In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 60 min
Onderdelen in deze les
TisTaal | VO1 | thema 1 | les 1
Eten en drinken
Thema 4
les 1
Slide 1 - Tekstslide
Doel
De leerlingen maken kennis met het thema Eten en drinken en activeren hun voorkennis.
Aanwijzingen
Open het nieuwe thema en lees de titel samen. Vraag de leerlingen waar zij aan denken bij eten en drinken in Nederland. Laat enkele leerlingen kort reageren. Vertel dat zij deze les gaan ontdekken hoe verschillende teksten over hetzelfde onderwerp een ander doel kunnen hebben.
Route A
Geef enkele eenvoudige voorbeelden van Nederlands eten of drinken om het gesprek op gang te helpen.
Route B
Laat leerlingen zelf voorbeelden en ervaringen noemen.
Route C
Vraag leerlingen ook verschillen of overeenkomsten te noemen tussen eten en drinken in Nederland en in het land waar zij wonen.
• het verschil herkennen tussen informeren en overhalen;
• kenmerken noemen van een beschrijvende tekst en een overhalende tekst;
• belangrijke informatie uit korte teksten halen.
Na deze les kan ik:
Slide 2 - Tekstslide
Doel
De leerlingen maken kennis met de leerdoelen van de les.
Aanwijzingen
Lees de leerdoelen samen hardop. Vertel dat de leerlingen deze les leren hoe zij het doel van een tekst kunnen herkennen. Leg uit dat verschillende teksten over hetzelfde onderwerp een ander doel kunnen hebben, bijvoorbeeld informeren, amuseren, overtuigen of overhalen. Geef nog geen inhoudelijke uitleg. Die volgt later in de les.
Route A
Lees de leerdoelen voor en licht moeilijke woorden kort toe.
Route B
Laat leerlingen de leerdoelen zelfstandig lezen en vraag wat zij al weten over tekstdoelen.
Route C
Vraag leerlingen of zij een voorbeeld kunnen noemen van een tekst die zij onlangs hebben gelezen en wat volgens hen het doel van die tekst was.
Wat eet jij meestal op een schooldag?
Slide 3 - Woordweb
Doel
De leerlingen activeren hun voorkennis over eten en drinken en wisselen ideeën uit.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen individueel of in tweetallen bedenken wat zij meestal eten en drinken op een schooldag. Verzamel de antwoorden in de mindmap. Vraag eventueel door, bijvoorbeeld wanneer zij iets eten, waarom zij daarvoor kiezen of wat zij meenemen naar school. Bespreek nog niet of keuzes gezond of ongezond zijn. Het doel is om voorkennis te activeren.
Route A
Geef enkele voorbeelden, zoals brood, fruit, yoghurt of water, zodat leerlingen op ideeën komen.
Route B
Laat leerlingen zelfstandig meerdere woorden of korte woordgroepen aan de mindmap toevoegen.
Route C
Vraag leerlingen overeenkomsten en verschillen te benoemen tussen hun eigen eetgewoonten en die van hun klasgenoten.
Je gaat straks een tekst lezen over eten in Nederland.
De tekst heeft tussenkopjes.
Tussenkopjes laten zien waar een deel van de tekst over gaat.
Vraag:
Waar denk je dat de tekst over gaat?
Lees de tussenkopjes hieronder:
• Ontbijt: snel en simpel
• Lunch: meestal koud
• Avondeten: warm en samen
• Gezond en praktisch
Slide 4 - Tekstslide
Doel
De leerlingen voorspellen waar een tekst over gaat door gebruik te maken van de tussenkopjes.
Aanwijzingen
Leg uit dat tussenkopjes helpen om de inhoud van een tekst snel te overzien. Laat de leerlingen de tussenkopjes eerst stil lezen. Vraag daarna waar zij denken dat de tekst over gaat en waarop zij hun voorspelling baseren. Benadruk dat een voorspelling niet precies goed hoeft te zijn. De leerlingen controleren hun verwachting tijdens het lezen van de tekst.
Route A
Lees de tussenkopjes samen hardop en bespreek moeilijke woorden kort.
Route B
Laat leerlingen zelfstandig een voorspelling maken en deze kort toelichten.
Route C
Vraag leerlingen per tussenkopje te vertellen welke informatie zij verwachten in dat deel van de tekst.
Ontbijt: snel en simpel
In Nederland begint de dag voor veel mensen met een eenvoudig ontbijt.
Ze eten vaak brood met kaas, pindakaas of zoet beleg zoals hagelslag.
Sommige mensen ontbijten met yoghurt of fruit, maar brood is het meest gebruikelijk.
Lunch: meestal koud
Ook de lunch is in Nederland meestal simpel.
Veel Nederlanders eten opnieuw brood, thuis, op school of op het werk.
Ze nemen hun lunch vaak zelf mee.
Warm lunchen, zoals in sommige andere landen, gebeurt in Nederland niet vaak.
Wat eten Nederlanders op een gewone dag?
Slide 5 - Tekstslide
Doel
De leerlingen lezen het eerste deel van een informatieve tekst en halen de belangrijkste informatie uit de tekst.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen de tekst eerst stil lezen. Vraag daarna wat zij hebben geleerd over het ontbijt en de lunch in Nederland. Benadruk dat zij hun antwoorden uit de tekst halen. Vraag leerlingen de zinnen aan te wijzen waarop zij hun antwoord baseren. Bespreek kort de vetgedrukte kernwoorden.
Route A
Lees de tekst samen hardop en bespreek moeilijke woorden, zoals beleg, meestal en gebruikelijk.
Route B
Laat leerlingen de tekst zelfstandig lezen en de belangrijkste informatie benoemen.
Route C
Vraag leerlingen de Nederlandse ontbijt en lunchgewoonten te vergelijken met die in het land waar zij wonen en hun antwoord met voorbeelden toe te lichten.
Avondeten: warm en samen
Het avondeten is voor veel gezinnen het belangrijkste eetmoment van de dag.
Dan eten Nederlanders meestal warm.
Populaire gerechten zijn stamppot, pasta, rijstgerechten of aardappelen met groente en vlees. Steeds meer mensen kiezen ook voor vegetarisch eten.
Gezond en praktisch
Veel Nederlanders letten op gezond en praktisch eten.
Ze kiezen maaltijden die niet te duur zijn en niet veel tijd kosten.
Daarom koken veel mensen doordeweeks snel en simpel.
In het weekend is er soms meer tijd om uitgebreid te koken of samen te eten.
Slide 6 - Tekstslide
Doel
De leerlingen lezen het tweede deel van een informatieve tekst en halen de belangrijkste informatie uit de tekst.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen de tekst eerst stil lezen. Vraag daarna wat zij hebben geleerd over het avondeten en gezonde eetgewoonten in Nederland. Bespreek de belangrijkste informatie aan de hand van de tekst. Vraag leerlingen steeds de zin aan te wijzen waarop hun antwoord gebaseerd is. Besteed kort aandacht aan de signaalwoorden steeds meer en daarom.
Route A
Lees de tekst samen hardop en bespreek moeilijke woorden, zoals vegetarisch, praktisch en doordeweeks.
Route B
Laat leerlingen zelfstandig de belangrijkste informatie uit de tekst benoemen.
Route C
Vraag leerlingen de Nederlandse eetgewoonten te vergelijken met die in het land waar zij wonen en laat hen hun antwoord onderbouwen met voorbeelden uit de tekst.
Waar gaat deze tekst over?
A
Wat Nederlanders vaak eten.
B
Waarom eten lekker is.
C
Hoe laat Nederlanders eten.
D
Hoeveel Nederlanders eten.
Slide 7 - Quizvraag
Doel
De leerlingen bepalen het onderwerp van een informatieve tekst.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen eerst individueel een antwoord kiezen. Bespreek daarna waarom het juiste antwoord past bij de hele tekst. Vraag welke informatie uit de tekst daarbij helpt. Benadruk dat zij niet naar één alinea kijken, maar naar de tekst als geheel.
Antwoord
A. Wat Nederlanders vaak eten.
Route A
Laat leerlingen de tussenkopjes nog eens lezen voordat zij een antwoord kiezen.
Route B
Laat leerlingen zelfstandig het juiste antwoord kiezen en toelichten.
Route C
Vraag leerlingen uit te leggen waarom de andere antwoordmogelijkheden niet passen bij de inhoud van de hele tekst.
Wat wil de schrijver met deze tekst?
A
iets uitleggen
B
iemand iets laten kiezen
C
iemand overhalen om te gaan eten
D
iemand de laten ontspannen
Slide 8 - Quizvraag
Doel
De leerlingen herkennen het tekstdoel van een informatieve tekst.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen eerst individueel een antwoord kiezen. Vraag daarna waarop zij hun keuze baseren. Bespreek dat de schrijver informatie geeft over eetgewoonten in Nederland en de lezer iets wil uitleggen. Benadruk dat het tekstdoel informeren is en niet overtuigen, overhalen of amuseren.
Antwoord
A. Iets uitleggen.
Route A
Laat leerlingen terugkijken naar de tekst en aanwijzen welke informatie wordt uitgelegd.
Route B
Laat leerlingen zelfstandig het juiste antwoord kiezen en toelichten.
Route C
Vraag leerlingen uit te leggen waarom de andere antwoordmogelijkheden niet passen bij het doel van deze tekst.
Eet jij thuis Nederlands eten?
Welk Nederlands eten vind je lekker?
Slide 9 - Tekstslide
Doel
De leerlingen verbinden de inhoud van de tekst met hun eigen ervaringen en oefenen met het geven van een mening.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen eerst individueel nadenken over de twee vragen. Bespreek daarna de antwoorden in tweetallen of klassikaal. Benadruk dat er geen goede of foute antwoorden zijn. Vraag leerlingen hun mening kort toe te lichten en laat hen luisteren naar elkaars ervaringen.
Route A
Geef enkele voorbeelden van Nederlandse gerechten, zoals stamppot, erwtensoep of pannenkoeken, zodat leerlingen op ideeën komen.
Route B
Laat leerlingen beide vragen beantwoorden en hun antwoord kort toelichten.
Route C
Vraag leerlingen verschillen en overeenkomsten te benoemen tussen Nederlandse eetgewoonten en die thuis of in het land waar zij wonen.
Lees de tekst.
Slide 10 - Tekstslide
Doel
De leerlingen lezen een reclame aandachtig en bereiden zich voor op het herkennen van het tekstdoel.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen de reclame eerst individueel lezen. Vraag hen nog geen vragen te beantwoorden, maar alleen goed te kijken naar de tekst, de afbeelding en opvallende woorden. Vertel dat zij straks onderzoeken wat de schrijver met deze tekst wil bereiken.
Route A
Lees de reclame samen hardop en bespreek moeilijke woorden, zoals stamppot, portie en proberen.
Route B
Laat leerlingen de reclame zelfstandig lezen en opvallende woorden markeren.
Route C
Vraag leerlingen alvast te voorspellen wat het doel van deze tekst is en waarop zij hun voorspelling baseren.
Wat wil de schrijver dat jij doet na het lezen van deze tekst?
A
De stamppot proberen.
B
Informatie krijgen over Nederlands eten.
C
Uitleggen wat Nederlanders eten.
Slide 11 - Quizvraag
Doel
De leerlingen herkennen het tekstdoel overhalen en bepalen wat de schrijver wil dat de lezer doet.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen eerst individueel een antwoord kiezen. Bespreek daarna waarom de schrijver de lezer wil laten handelen. Vraag welke woorden in de reclame daarbij helpen, zoals kom vandaag nog, probeer en lage prijs. Benadruk dat een reclame de lezer wil overhalen om iets te doen.
Antwoord
A. De stamppot proberen.
Route A
Laat leerlingen in de reclame aanwijzen welke woorden hen aansporen om de stamppot te proberen.
Route B
Laat leerlingen zelfstandig het juiste antwoord kiezen en toelichten.
Route C
Vraag leerlingen uit te leggen waarom de andere antwoordmogelijkheden niet passen bij het doel van deze reclame.
Het doel van deze tekst is:
A
amuseren
B
informeren
C
overtuigen
D
overhalen
Slide 12 - Quizvraag
Doel
De leerlingen herkennen het tekstdoel van een reclame.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen eerst individueel een antwoord kiezen. Bespreek daarna waarom overhalen het juiste tekstdoel is. Vraag welke woorden in de reclame laten zien dat de schrijver wil dat de lezer iets doet. Benadruk het verschil tussen overtuigen (de lezer van een mening laten veranderen) en overhalen (de lezer iets laten doen).
Antwoord
D. Overhalen.
Route A
Bespreek samen de betekenis van de vier tekstdoelen voordat leerlingen een antwoord kiezen.
Route B
Laat leerlingen zelfstandig het juiste antwoord kiezen en toelichten.
Route C
Vraag leerlingen uit te leggen waarom de reclame niet informeert, amuseert of overtuigt, maar de lezer wil overhalen om iets te doen.
Vul de tabel in:
tekst 1
tekst 2
Waar gaat de tekst over?
Wat wil de schrijver?
Welke woorden vallen op?
Slide 13 - Tekstslide
Doel
De leerlingen vergelijken twee teksten over hetzelfde onderwerp en herkennen verschillen in tekstdoel en taalgebruik.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen de tabel eerst individueel invullen. Vraag hen daarna de twee teksten met elkaar te vergelijken. Bespreek klassikaal dat beide teksten over eten in Nederland gaan, maar een ander doel hebben. Vraag ook welke woorden opvallen en waaraan zij het tekstdoel herkennen.
Wat wil de schrijver? Overhalen om stamppot te proberen.
Welke woorden vallen op? Bijvoorbeeld: kom vandaag nog, probeer, lekker, grote portie, lage prijs.
Route A
Vul de eerste kolom samen in en laat leerlingen daarna de tweede tekst vergelijken.
Route B
Laat leerlingen de tabel zelfstandig invullen en daarna vergelijken met een klasgenoot.
Route C
Vraag leerlingen uit te leggen hoe woordkeuze en afbeeldingen bijdragen aan het tekstdoel van beide teksten.
Sommige woorden zeggen hoe iets is. Ze geven extra informatie.
Deze woorden noemen we bijvoeglijke naamwoorden.
Kijk naar deze zinnen:
• Het ontbijt is simpel.
• De lunch is koud.
• Het avondeten is warm.
Deze woorden beschrijven het eten op een neutrale manier.
In andere teksten kiest een schrijver andere woorden:
• lekker
• goed
• perfect
Deze woorden zeggen niet alleen hoe het eten is.
Ze zorgen ervoor dat je denkt: dat klinkt goed. Dat wil ik proberen.
De schrijver kiest deze woorden om jou iets te laten willen.
Daarom kiest een schrijver woorden met een doel.
Slide 14 - Tekstslide
Doel
De leerlingen ontdekken dat een schrijver woorden bewust kiest om een tekstdoel te bereiken.
