stenen bank. Deze hoorde bij het oorspronkelijk concept en had een specifiek doel. In de tweede helft van de 15de eeuw trokken verschillende rijke families dergelijke palazzi op, kijk maar naar de palazzi Rucellai, Strozzi, Pitti … Ze deden dat om comfortabeler te wonen en om hun rijkdom te etaleren, maar die trend om steeds ruimer en spectaculairder te bouwen had ook een keerzijde: de rijken sloten zich af van de minder gegoede bevolking. Vandaar de keuze om een bank aan hun huis te installeren. Cosimo de’ Medici nam er geregeld plaats om met de voorbijgangers een praatje te slaan en zo contact met de bevolking te houden.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Palazzo's en lusthoven
Palazzo Pitti was de residentie van de bankier Luca Pitti, telg uit een familie die 300 jaar tot de rijkste en meest invloedrijke families van Florence behoorde. Het Palazzo Pitti werd in 1458 naar een ontwerp van Brunelleschi gebouwd. Eleonora van Toledo, de vrouw van hertog Cosimo I,  kocht het in 1549 waarna het tot 1737 in bezit van de familie De' Medici bleef.
Palazzo Pitti
Indrukwekkend
Aan de enorme omvang van het paleis in Florence kun je zien dat de Pitti’s probeerden de Medici’s met hun paleis te overtroeven.   Maar helaas voor Pitti was hij uiteindelijk degene die het onderspit delfde...Nadat Pitti door zijn betrokkenheid bij een samenzwering tegen de familie de'Medici bankroet ging moest hij het palazzo en de erachter gelegen tuinen verkopen. Om het nog erger te maken, kwam het palazzo in handen van Eleonora van Toledo, de echtgenote van hertog Cosimo I De’ Medici. Pitti's aartsrivalen, die hij had willen overtreffen, werden nu dus de eigenaren van zijn imposante palazzo in Florence. Het Palazzo Pitti werd door zes generaties De’ Medici bewoond. Zij breidden het uit met twee enorme vleugels. 
Boboli tuinen
Achter Palazzo Pitti zijn de Boboli-tuinen te vinden. 
Corridoio Vasariano
Cosimo I de' Medici verbond het Palazzo Pitti met het Palazzo Vecchio door de constructie van de Corridoio Vasariano,  een overdekte en afgeschermde passage of gang van 1 km lengte die de Medici gebruikten tussen het Palazzo Vecchio en het Palazzo Pitti. De constructie werd van lente tot herfst 1565 uitgevoerd onder de leiding van architect Giorgio Vasari.

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Palazzo's en lusthoven
In de villa kon men bijkomen van de vermoeidheid en verplichtingen, die bij een hoge sociale functie hoorden. De stad was vanuit de villa nog te zien. In de loop van de 15-de eeuw werd de villa steeds meer een plaats voor contemplatie (bezinning, nadenken in alle rust) en zinnelijk genot (feesten).  
De humanisten combineerden twee tradities: de contemplatieve van de monniken en de klassieke traditie van de pastorale afzondering.
Vanaf de 15-de eeuw verschijnen er in Italië villa's op het platteland: een landhuis van de stadsaristocratie. Het landhuis was een samengaan van het castello en de boerderij. Men zag het leven op het platteland als een aanvulling en tegenstelling van de cultuur van de aristocratie in de stad. De villa stond in de onbedorven natuur. De villa moest het panorama domineren. De Medici hadden in de 15-de eeuw verschillende villa's rondom Florence.
De villa's van de de'Medici
Villa Medicea di Poggio a Caiano
Deze villa is misschien wel het beste voorbeeld van architectuur in De vesting stond op een heuvel. Er was een binnenhof, loggia's, zalen, kamers en veel schilderingen. Cosimo I gebruikte de villa als plaats voor lichamelijke en geestelijke ontspanning in een landelijke omgeving.  opdracht van Lorenzo il Magnifico.
Villa di Carregi
De villa werd gekocht door de vader van Cosimo de Oude, die het in 1454 door Michelozzo liet vergroten .
La Petraia
Deze villa werd in 1544 gekocht door Cosimo I, die het in 1568 aan zijn zoon, kardinaal Ferdinando schonk. De villa bleef tot aan het eind van de heerschappij van de familie de Medici in hun bezit.
Di Artimino
De villa dateert uit de Middeleeuwen, maar heeft zijn grandeur pas gekregen rond 1596 toen de villa door Buontalenti werd verbouwd tot een buitenverblijf voor De’ Medici. De familie trok in de warme zomers naar het buitenverblijf om er te jagen en beroemde gasten te ontvangen, onder hen Leonardo da Vinci en Galileo Galilei. 

De gasten konden zich in de villa vergapen aan kunstwerken van Pontormo, Bronzino, Caravaggio en Titiaan. Maar ook aan de lunetten van de hand van Justus Utens. Tussen 1599 en 1602 schilderde de Vlaming Utens alle Medici-landgoederen op grote maanvormige panelen,

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Palazzo's en lusthoven
Eleonora di Toledo, de echtgenote van Cosimo de Medici, gaf in 1549 de beste landschapsarchitecten van die tijd de opdracht  het gebied achter het uitdagende palazzo in te richten. Al na enkele jaren ontstond daar een uitstekend voorbeeld van een renaissancetuin in Italiaanse stijl. 
Giardino di Boboli
La grotto grande
In de late Renaissance werden zogenaamde grotto's, kunstmatig gemaakte grotten, populair. La grotto grande is hier een goed voorbeeld van. De grot is gedecoreerd met fresco’s, schelpen en beelden. De deur links van de grot is de uitgang van de Corridoio Vasariano, die over de Ponte Vecchio loopt. Hier stonden eerst de vier slavenbeelden van Michelangelo, maar die staan nu in de Galleria dell’Accademia – hier staan kopieën. Naast de vier slaven vind je er ook de Badende Venus van de Vlaamse beeldhouwer Giambologna, in een fontein. Francesco de’ Medici vond haar zo mooi, dat hij deze Venus lange tijd in zijn privévertrekken bewaarde voor ze in de grot werd geplaatst.
Fontana del Bacchino
Bacchus, god van de wijn, zit pontificaal op de rug van een schildpad. Dit werk van Valerio Cioli wordt wel gezien als een grappige tegenbeweging van de serieuze beelden van de zeegoden Neptunus en Oceanus, vervaardigd door Ammanati en Giambologna, die elders in het park staan. De op een schildpad gezeten dikke man is namelijk niet Bacchus maar Braccio di Bartolo, de favoriete hofdwerg van Cosimo I. Hij was een soort hofnar en trad op tijdens diners, banketten en andere belangrijke bijeenkomsten aan het hof van de Medici.

Amfitheater
Het park heeft ook een eigen amfitheater, waar de De’ Medici ooit hun gasten trakteerden op spectaculaire voorstellingen.  In het midden staat een Egyptische obelisk, waarschijnlijk het oudste monument van de stad, met een enorme badkuip, afkomstig uit de Thermen van Caracalla in Rome.
Renaissancetuin
De Giardino Boboli was één van de allereerste Renaissance tuinen. 
De tuin wordt gekenmerkt door hagen in geometrische patronen, perken met palmen en rijen cypressen. Verspreid over de hele tuin staan grote aantallen standbeelden.
Neptunesfontein
Het centrale punt van de tuin wordt gevormd door de Fontein van Neptunus. Het is hier dat de twee lanen die het park doorkruisen samenkomen. Het bekken waarin de fontein staat is rond 1778 aangelegd. Het centrale standbeeld van Neptunus is in 1571 door Stoldo Lorenzi gemaakt. De tuinen worden vanuit dit bekken van water voorzien.

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De familie de'Medici liet verschillende buitenverblijven bouwen.
Dergelijke nieuwe buitenverblijven konden op verschillende manieren bijdragen aan
de status van de vorst en zijn hof.

Leg dit uit aan de hand van twee aspecten.
timer
1:00

Slide 22 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

       Laat- Renaissance (Maniërisme)
  • Geen eenduidige stijl
  • Kolossale orde
  • Meer decoratie
  • Trappen
 Kolossale orde
basilica di sant'andrea, mantova,:
In de architectuur is het zeer moeilijk om een duidelijke definitie van maniërisme te geven, omdat hier eigenlijk tot diep in de 17e eeuw de navolging van klassieke voorbeelden overheersend is geweest. De gebouwen van architect Andrea Palladio worden vaak in dit verband genoemd. Het maniërisme gaat in tegen de codes van de hoge renaissance, omdat het een echte breuk met harmonie bewerkstelligt en ruimte laat voor dure en misleidende versieringen.

Een echt "maniëristisch" te noemen ontwikkeling binnen de architectuur zou het ontstaan van de grotto zijn. Deze nepgrotten, vaak om beelden in tentoon te stellen, werden in tuinen gebouwd.
Maniërisme is in veel opzichten een voorbode van trends in de barokke architectuur .
 

 
Grotto Buontalenti,:
Bobolituinen, Florence
 Venster van Palazzo 
Federico Zuccari 
Rome
In de bouwkunst van het maniërisme is een kenmerk de toepassing van de 'kolossale orde': doorlopende zuilen of pilasters over meer dan één verdieping, onafhankelijk van de maten van vensters en bouwlagen. Daardoor wordt de blik omhoog geleid, en geeft de voorgevel een verticaal accent. Palladio heeft de kolossale orde veel toegepast. 
Als opmaat naar de barok kwamen er trappen voor het gebouw.
De gevels van gebouwen kregen meer decoratie. Op deze manier kreeg het gebouw een levendiger uitstraling. 

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

                     Villa Rotonda 1570 
                       

                           




Centraalbouw
Palladio ontwierp statige huizen, die gebouwd konden worden door plaatselijke arbeiders met de eenvoudigste en goedkoopste materialen, ruwe baksteen bedekt met pleisterwerk, dat geen of weinig beeldhouwwerk behoefde. Om een aristocratische effect te bereiken, voorzag Palladio zijn villa's van een tempelfaçade, in de onjuiste veronderstelling dat de oude Romeinse villa's die ook hadden gehad. De Villa rotonda heeft aan alle vier zijden een porticus met zes zuilen en is misschien wel de volmaaktste belichaming van het renaissance-ideaal van een vrijstaand gebouw met een centraal grondplan. Alberti had gezegd dat de ideale kerk een volkomen symetrische centraalbouw moest zijn, en Palladio is bij zijn ideale landhuis kennelijk van dezelfde principes uitgegaan. 

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Palazzo's en lusthoven
Een goed voorbeeld van maniëristische
 architectuur is het Palazzo del Te.
In 1524 gaf Frederico II Gonzaga, markies van Mantua, de opdracht tot het bouwen van een lustslot of Villa Suburbana. De opdracht werd gegeven aan architect Giulio Romano.  De weelderig gedecoreerde ruimtes, ooit volledig ingericht als aanvulling op het hertogelijk paleis van de familie Gonzaga, werden door veel beroemde gasten van die tijd bewonderd.
Gonzaga's
Mantua werd ooit omringd door vier meren gevormd door de rivier de Mincio. Niet ver van het eiland waarop de stad werd gebouwd was een ander eiland. Deze was door een brug verbonden met de zuidelijke muren van de stad. 
Het eiland, dat groen en rustig zou zijn geweest, werd al snel een toevluchtsoord voor de familie Gonzaga. De Gonzaga's waren sinds het begin van de 14-de eeuw de baas in Mantua. Lodovico Gonzaga had bekendheid gekregen door Mantegna en Alberti naar Mantua te halen. Zijn schoondochter Isabella d'Este zette deze lijn voort. Haar man Francesco was meer in paarden en toernooien geïnteresseerd. 
Begin 1500 liet hij  hier een huis en stallen voor zijn volbloedpaarden bouwen. Hun zoon Federico haalde Giulio Romano naar Mantua.Hij bouwde al snel een goede relatie op met Federico. Giulio heeft Mantua ingrijpend veranderd. Hij het wegen ophogen, afvoergoten aanleggen en maakte van Mantua een gezonde stad temidden van al het water.

Muurschilderingen
Naast de architectuur werkte Giulio Romanao ook aan de fresco in het interieur. Hij combineerde wat nog nooit eerder was gecombineerd, en wisselde thema's uit de mythologie, de klassieke geschiedenis en de astrologie af met vogels, kleine cupido's en saters. Hij deed dit werk met behulp van veel assistenten.
De zaal van Psyche was een symbool van de liefde van Federico voor zijn minares  lsábella. De fresco's verbeelden de fabel van Venus' zoon Amor die verliefd wordt op zijn moeders rivale Psyche. Giulio schilderde hier een groot dionysisch banket en laat zien hoe Zeus op het punt staat de liefde te bedrijven met Olympia.
Palazzo of villa
Met zijn vierkante plattegrond en grote binnenplaats herinnert het Palazzo aan de landelijke villa's uit de oudheid, waar de architectuur en de omgeving voortdurend in interactie zijn.
In tegenstelling tot stadspaleizen bevinden de belangrijkste kamers zich op de begane grond, die iets is verhoogd om de villa te beschermen in geval van overstromingen. De uiterlijke decoratie en het ontwerp van de gevels zijn afgeleid van de klassieke architectuur.
Al dwalend word je telkens verrast door nieuwe, ongewone beelden en doorkijkjes.
Ieder detail heeft een functie in dit theaterspel. Een deel van het fries lijkt weg te zakken, een sluitsteen staat uit het lood. Dit is een gebouw dat kan doen alsof het op instorten staat. 
Romano
Giulio Romano was een leerling van Rafaël. Na de dood van Rafaël nam Romano, samen met Giovan Francesco Penni, zijn werkplaats over en werd daarmee een van de belangrijkste schilders in het Rome van de 16e eeuw. In 1524 werd hij door de hertog Federico II Gonzaga naar Mantua ontboden om als architect te werken. In 1526 begon hij aan het Palazzo del Te. Dit was niet alleen zijn grootste architecturale prestatie, maar ook het hoogtepunt van zijn schilderscarrière.
Naast zijn werk in Palazzo Te en het hertogelijk paleis voert hij verschillende stedenbouwkundige projecten uit en begeleidt hij de particuliere bouw. Hij levert ook een belangrijke bijdrage aan de religieuze architectuur en maakt ontwerpen voor de kathedraal van Mantua en de basiliek van San Benedetto al Polirone. Zijn status aan het Gonzaga-hof is zo groot dat hij in 1526 tot hofafgevaardigde wordt benoemd.

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kenmerken van de barok
  • Nog steeds geïnspireerd door de klassieke architectuur 
  • Golfbeweging, gebruik van concaaf en convex
  • OVERDAAD! --> Imponeren
  • Contrareformatie
  • veelvuldig gebruik van versieringen
  • Gebouw en interieur is eenheid.
  • Rococo
 Architecten gaan nog steeds uit van bouwelementen uit de tijd van de Grieken en de Romeinen. Zuilen, kapitelen  en tympanen. De aan de klassieken ontleende elementen van de renaissance worden op meer spectaculaire wijze toegepast: frontons worden doorbroken, lijstwerk wordt overdadig zwaar en versierend beeldhouwwerk in grote hoeveelheid toegepast. 
In de Barokke architectuur ontstaat een voorkeur voor golvende bewegingen en ovalen.  De hele voorgevel wordt in een golfbeweging ontworpen en gebouwd. Er zijn dan gedeelten van een gevel die naar voren springen of juist naar achteren.  Zo ontstaat een spel met licht en donker.
Ie Barokke architectuur breekt met de beperkingen van het klassieke bouwen en laat een overdaad aan gebogen, plastische vormen zien.
In de barokke architectuur komt de ware aard van de 'barocco' tot uiting.: OVERDAAD.
In de kerkelijke architectuur was de barok een overwegend katholieke stijl. In de tijd van de contrareformatie bouwden onder andere de jezuïeten veel kerken in deze stijl. 
Als vervolg op de barok is in de achttiende eeuw rococo ontstaan, een veel lichter en luchtiger stijl, maar nog steeds heel rijk.
Barok is een stijl van het imponeren, om een bepaald effect of illusie te bereiken. Voorbeelden hiervan zijn de beschilderingen van muren en gewelven met eindeloos ver uitstrekkende wolkenluchten en waarin vaak ook de suggestie wordt gewekt dat het gebouw veel groter is dan in werkelijkheid.
Vaak worden verschillende delen van een gebouw of ruimte door middel van een vloeiende beweging met elkaar verbonden. De trap leent zich bij uitstek voor een dergelijk effect van zwierige beweging. Gebouw en omgeving worden meer als eenheid gezien: geweldige trappartijen en galerijen vormen de verbinding tussen gebouw en omgeving; het ontwerp van paleistuinen wordt aan de architectuur aangepast.
 Guirlandes, frontonvariaties, gedraaide zuilen

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

                    Carlo Maderno (1556 - 1629)
Santa Susanna, 1585 - 1603
Santa Maria della Vittoria, 1605-1620
Schip en facade van de St Pietersbasiliek
Zijn eerste soloproject, in 1596, was de façade voor de oude kerk van Santa Susanna (1597–1603); het was een van de eerste barokke façades 
De gevel van Santa Susanna trok de aandacht van paus Paulus V , die hem rond 1603 tot hoofdarchitect van de Sint-Pietersbasiliek benoemde . Maderno werd gedwongen om Michelangelo 's plannen voor de basiliek te wijzigen en ontwerpen te leveren voor een verlengd schip met een paleisachtige façade. De gevel (voltooid in 1612) is zo geconstrueerd dat er pauselijke zegeningen mogelijk zijn vanaf het nadrukkelijk verrijkte balkon boven de centrale deur. Deze voorwaartse uitbreiding van de basiliek (die groeide van Michelangelo's Griekse kruis tot het huidige Latijnse kruis) is bekritiseerd omdat het het zicht op de koepel blokkeert vanaf de Piazza Carlo 
Het grootste deel van Maderno's werk bleef het hermodelleren van bestaande structuren. Het enige gebouw dat door Maderno is ontworpen (behalve de gevel) en onder zijn supervisie is voltooid, was de indeling en het interieur van Santa Maria della Vittoria (1608–20), waar het werk van Maderno vaak wordt genegeerd ten gunste van Bernini 's Cornaro-kapel en zijn extase van St Theresa.

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

     Gian Lorenzo Bernini(1598 - 1680)

  • Architect en beeldhouwer
  • Baldakijn
  • Sint Pietersplein
De eerste jaren dat Bernini bekendheid kreeg werkte hij voornamelijk als beeldhouwer aan de beelden voor Scipione Borghese. Zijn eerste echte architecturale opdracht kreeg hij in 1624. Hij moest toen een nieuwe gevel ontwerpen voor de kerk Santa Bibiana te Rome. In datzelfde jaar vraagt paus Urbanus VIII hem om een baldakijn te ontwerpen boven het graf van Petrus in de Sint-Pieter. Bernini werkte hieraan van 1624 tot 1634. Gedurende deze periode overlijdt Carlo Maderno, die op dat moment de verantwoordelijk architect is voor alle projecten die plaatsvinden in de Sint-Pieter, en de paus stelt Bernini aan als zijn opvolger.
Tussen 1656 en 1667 construeerde Bernini het Sint-Pietersplein in Rome, het plein voor de Sint-Pietersbasiliek, in opdracht van paus Alexander VII. Het plein wordt omgeven door een zuilenrij, die door Bernini zelf beschreven wordt als "de moederlijke armen van de kerk". Deze zuilenrij bestaat uit 284 dorische zuilen en 88 pilasters, in vier rijen, die vrijwel volledig symmetrisch staan. Op de zuilenrij staan 140 beelden van heiligen. De zuilen vormen samen een ovaal met een grootste binnendiameter van ongeveer 198 meter. Het plein is in totaal ruim 200 meter breed en ruim 250 meter lang.
Bernini, die net als deze twee voorgangers een uitgesproken kunstenaarspersoonlijkheid had, drukte zijn stempel op de kunst van Rome in de 17e eeuw. Sterker dan enig kunstenaar voor hem had gekund, hield hij de kunst van zijn tijd in zijn greep. Bernini had het vermogen om architectuur en beeldhouwkunst op een expressieve manier met elkaar te verenigen.
Het oeuvre van Bernini is onlosmakelijk verbonden met het pauselijk hof. Hij schiep spectaculaire meesterwerken voor vier pausen

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

     Francesco Borromini(1599 - 1667)
  • Leerling van Maderno en Bernini
  • San Carlo alle Quattro Fontane
  • Sant'Agnese in Agone
Van 1634 tot 1637 werkte Borromini aan zijn eerste zelfstandige opdracht, de reconstructie van de kerk van San Carlo alle Quattro Fontane (ook wel bekend als de San Carlino). De voorgevel zou veel later volgen, aan het einde van zijn carrière, die dus met de San Carlino begon en eindigde. (klein kerkje, zo groot als één pijler in de Sint Pieter)
De bouwstijl van de kerk is overduidelijk barok. De kenmerken van de barokkunst zijn beweging, contrast, theatrale effecten en integratie. Deze stijlkenmerken doen een beroep op het gevoel, terwijl de kunst uit de Renaissance meer een beroep deed op het verstand. De stijlkenmerken van de barok vinden we op verschillende manieren terug in de kerk. De entree wijkt met een boog terug, de koepel lijkt naar voren geschoven, en staat nu recht boven de entreepartij. De koepel en torens hebben een ovaal als grondvorm, een van de populairste vormen in de barok, en steken een flink eind omhoog. Al deze kenmerken van de kerk wijzen op een beweeglijkheid in de architectuur, zoals men in de barok gewend is.
Borromini werd door zijn vader opgeleid tot steenhouwer en verhuisde voor verdere studie in dit beroep naar Milaan. Toen hij naar Rome verhuisde in 1619 ging hij werken voor een verre verwant, Carlo Maderno, in de Sint-Pieterskerk. Na het overlijden van Madernosloot Borromini zich aan bij de groep restaurateurs en schilders rond Gian Lorenzo Bernini, waarmee hij de voorgevel van en de uitbreidingen aan Palazzo Barberini afrondde.

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

     Francesco Borromini(1599 - 1667)
  •  Bramante
  •  Rafael 
  •  Michelangelo
  •  Maderno
  •  Bernini
Na de dood van Bramante werd de schilder Rafael gekozen tot nieuwe bouwmeester. Hij sloopte echter het werk van Bramante en maakte een plan voor een kerk in de vorm van een Latijns kruis. Zo zou het gebouw een langwerpig schip krijgen. Rafael kon zijn plan niet uitvoeren, maar had wel een discussie op gang gebracht over de vorm van het gebouw, een discussie die nog tientallen jaren zou voortduren.
In 1547 werd de discussie eindelijk beslecht door paus Paulus III die Michelangelo aanstelde als architect. Hij volgde het oude plan van Bramante. Typisch in zijn stijl bracht Michelangelo pilasters, niches en richels aan in de muren. Hij ontwierp de grote koepel, waaronder het pauselijk altaar zou komen te staan. Na de dood van Michelangelo in 1564 werd het karwei afgemaakt door zijn assistent Giacomo della Porta.
 In de vroege zestiende eeuw verkeerde het gebouw in zo’n slechte staat, dat er een besluit genomen moest worden: renoveren of slopen. Paus Julius II gaf architect Donato Bramante de opdracht een nieuwe kerk te ontwerpen. Bramante ontwierp een gebouw in de vorm van een Grieks kruis, dat wil zeggen een gebouw met vier armen en een centrale koepel. Deze vorm zou symbolisch verwijzen naar de vier windrichtingen van de wereld, met daarboven een hemel. Bramante voerde de sloop van de oude basiliek uit en kreeg daardoor de bijnaam ‘de sloopmeester’. Hij stierf echter tijdens de bouw in 1514, toen alleen nog de funderingen voor het koor waren gelegd.
Ondanks de besluiten van Michelangelo was de discussie over centraalbouw versus rechthoekige bouw nog niet helemaal voorbij. Tijdens het Concilie van Trente werd besloten dat moest worden doorgegaan met de bouw van een rechthoekige basiliek. Daarvoor werd architect Carlo Maderno aangesteld. Hij moest Michelangelo’s plan letterlijk verlengen. De kerk kreeg nu alsnog de vorm van een Latijns kruis. Maderno ontwierp ook de klassieke façade, die gebouwd werd tussen 1607 en 1612. Hierdoor is echter de koepel van Michelangelo alleen nog van een grote afstand goed te zien.
De laatste beroemde architect die aan de Pieterskerk heeft gewerkt, is Gianlorenzo Bernini. Hij moest door de aanleg van een groot plein voor de kerk de koepel van Michelangelo beter zichtbaar maken. Hij creëerde een ovalen zuilengalerij met Toscaanse zuilen om het Pietersplein heen. Deze zuilen stralen symbolisch twee armen uit om de pelgrims van over de hele wereld te omarmen bij hun aankomst.
Sint Pieters Basiliek

