Toets 11 Lesvoorbereiding

Je hebt de leerling een nieuw instructieonderdeel aangeleerd. Aan het eind van de les zegt de leerling "Ik weet niet wat ik met dat onderdeel straks moet"
Wat heb je onjuist gedaan?
A
Geen praktijkgerichte motivatie gegeven.
B
De leerling niet voldoende gelegenheid gegeven om vragen te stellen.
C
Niet duidelijk en concreet de doelstelling vastgesteld.
1 / 42
volgende
Slide 1: Quizvraag
RijopleidingBeroepsopleiding

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Je hebt de leerling een nieuw instructieonderdeel aangeleerd. Aan het eind van de les zegt de leerling "Ik weet niet wat ik met dat onderdeel straks moet"
Wat heb je onjuist gedaan?
A
Geen praktijkgerichte motivatie gegeven.
B
De leerling niet voldoende gelegenheid gegeven om vragen te stellen.
C
Niet duidelijk en concreet de doelstelling vastgesteld.

Slide 1 - Quizvraag

Hoe kan een instructeur een ongemotiveerde leerling bij de les betrekken?
A
Door het laten zien van videobanden.
B
Door veel vragen te stellen.
C
Door tijdens de les het lesdoel te motiveren.

Slide 2 - Quizvraag

Een rijcoach wil een leerling "het achteruit in file parkeren" aanleren. Op welk moment in de praktijkles geeft de rijcoach een demonstratie?
A
Als hij de opdracht aan de leerling om de taak uit te voeren.
B
Als hij met behulp van een speelgoedautootje het verloop van de manoeuvre laat zien.
C
Als hij vertelt uit welke belangrijke stappen en kritieke punten de manoeuvre is opgebouwd.

Slide 3 - Quizvraag

Wat doe je als je een privé telefoontje krijgt?
A
Je handelt het telefoontje snel af.
B
Je neemt niet op.
C
Je neem wel op maar kap het gesprek snel af.

Slide 4 - Quizvraag

Welk handelen heeft het beste effect op de leerling als het gaat om sturen naar zelfstandigheid?
A
Door de leerling de rijtaak te laten uitvoeren zonder aanwijzingen.
B
Door de leerling de rijtaak te laten uitvoeren met heel weinig aanwijzingen.
C
Door de leerling zonder aanwijzingen, maar met af en toe een hint, de rijtaak te laten uitvoeren .

Slide 5 - Quizvraag

Een leerling oefent op een rustig parkeerterrein slalom rijdend voor het eerst de stuurtechniek "doorgeven". Nadat de leerling de oefening één keer goed heeft uitgevoerd, gaat u naar een rustige woonwijk om het sturen verder te oefenen.
Wat is het meest waarschijnlijke gevolg voor de leerling?
A
De leerling weet niet of hij de stuurmethode voldoende beheerst.
B
De leerling maakt snel vorderingen.
C
De leerling krijgt veel zelfvertrouwen.

Slide 6 - Quizvraag

Een gevorderde leerling wil te dicht achter een stilstaande vrachtauto stoppen.
Hoe kunt u het beste reageren?
A
Nadat de leerling is gestopt vraagt u de leerling wat hij zelf ervan vindt.
B
U zegt niets en komt hier aan het eind van de les nog op terug.
C
U laat de leerling de fout maken en reageert verder niet.

Slide 7 - Quizvraag

Tijdens de uitvoering van een handeling maakt de leerling een fout. De leerling blijft heel rustig en vraagt aan rijinstructeur wat hij nu moet doen. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak dat de leerling NIET in paniek raakt?
A
U hebt duidelijk gemaakt dat fouten maken mag en dat het hoort bij het leerproces.
B
De leerling in onverschillig en het interesseert hem niet zo veel.
C
Het betreft een introverte leerling.

Slide 8 - Quizvraag

De leerling oefent in- en uitvoegen op de autosnelweg. De instructeur geeft voortdurend aanwijzingen en instructies. Wat is het meest waarschijnlijke gevolg voor de leerling?
A
Hij leert hoe hij tijdig fouten moet voorkomen.
B
Hij leert het in- en uitvoegen sneller aan.
C
Hij zal afwachtend reageren in moeilijke situaties.

Slide 9 - Quizvraag

De voorgaande lessen merkte u op dat uw leerling veel heeft geleerd van uw demonstraties. Hoe kunt u het beste een samenvatting van de les geven?
A
Door samen te vatten met behulp van een tekening.
B
Door een schema mee te geven na de samenvatting bij het huiswerk.
C
Door de leerling zelf te laten samenvatten.

Slide 10 - Quizvraag

De rijinstructeur legt fileparkeren uit, aan een leerling voor hij dit gaat oefenen. Wat is dan aan het eind van de uitleg een goede vraag om na te gaan of uw leerling de uitleg heeft begrepen?
A
Wat is het belangrijkste waar je op moet letten bij het uitvoeren van deze oefening?
B
Waarom is het belangrijk dat je deze oefening goed kunt uitvoeren?
C
Waarin verschilt deze oefening nu van het bocht achteruit rijden?

Slide 11 - Quizvraag

Een instructeur bespreekt de les na met zijn leerling. Wat is hiervan de belangrijkste didactische functie?
A
De leerling weet hoe ver hij is op weg naar het examen.
B
De leerling weet zo wat de zwakke punten zijn van zijn rijgedrag.
C
De leerling weet de sterke en zwakke punten zijn van zijn rijgedrag.

Slide 12 - Quizvraag

Een leerling voert in de lesauto een opgedragen handeling uit. Wat zal de instructeur hierna als eerst moeten doen?
A
Een product evaluatie uitvoeren.
B
Een proces evaluatie uitvoeren.
C
Een handelingsanalyse maken.

Slide 13 - Quizvraag

U geeft tijdens de eindbespreking van het leerresultaat feedback aan de leerling. Wat moet u hierbij in elk geval aan de orde stellen?
A
Is het les doel uit het begin van de les gehaald?
B
Hoe is het leerproces in deze les verlopen?
C
Wat is de geleverde prestatie van de LL vergeleken met andere leerlingen?

Slide 14 - Quizvraag

De instructeur geeft uitleg over het invoegen op de autosnelweg. Hij beschrijft niet hoe de leerling moet handelen bij het voor laten gaan. Dit vertelt hij pas tijdens het invoegen. Wat is het meest waarschijnlijk gevolg voor de leerling?
A
Hij leert het invoegen op een verkeerde manier aan.
B
Hij kan de uitleg optimaal gebruiken.
C
Hij krijgt een onvolledig beeld van het invoegen.

Slide 15 - Quizvraag

Wat is het nut van het vertellen van foutgedragingen tijdens uw uitleg van een rijtaak?
A
De leerling wordt voorbereid hoe hij met toekomstige fouten om moet gaan.
B
De leerling is gerustgesteld omdat hij fouten mag maken.
C
De leerling zal extra goed opletten.

Slide 16 - Quizvraag

Wat is het doel van een handelingsanalyse?
A
De leerling inzicht te geven in een leertaak.
B
Een complexe rijtaak op te delen in deelhandelingen om deze overzichtelijk te maken voor de leerling.
C
De instructeur de mogelijkheid te geven om te observeren.

Slide 17 - Quizvraag

Wat is het doel van een tussenmeting?
A
Om vast te stellen of de behandelde leerstof is begrepen.
B
Om de voortgang van de les te bepalen.
C
Om de feitelijke beginsituatie te bepalen.

Slide 18 - Quizvraag

Wat is het doel van een tussentijdse toets
van het CBR?
A
Om vast te stellen of de leerling klaar is voor het examen.
B
Om het niveau van de leerling vast te stellen en de verbeterpunten aan te geven.
C
Om de leerling en rijinstructeur van advies te dienen.

Slide 19 - Quizvraag

Wanneer is een leerling het meest bij de les betrokken?
A
Als hij zelf de fouten opspoort.
B
Tijdens de uitleg.
C
Bij de demonstratie.

Slide 20 - Quizvraag

Wat is een variabel leerling kenmerk?
A
De leeftijd.
B
De cultuur.
C
De emotionele aspecten.

Slide 21 - Quizvraag

Waarom wordt bij het bepalen van het aanvangsniveau de instructievorderingskaart gebruikt?
A
U maakt de samenhang duidelijk tussen de aangeleerde en nog aan te leren rijtaken.
B
De leerling weet welke rijtaak u de volgende les gaat hem aanleren.
C
U geeft aan hoeveel rijlessen de leerling nog te gaan heeft.

Slide 22 - Quizvraag

Waar let u op als u een leerling op het cognitieve gebied wilt toetsen?
A
Het sociale gedrag.
B
Het inzicht en kennis.
C
De vaardigheden.

Slide 23 - Quizvraag

Welke stelling over een leergang is juist?
A
De leergang kan meer leerstof bevatten dan de hoeveelheid leerstof vastgelegd in het leerplan.
B
De leerstof, vastgelegd in het leerplan, wordt in de leergang in een logische volgorde gerangschikt.
C
In een leergang staat vermeld welke leerstof nodig is om een lesdoel te bereiken.

Slide 24 - Quizvraag

Een logische uitwerking van de leerstof van het begin tot het einde van de les noemt men:
A
Een leerplan.
B
Een leergang.
C
Een lesplan.

Slide 25 - Quizvraag

In een leerplan vindt met een overzicht van:
A
De inleiding, kern en afsluiting per les.
B
De logische opbouw van de leerstof, opklimmend in moeilijkheidsgraad.
C
De benodigde leerstof voor de opleiding.

Slide 26 - Quizvraag

Wat is de juiste volgorde van de taken van u, als instructeur bij het aanleren van een vaardigheid?
A
Motivator, demonstrator, mentor en corrector.
B
Demonstrator, motivator, mentor en corrector.
C
Motivator, mentor, demonstrator en corrector.

Slide 27 - Quizvraag

Waar hangt het in principe vanaf of tijdens een praktijkles de nadruk ligt op het instrueren of op het coachen?
A
Van de fase van de opleiding waarin de leerling zich bevindt.
B
Van de bruikbare lestijd.
C
Van de beschikbare hulpmiddelen.

Slide 28 - Quizvraag

De rijinstructeur leert de leerling keren op een niet te brede rijbaan en begeleidt de leerling stap voor stap. Wat is het meest waarschijnlijke gevolg van deze methode van lesgeven?
A
De leerling leert keren volgens de procedure.
B
Leerling doet succeservaring op.
C
Leerling kan het keren in verschillende verkeerssituaties toepassen.

Slide 29 - Quizvraag

U gaat met uw leerling voor het eerst de hellingproef oefenen. U geeft daarbij instructie.
Wat is nu het meest passende lesdoel?
A
De leerling gaat oefenen met het uitvoeren van de hellingproef op een niet al te steile helling.
B
De leerling kan dit op een niet al te steile helling uitvoeren zonder dat de auto terugrolt.
C
De leerling doet ervaringen op met hellingproef op een geschikte locatie.

Slide 30 - Quizvraag

In de volgende les gaat u met een leerling voor het eerst achteruit parkeren in een parkeervak oefenen. U maakt een lesplan. U gaat uit, van een mondelinge uitleg aan de leerling. Gevolgd door zelf oefenen door de leerling. Deze manier van lesgeven past het beste bij een leerling die:
A
Auditief is ingesteld.
B
Visueel is ingesteld.
C
Motorisch is ingesteld.

Slide 31 - Quizvraag

De leerling bevindt zich in de fase EVS.
De rijinstructeur wilt een route plannen met een turbo rotonde. Wat moet je doen in deze situatie?
A
Neem je in deze route de onderstaande rotonde mee in je voorbereiding.
B
Neem je onderstaande rotonde mee in je route en geef je extra aanwijzingen tijdens het berijden.
C
Je neemt de onderstaande rotonde niet mee in de les en kiest een andere route.

Slide 32 - Quizvraag

De rijinstructeur houdt zich bezig met didactische werkvormen. Deze didactische werkvormen wil hij toepassen. Waar in het proces worden deze gehanteerd?
A
Leerplan.
B
Lesplan.
C
Leergang.

Slide 33 - Quizvraag

De rijinstructeur rijdt de snelweg op met een leerling. Hij belandt in deze situatie. Wat moet de rijinstructeur doen in deze situatie?
A
De rijinstructeur rijdt gewoon door met de LL.
B
De rijinstructeur vertelt de LL over de moeilijkheidsgraad van de autosnelweg.
C
De rijinstructeur doet niets.

Slide 34 - Quizvraag

Wanneer kan je het beste 'milieu- en energiebewust rijgedrag' bij de lessen betrekken?
A
Bij de fase 'voertuigbeheersing.'
B
Bij einde van de fase CVS.
C
Het einde van de fase EVS.

Slide 35 - Quizvraag

In welke fase van de opleiding moet de leerling milieubewust kunnen rijden?
A
In de fase van EVS.
B
In de fase van voertuigbeheersing.
C
In de de laatste fase van de opleiding.

Slide 36 - Quizvraag

U hebt een leerling, die zit in de eindfase van de opleiding en toch nog snel gedesintegreerd raakt. Hoe kan je dit zoveel mogelijk voorkomen?
A
In plaats van te coachen veel instructie te geven.
B
Regelmatig hints te geven.
C
Einde van de les uitgebreide feedback te geven.

Slide 37 - Quizvraag

Waarin komt het opleidingsaanbod van de rijschool en de globale opzet van de leerstof en de examens aan de orde?
A
Leergang.
B
Leerplan.
C
Lesplan.

Slide 38 - Quizvraag

Welke beginsituatie van de leerling bepaalt de rijinstructeur tijdens zijn lesvoorbereiding?
A
De vereiste beginsituatie.
B
De feitelijke beginsituatie.
C
De cognitieve beginsituatie.

Slide 39 - Quizvraag

Wat wordt bedoeld met leeractiviteiten?
A
Dat de leerling de leerstof zich eigen maakt.
B
Dat de instructeur de leerling in aanraking brengt met de leerstof.
C
De instructeur en leerlingen werken aan het bereiken van de leerdoelen.

Slide 40 - Quizvraag

Wat moet een rijinstructeur tijdens de les nooit overslaan?
A
Controle aanvangsniveau.
B
Eindmeting.
C
Samenvatting van de hele les.

Slide 41 - Quizvraag

Wat moet u evalueren?
A
Het instructieproces.
B
Of de doelstelling is bereikt.
C
De wijze waarop de doelstelling is bereikt.

Slide 42 - Quizvraag