Aanwijzingen
Bespreek de voorbeelden op de dia. Leg uit dat bijvoeglijke naamwoorden iets beschrijven, maar ook invloed kunnen hebben op de lezer. Vergelijk de neutrale woorden uit de informatieve tekst met de positieve woorden uit de reclame. Vraag welke woorden ervoor zorgen dat je meer zin krijgt om het eten te proberen. Benadruk dat schrijvers hun woorden kiezen omdat ze een bepaald doel hebben.
Route A
Lees de voorbeelden samen hardop en bespreek de betekenis van de bijvoeglijke naamwoorden.
Route B
Laat leerlingen aangeven welke woorden neutraal zijn en welke woorden de lezer enthousiast maken.
Route C
Vraag leerlingen uit te leggen waarom een informatieve tekst andere woorden gebruikt dan een reclame en welk effect dat heeft op de lezer.
Soms twijfel je. Dat is oké. Kies wat volgens jou het beste past.
klik hier
Slide 15 - Tekstslide
Doel
De leerlingen herkennen welke woorden neutraal beschrijven en welke woorden de lezer proberen te beïnvloeden.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen eerst individueel de woorden naar de juiste kolom slepen. Bespreek daarna de keuzes klassikaal. Benadruk dat sommige woorden alleen beschrijven hoe iets is, terwijl andere woorden ervoor zorgen dat de lezer iets aantrekkelijk vindt. Koppel de woorden steeds terug aan het tekstdoel van de twee teksten.
Antwoorden
Vertellen hoe iets is
koud
warm
simpel
gezond
Zorgen dat je iets wilt
lekker
perfect
Route A
Bespreek eerst samen de betekenis van alle woorden voordat leerlingen gaan slepen.
Route B
Laat leerlingen zelfstandig de woorden verdelen en hun keuzes toelichten.
Route C
Vraag leerlingen uit te leggen waarom een schrijver in een reclame andere woorden kiest dan in een informatieve tekst en welk effect die woorden op de lezer hebben.
Welke tekst vond jij sterker?
Waarom?
1
2
Slide 16 - Tekstslide
Doel
De leerlingen vergelijken twee teksten en onderbouwen hun mening met voorbeelden uit de teksten.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen eerst individueel kiezen welke tekst zij sterker vinden. Vraag daarna waarom zij daarvoor kiezen. Stimuleer leerlingen hun antwoord te onderbouwen met voorbeelden uit de tekst, zoals woordkeuze, afbeeldingen of het tekstdoel. Benadruk dat beide keuzes goed kunnen zijn als de uitleg past bij de keuze.
Route A
Geef een voorbeeld van een onderbouwing, zoals: Ik kies de reclame, omdat de woorden en de afbeelding mij nieuwsgierig maken.
Route B
Laat leerlingen zelfstandig een keuze maken en deze kort toelichten.
Route C
Vraag leerlingen uit te leggen welke tekst zijn doel het beste bereikt en welke kenmerken daarvoor zorgen.
☐ herkennen waarom een tekst is geschreven
☐ het verschil zien tussen informeren en overhalen
☐ zien hoe woorden een tekst neutraal of aantrekkelijk maken
Ik kan nu:
In de volgende les ga je zelf woorden kiezen om iemand iets te laten willen.
Slide 17 - Tekstslide
Doel
De leerlingen kijken terug op de leerdoelen en beoordelen wat zij nu kunnen.
Aanwijzingen
Lees de drie leerdoelen samen. Laat de leerlingen per leerdoel bedenken of zij dit nu beheersen. Bespreek kort welke onderdelen zij makkelijk vonden en wat nog lastig is. Vertel dat zij in de volgende les zelf woorden gaan kiezen om een tekstdoel te bereiken.
Route A
Bespreek elk leerdoel afzonderlijk en geef bij ieder leerdoel een kort voorbeeld.
Route B
Laat leerlingen zelfstandig aangeven welke leerdoelen zij hebben behaald.
Route C
Vraag leerlingen bij ieder leerdoel een voorbeeld uit de les te noemen waarmee zij laten zien dat zij dit beheersen.