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

     Francesco Borromini(1599 - 1667)
Paleis van Versailles
  •   Barok/Neo-Classicisme
  •   Grootsheid
  •   Tuinen
  •   In fasen 
  •   Lodewijk XIII
  •   Lodewijk XIV
  •   Verheerlijking van de koning
In Frankrijk zie je dat er naast de Barok ook veel klassieke vormen voorkomen. Dit heeft te maken met de hofstijl van Lodewijk de XIVe. Hij liet het Paleis in  Versailles bouwen in Neoclassicistische (= 
nieuw-klassieke) stijl: dat kun je zien in de façade van het paleis: daar overheerst de strenge, klassieke stijl: de nadruk op de horizontale vorm van het Paleis, het gebruik van pilasters zijn daarvan een 
voorbeeld. In het interieur zie je naast  klassieke elementen toch ook veel flamboyante vormen in de decoraties van trappen, muren, meubels, beelden en schilderijen.
 In deze tuinen zijn de perken en paden en fonteinen in geometrische 
vormen aangelegd. Vijvers zijn opgesierd met fonteinen. De fonteinen zijn  opgebouwd uit beelden die vaak naar de  klassieke mythologie verwijzen.
Versailles is een enorm paleis, het is gebouwd in Neoclassicistische (= statiger dan de barok) stijl. Het interieur is afwisselend Barok en Neoclassicistisch van karakter. Het hele paleis ademt een sfeer van grandeur uit. Alles is groots van opzet: de enorme schilderijen, spiegels, zalen, hallen enz.
Ook de tuinen passen in dit grootse geheel. 
Het kasteel van Versailles werd in fasen gebouwd en verbouwd. Niet alle verbouwingen zijn behoorlijk gedocumenteerd en ook de kenners zijn het over de volgorde en datering niet altijd eens. Aan het kasteel is door opeenvolgende generaties meer dan driehonderd jaar gebouwd. Bijzonder aan het gebouw is dat de opeenvolgende Franse koningen het gebouw eerder aanvulden dan grondig verbouwden. Lodewijk XIV heeft veel moeite gedaan om de gevels die door zijn vader waren gebouwd te bewaren.
In het begin van de 17de eeuw was Versailles een boerendorp boven het moerassige dal van Galië. Lodewijk XIII ging graag jagen in het domein dat aan de familie Gondi toebehoorde. Om er na de jacht te kunnen overnachten bouwde hij in 1624 op de heuvel naast het dorp een klein jachtslot. Lodewijk XIII verbleef hier vaak en liet de regering over aan Kardinaal de Richelieu. Gedurende de regeringsperiode van Lodewijk XIII was Versailles nog een rustig kasteeltje met ruimte voor niet meer dan een bescheiden hofhouding
De jonge Lodewijk XIV was, net als zijn vader, een liefhebber van de jacht; een nieuw verblijf op enige kilometers van het drukke Louvre was dan ook een ideaal verblijf voor Lodewijk die Parijs verafschuwde. Lodewijk liet tussen 1655 en 1679 door architect Le Vau de eerste vergrotingswerken uitvoeren. Daarmee gaf hij het startsignaal voor een megalomaan project waaraan de Franse koningen tot in de 19de eeuw zouden blijven bouwen. Het kasteel kostte fortuinen, maar zorgde ook voor grote werkgelegenheid; bij de bouw waren duizenden arbeiders te werk gesteld. Lodewijk, die als absoluut monarch geen verschil maakte tussen de staatskas en zijn eigen financiën, besteedde ongeveer 6 procent van de totale staatsuitgaven aan Versailles. 
De verheerlijking van de vorst is heel Versailles zichtbaar. Zo vind je in de Venuszaal een standbeeld van Lodewijk XIV als Romeinse keizer.
De Apollozaal dient voor plechtige audiënties, wat niet zo gek is als je bedenkt dat Lodewijk XIV zichzelf graag als de Zonnekoning vergelijkt met Apollo de Zonnegod. Tijdens deze audiënties zit Lodewijk op een zilveren troon.
Het plafond is beschilderd door Charles de Lafosse; hierop is Apollo met zijn zonnewagen geschilderd. Boven de schoorsteenmantel hing het bekende portretschilderij van Hyacinthe Rigaud.
Ook in de zaal van de oorlog zien we Lodewijk, afgebeeld als een groot krijger te paard gekleed in kostuum uit de klassieke oudheid.
Een van de grootste ruimtes in het paleis van Versailles. Hij is 73 meter lang, 10,5 meter breed en 12,5 meter hoog!
De Spiegelzaal dankt zijn naam natuurlijk aan de vele aanwezige spiegels.In de tijd van Lodewijk XIV zijn spiegels ontzettend duur, dus zoveel bij elkaar in een ruimte moet een vermogen hebben gekost.
De Spiegelzaal – ook wel de grote galerij genoemd – is ontworpen door Jules Hardouin-Mansart. Natuurlijk houdt ook hier Le Brun toezicht op het werk van de beeldhouwers die verantwoordelijk zijn voor alle decoraties. Deze geven de grote gebeurtenissen tussen 1661 en 1678 weer in een voor de koning vleiende positie.

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Tuinen speelden een grote rol in de hofcultuur. Bespreek twee belangrijke functies van de tuinen van Versailles.

Slide 33 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Hoe goed denk je de stof van vandaag te begrijpen?
0100

Slide 35 - Poll

Deze slide heeft geen instructies


Slide 36 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

VWO

Lezen:
Hoofdstuk 4: blz. 66 tm 69, 74 + 75, 78 + 79, 86 + 87



Maken:
Vanaf blz 34:
Vraag 12, 13, 37, 64, 65, 69




HAVO

Lezen:
Hoofdstuk 4: blz. 66 tm 69, 74 + 75, 78 + 79, 86 + 87


Maken:
Vanaf blz 34:
Vraag 9, 10, 31, 58, 59





Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies