Week 2, Klinisch redeneren- anatomie urinewegstelsel

1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
klinisch redenerenMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Ziektebeelden die veel voorkomen

Nierkanker komt ook voor, de zgn Grawitztumor
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
Vena cava inferior
Aorta Abdominalis
Nierhilus
Diafragma
Bijnier
Arterie renalis
Linker nier
Perirenaal vet
Fascia Renalis
Ureter
Cervix
Uretra
Vesica Urinae
Ovarium
Tuba Uterina

Slide 4 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Tekstslide

  • Ademhaling: De nieren houden samen met de longen het zuurbase evenwicht in stand
  • Circulatie: De nieren hebben invloed op de bloeddruk en de nieren handhaven de kaliumconcentratie in het bloed wat van belang is voor het hartritme
  • Zuurstofbalans myocard: De nieren hebben invloed op de vochtbalans zodat het bloed niet te stroperig wordt. Bij viscositeit van bloed wordt het hart niet van zuurstof voorzien.
  • Bloed: Bloed bestaat veelal uit plasma, de hoeveelheid regelen de nieren.
  • Zenuwstelsel: De hypothalamus heeft invloed op de osmolariteit en totale watermassa in het lichaam.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waaruit bestaat het urinewegstelsel?

Slide 7 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Het urinewegstelsel is een zogenaamd uitscheidingsorgaan. Er zijn vier organen die voor uitscheiding zorgen. Hoewel je er geen van kunt missen, zijn de nieren de belangrijkste van deze vier. De andere drie uitscheidingsorganen zijn:
  • longen (scheiden waterdamp en koolzuurgas uit);
  • lever (scheidt galkleurstoffen uit);
  • huid (scheidt water, zouten en zuren uit).

Slide 10 - Tekstslide

Nieren zijn belangrijke organen. Nierschade is iets wat we niet snel zullen opmerken, omdat de nieren heel veel restcapaciteit hebben.


De nieren liggen
A
Preperitoneaal
B
Subperitoneaal
C
Retroperitoneaal
D
Intraperitoneaal

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Welke functies hebben de nieren?

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn geen functies van het urinewegstel?

Slide 14 - Tekstslide

Adrenaline = bijnier
Insulineconcentratie= 'alvleesklier'
uitscheiding glucose= 'lever'

Slide 15 - Tekstslide

Naast het verwijderen van organische afvalstoffen hebben de nieren nog meer taken:
  • Het reguleren van het bloedvolume en de bloeddruk, door het volume van het water aan te passen dat met de urine verloren gaat, het afgeven van erytropoëtine en renine.
  • Het reguleren van de concentratie van natrium, kalium, chloride en andere ionen, door te regelen hoeveel er met de urine verloren gaat en door de concentratie van calciumionen te regelen via de vorming van calcitriol.
  • Bijdragen aan het stabiliseren van de pH van bloed, door het verlies van waterstofionen (H+) en bicarbonaationen (HCO3-) in de urine te regelen.
  • Het behoud van waardevolle voedingsstoffen, zoals glucose en aminozuren door te voorkomen dat ze met de urine worden uitgescheiden, terwijl organische afvalstoffen worden uitgescheiden (vooral de stikstofhoudende afvalstoffen ureum en urinezuur.
Deze activiteiten worden zorgvuldig gereguleerd om de samenstelling van het bloed binnen acceptabele grenzen te houden. Een verstoring van een van deze functies heeft onmiddellijke en mogelijk dodelijke gevolgen.

Door al deze taken is het begrijpelijk dat de nieren een enorm doorbloed orgaan zijn.

Slide 16 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Tekstslide

De nieren zijn opgebouwd uit het:
Kapsel
  • De schors of cortex
  • Het merg of de medulla, met 6-8 piramiden waar van de bovenzijde nierpapil wordt genoemd en de onderzijde richting het
  • Het nierbekken (pyelum), de holte die je ziet. Het bekken is opgebouwd uit een soort trechtertjes, de nierkelken. Vanuit de nierpapil stroomt urine door de kelken naar het grotere bekken.
  • Nierhilus waar de bloedvaten en de ureter zich bevinden

Slide 18 - Tekstslide

Wanneer we verder inzoomen zien we de nefronen, daar hebben we er ongeveer 1 miljoen van. Het filteren gebeurt door filtratie en resorptie.
Een nefron bestaat uit een nierlichaampje en een nierkanaaltje.
Het nierlichaampje ligt in het schors, het heeft een kluwtje haarvaten (glomerulus) en een kapsel daaromheen, kapsel van Bowman.
Het nierkanaaltje ligt vooral in de schors en is aangesloten op verzamelbuisje wat in het merg ligt.

Slide 19 - Tekstslide

De grote bloedvaten die de nierpoort in- en uitgaan, zijn de nierslagader en de nierader. Via de nierslagader wordt het zuurstofrijke en nog niet gezuiverde bloed naar de nier toegevoerd. Via de nierader wordt het gezuiverde en zuurstofarme bloed afgevoerd naar de onderste holle ader. De nierslagader is een directe aftakking van de grote lichaamsslagader (aorta). Je hebt twee nierslagaders. Voor elke nier één. De aftakkingen van de nierslagaders liggen aan het begin van de grote lichaamsslagader. Dit is dicht onder het hart. Hier is de bloeddruk het hoogst in de bloedsomloop. Wat weer mogelijk maakt dat er veel bloed, en onder stevige druk, de nier wordt binnen gestuwd. De nieraders zijn aangesloten op het laatste stukje van de onderste holle ader. Hier is de bloeddruk het laagst, wat het mogelijk maakt dat het dan gezuiverde bloed gemakkelijk kan terugstromen.

1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
Cortex
Medulla
Renale sinus
Nierhilus
Nierbekken
Nierpapil
Ureter
Calix Major
Calix Minor
Nierpiramiden
Nierlobje
Columnae Renalis
Kapsel

Slide 20 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

20% van wat het hart rondpompt gaat via de nieren. Het bloed komt terecht in de glomerulus.
De glomerulus is eigenlijk een soort zeef. Wanden van glomeruli en nierkapseltjes zijn doorlaatbaar voor kleinere stoffen. (bloedcellen en eiwitten blijven achter)
Per dag wordt 180 liter voorurine aangemaakt
Dit wordt grotendeels weer terug opgenomen met name door 1e gekronkelde buisje.
Uiteindelijk is het 1,5 liter urine wat het lichaam verlaat.

Slide 23 - Tekstslide

Resorptie is het terugnemen van teveel uitgefilterde stoffen en vloeistof > dus terugbrengen van veel nuttige stoffen uit de voorurine naar de bloedbaan.
De voorurine is door het kapsel van Bowman opgevangen en gaat nu:
  • Door het 1e gekronkelde buisje, daar wordt 80% teruggenomen
  • Dan de lis van Henle waar 6% wordt teruggenomen
  • En als laatste door het opstijgende 2e gekronkelde buisje, waar 14% resorptie plaatsvindt
  • Dit gaat door tot er pure urine overblijft.

Slide 24 - Tekstslide

Het aanvoerend bloed komt voor de glomerulus in contact met de juxtaglomerulaire cellen. Dit zijn endocriene cellen in de nieren; produceren het hormoon renine

Hoeveel liter voorurine produceren we per dag?
A
70
B
170
C
200
D
240

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe wordt de vorming van urine genoemd?
A
Diurese
B
Dysurie
C
Nycturie
D
Disurese

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Tekstslide

De urine sijpelt continu vanuit de verzamelbuizen via de nierpapillen naar de nierkelken. De diurese hangt van de volgende factoren af:
De hoeveelheid opgenomen vocht. Als je meer drinkt, moet je vaker plassen; drink je te weinig, dan zijn de nieren zuinig met het uitscheiden van vocht.
De hoeveelheid opgenomen zouten. Eet je veel zout voedsel, dan zijn de nieren zuinig met het uitscheiden van vocht; je moet minder vaak plassen.
De hoeveelheid vocht en zouten die je verliest door transpiratie. Als je hevig transpireert en weinig drinkt, kan de urineproductie afnemen tot minder dan een halve liter per etmaal.

Slide 28 - Tekstslide

Voorurine bestaat uit bloedvloeistof zonder de grote bloedeiwitten, de bloedcellen en de bloedplaatjes. De voornaamste bestanddelen van voorurine zijn:
  • water;
  • glucose;
  • aminozuren;
  • zouten in oplossing;
  • afvalstoffen.

1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
Afferente arteriole
Efferente arteriole
Glomerulus
Kapsel van Bowman
Proximale tubulus
Lis van Henle
Distale tubulus
Nierbuis
Nierader
Verzamelbuis

Slide 29 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke bestanddelen
bevat urine altijd
en welke soms?

Slide 30 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Slide 31 - Tekstslide

Urine bevat altijd de volgende bestanddelen:
  • water; urine bestaat voor ongeveer 96% uit water;
  • zouten; zoals natrium, kalium, chloor en calcium;
  • afbraakproducten van eiwitten, bijvoorbeeld ureum, ammoniak, creatinine en urinezuur;
  • uribilline, waardoor urine de kenmerkende gele kleur heeft; bij de afbraak van hemoglobine ontstaat bilirubine; het meeste hiervan komt in de galwegen terecht, maar een klein deel zit in het bloed; de nieren halen het uit het bloed; op dat moment heet het uribilline;
  • celresten, afkomstig van afgesleten epitheelcellen van de functionele niereenheden en de urinewegen.
  • Soms zijn de volgende bestanddelen in urine aanwezig:
  • vitamine C, wanneer er met het voedsel meer vitamine C is opgenomen dan er in je lichaam verbruikt wordt;
  • bepaalde hormonen, bijvoorbeeld tijdens de zwangerschap, wanneer de hoeveelheid geslachtshormonen is verhoogd. (Een deel van die hormonen wordt uitgescheiden. Bepaalde zwangerschapstests tonen de aanwezigheid van deze hormonen aan.)

Slide 32 - Tekstslide

De urinewegen zorgen voor de afvoer van de urine vanuit de nieren. De urinewegen bestaan uit urineleiders, urineblaas en urinebuis of plasbuis.

Hoeveel cm is een ureter ongeveer?
A
15
B
20
C
25
D
30

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Tekstslide

Nieren hebben veel invloed op de bloeddruk. Dit komt door het RAAS, renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS) wat de water en zouthuishouding regelt. Wanneer je dit systeem begrijpt, snap je ook waarom er verschillende middelen zijn tegen hypertensie.
Werk het ziektebeeld nierfalen uit

  1. Waarom is het belangrijk pre- en postrenale oorzaken snel op te sporen?
  2. Welke verschijnselen treden op bij zowel acuut en chronisch nierfalen?
  3. Wat zegt meer over de nierfunctie: bepaling in bloed of urine?
  4. Motiveer het antwoord.
  5. Wat is het doel van vochtbeperking en Na+ beperking bij nierfalen?
  6. Hoe ontstaat oedeem bij nierfalen?
  7. Waarom is een K+ beperking van belang bij nierfalen?
  8. Wat is het doel van Vit D en fosfaat beperking bij nierfalen?
  9. Maak een overzicht van verschillen tussen acuut en chronisch nierfalen


  • Wat houdt het in?
  • Wat zijn oorzaken en risicofactoren?
  • Wat zijn verschijnselen
  • Welke onderzoeken en verschillende bloedonderzoeken zijn van belang?
  • Welke behandelingen zijn mogelijk?
  • Welke medicatie wordt gebruikt?
  • Wat is daar de werking en bijwerking van?

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vragen???

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies