Taal hfst 1 Vervoer

Wat is het lidwoord?
Daar is het meisje.
A
Daar
B
is
C
het
D
meisje
1 / 25
volgende
Slide 1: Quizvraag
BedrijfseconomieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Wat is het lidwoord?
Daar is het meisje.
A
Daar
B
is
C
het
D
meisje

Slide 1 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zayd is een knappe jongen.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?
A
Zayd
B
knappe
C
jongen
D
is

Slide 2 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een zelfstandig naamwoord?
A
de, het, een
B
woorden die je kunt doen
C
namen van mensen, dieren en dingen
D
woorden die een hoeveelheid aangeven.

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een zelfstandig naamwoord?
A
de
B
grote
C
man
D
loopt

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een zelfstandig naamwoord?
A
dan
B
de
C
eten
D
appels

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het zelfstandig naamwoord?
Daar is Marijke.
A
Daar
B
is
C
Marijke

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Dylan heeft prachtige krullen.

Wat is het zelfstandig naamwoord?
A
krullen
B
prachtige
C
Dylan
D
heeft

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het zelfstandig naamwoord?
Daar is het meisje.
A
Daar
B
is
C
het
D
meisje

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het zelfstandig naamwoord?
Wij wonen in Hilversum?
A
wij
B
wonen
C
in
D
Hilversum

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

wat is een lidwoord
A
de
B
het
C
een
D
alledrie de antwoorden zijn goed

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het lidwoord?

Ik gebruik de versnelling van mijn fiets
A
ik
B
de
C
mijn
D
fiets

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De hond loopt op straat.
Wat is het lidwoord?
A
Hond
B
Loopt
C
de
D
Straat

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een lidwoord?
A
de
B
het
C
een
D
alledrie de antwoorden zijn goed

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het lidwoord?
Ik zwem in het zwembad.

A
zwem
B
in
C
het
D
zwembad

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het lidwoord?

Ik loop naar het huis.


A
ik
B
loop
C
het
D
huis

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk lidwoord gebruik je voor 'kind'?
A
het
B
een
C
de
D
die

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoorden

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een werkwoord
A
Wat er gebeurt
B
Wat er is
C
Een doe-woord
D
Wat iemand doet

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het goede werkwoord?
A
Afwassen
B
Poetsen
C
Strijken
D
Wassen

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het werkwoord?
A
fietsbel
B
fietsen
C
zadel
D
voorlicht

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is GEEN werkwoord?
A
dansen
B
eten
C
huilen
D
stoelen

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is GEEN werkwoord?
A
dansen
B
eten
C
huilen
D
markten

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld tijdproef

Elena, Luka en Jotta gaan samen naar school.

Tijdproef (we veranderen de tijd van de zin van tt. en vt.).

Elena, Luka en Jotta gingen samen naar school. 

Slide 23 - Tekstslide

Voorbeeld:
Jotta luistert goed naar de juf.
vraagzin:
Luistert Jotta goed naar de juf?
Het woord luistert komt vooraan te staan en is een werkwoord.
Luistert is dus de persoonsvorm in deze zin.
De persoonsvorm 
Hoe kan ik de persoonsvorm (PV) vinden?

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn lidwoorden?
A
1,2,3
B
de, op, voor
C
De, het, een
D
en, maar, waarom

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies