H4 Thema 5 B5 Neurale regulatie

Thema 5 Regeling
herhaling (10 min)
huiswerk bespreken opdracht:
B5
Neurale regulatie
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Thema 5 Regeling
herhaling (10 min)
huiswerk bespreken opdracht:
B5
Neurale regulatie

Slide 1 - Tekstslide

Check met jaarplanner

Slide 2 - Tekstslide

Sleep ieder onderdeel naar de juiste plek.
Axon
Dendriet
Cellichaam
Synaps
Myelineschede

Slide 3 - Sleepvraag

Hoe wordt een impuls doorgegeven tussen twee zenuwcellen?
A
Via hormonen die binden aan receptoren
B
Via een elektrisch signaal
C
Via neurotransmitters die binden aan receptoren
D
Via eiwitten op de celmembraan

Slide 4 - Quizvraag

Iemand trapt op een punaise . Tijdens de reflex die daarop volgt, wordt het been omhooggetrokken.

Beschrijf de reflexboog waarlangs de impulsen worden geleid bij deze reflex. 
Beenspieren
Gevoelszenuwcellen
Bewegingszenuwcellen
Zintuigen in de voet
Schakelcellen in het ruggenmerg

Slide 5 - Sleepvraag

Slide 6 - Tekstslide

Acetylcholine
Acetylcholine is een neuro-
transmitter die impulsen doorgeeft aan spieren

Acetylcholine esterase
breekt Ach juist af, waardoor 
het niet opnieuw kan binden met
de receptor en dus geen impuls 
doorgeeft
AchE remmer, remt AchE

Slide 7 - Tekstslide

Wat gebereurt er met de spieren van Navalny als hij een AchE remmer toegediend krijgt? De spieren...

Slide 8 - Open vraag

Leerdoelen
  • Je kunt beschrijven hoe impulsgeleiding plaatsvindt

  • Je kunt beschrijven hoe impulsoverdracht plaatsvindt

Slide 9 - Tekstslide

Begrippen B5
- Impulsgeleiding                                                                 - Sprongsgewijze impulsgeleiding
- Rustpotentiaal                                                                    - Impulsoverdracht
- Ionenpomp/Ion-kanaal                                                   - Neurotransmitter
- Drempelwaarde
- Actiefase
- Herstelfase
- Alles-of-niets principe
- Prikkeldrempel
- Impulssterkte
- Impulsfrequentie

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Impulsgeleiding
Vindt plaats door ion-kanalen in de zenuwcel:
  1. Natrium-kanaal 
  2. Kalium-kanaal
  3. Natrium-kalium pomp

Slide 12 - Tekstslide

Rustpotentiaal
  • Potentiaal = elektrische lading die staat op het membraan 
  • De lading komt tot stand door de verdeling van ionen binnen en buiten de cel 
  • Binnenin de cel bevinden zich minder ionen met een positieve lading en zijn er ook nog ionen met een negatieve lading
  • De rustpotentiaal is daarom negatief -> -70 milliVolt (mV)

Slide 13 - Tekstslide

Een zenuwcel in rust
(rustpotentiaal)
  • Buiten de cel veel natrium
  • In de cel veel kalium 
  • De ion-kanalen staan dicht
  • De concentraties kalium en natrium worden in stand gehouden door de natrium-kalium pomp
  • Rustpotentiaal = -70 milliVolt (mV)

Slide 14 - Tekstslide

Impulsgeleiding
  • Een impuls in een zenuwcel begint als er neurotransmitters binden aan de receptor in de synaptische spleet
  • Dit leidt tot het 1 voor 1 opengaan van de ion-kanalen
  • Het opengaan van ion-kanalen zorgt voor transport van positief geladen ion over het membraan waardoor het potentiaal van het membraan verandert.
  • Iedere zenuwcel heeft een prikkeldrempel: Als de potentiaal hoger wordt dan -50 mV ontstaat er een impuls. Als deze niet wordt gehaald wordt het impuls niet doorgegeven. Alles-of-niets principe
  • De afbeelding rechts laat zien wat er gebeurt met het membraanpotentiaal zodra een impuls plaatsvindt. 

Slide 15 - Tekstslide

Programma
Introductie
Herhaling impulsgeleiding vorige les
Huiswerk opdracht 59 en 60

Slide 16 - Tekstslide

waarom we (eigenlijk) iedere dag een




moeten eten... (vooral in de winter)

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Link

Pak je binas tabel 88

Slide 19 - Tekstslide

Impulsgeleiding Stap 1
(rustfase)
  • De zenuwcel is in rust
  • Het natriumkanaal en het kaliumkanaal zijn allebei dicht
  • Potentiaal = -70 mV

Slide 20 - Tekstslide

Impulsgeleiding Stap 2
(actiefase)
  • Zodra de zenuwcel wordt geprikkeld (door het binden van neurotransmitters aan Na kanalen) gaan de natrium-kanalen eerst open
  • Natrium gaat van buiten de cel naar binnen
  • Hierdoor stijgt de membraanpotentiaal


Slide 21 - Tekstslide

Impulsgeleiding Stap 3
(actiefase)
  • Zodra het membraanpotentiaal over de 0mV gaat gaan de kaliumkanalen open
  • Kalium gaat van binnen de cel naar buiten hierdoor daalt de membraan potentiaal weer
  • Het natriumkanaal gaat weer dicht

Slide 22 - Tekstslide

Impulsgeleiding Stap 4
(actiefase)
  • De kaliumkanaal sluit langzaam t.o.v. het natriumkanaal en daardoor daalt de potentiaal tijdelijk onder de -70 mV naar -90 mV

Slide 23 - Tekstslide

Impulsgeleiding Stap 5
(rustpotentiaal)
  • Uiteindelijk sluiten ook de kaliumkanalen weer en wordt de rustpotentiaal weer hersteld door de NA/K pomp

Slide 24 - Tekstslide

Impulsgeleiding Stap 6
(herstelfase)
  • Tijdens de actiefase is er veel kalium de cel uit gegaan en veel natrium de cel ingegaan
  • De natrium-kaliumpomp herstelt het normale evenwicht (rust-potentiaal) door kalium de cel in te pompen en natrium uit
  • Deze Na/K pomp kost energie in de vorm van ATP (biodoen)

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Sleepvraag

Wat is de verdeling van ionen nadat een impuls net heeft plaatsgevonden?
A
Veel natrium binnen de cel en veel kalium buiten de cel
B
Veel kalium in de cel en veel natrium buiten de cel
C
Veel kalium en natrium binnen de cel
D
Veel natrium en kalium buiten de cel

Slide 27 - Quizvraag

Wat is de verdeling van ionen binnen en buiten de cel voordat een impuls plaats heeft gevonden?
A
Veel kalium buiten de cel en veel natrium binnen de cel
B
Veel natrium buiten de cel en veel kalium binnen de cel
C
Veel natrium en kalium buiten de cel en veel negatieve ionen binnen de cel
D
Veel natrium en kalium binnen de cel en veel negatieve ionen buiten de cel

Slide 28 - Quizvraag

Impulssterkte en impulsfrequentie
  • Impulssterkte: de grootte van de verandering die optreedt in de elektrische lading van het celmembraan
  • Impulsfrequentie: het aantal impulsen per tijdseenheid
  • Of een impuls wordt doorgegeven of niet, is afhankelijk van de impulssterkte en impulsfrequentie
  • Bij een zwakke prikkel wordt de drempelwaarde (-50mV) niet gehaald en blijven de meeste ion-kanalen dicht. De impuls wordt dus niet doorgegeven. Er geldt dus een alles-of-nietsprincipe

Slide 29 - Tekstslide

Impulsfrequentie
  • Je lichaam vertaalt prikkels naar impulsen. Hoe sterker de prikkel is, hoe meer impulsen er per seconde worden gegenereerd (hogere impulsfrequentie)

  • Bijvoorbeeld: 
       - hard geluid = veel  
          impulsen per seconde
        - zacht geluid = weinig impulsen  
           per seconde

Slide 30 - Tekstslide

Begrippen B5
- Impulsgeleiding                                                                 - Sprongsgewijze impulsgeleiding
- Rustpotentiaal                                                                    - Impulsoverdracht
- Ionenpomp/ Na/K pomp                                                 - Neurotransmitter
- Drempelwaarde
- Actiefase
- Herstelfase
- Alles-of-niets principe
- Prikkeldrempel

- Impulssterkte
- Impulsfrequentie

Slide 31 - Tekstslide

Het nut van een myelineschede (1)
Zonder myelineschede:
  • Impulsen worden geleid door het opengaan van ionkanalen
  • Ionkanalen reageren op de elektrische lading 
  • Als op plaats P de ionkanalen opengaan, ontstaat er een impuls
  • Het opengaan zorgt voor een verandering in elektrische lading op plaats Q
  • Hierdoor gaan op plaats Q de ionkanalen open
  • Op deze manier wordt een impuls stapsgewijs doorgegeven over het hele axon

Slide 32 - Tekstslide

De nut van een myelineschede (2)
Met myelineschede:
  • Stapsgewijze impulsgeleiding is echter best wel traag
  • Alleen bij insnoeringen actiepotentiaal
  • Myelineschedes (cellen van Schwann) zorgen ervoor dat een impuls sprongs-gewijs kan worden doorgegeven
  • Hierdoor wordt de impulsgeleiding veel sneller (120 m/s)

Slide 33 - Tekstslide

Vragen over opgaven 52-58?
Maak opdracht 59, 60 en 61

Slide 34 - Tekstslide

Neurotransmitter in synaps en impulsoverdracht

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Video

Neurotransmitters en impulsoverdracht
  • Impulsen worden tussen zenuwcellen overgegeven door neurotransmitters
  • Neurotransmitters binden aan receptoren
  • Deze receptoren zijn ion-kanalen voor Na+ die open gaan, zodra een neurotransmitter eraan bindt
  • Het opengaan van deze receptor ion-kanalen zorgt ervoor dat er een verandering optreedt in elektrische lading
  • Verandert de elektrische lading naar boven de drempel-waarde  dan wordt de impuls doorgegeven
  • Als de neurotransmitter los laat/afgebroken wordt door enzymen, gaan de ion-kanalen weer dicht

Slide 37 - Tekstslide

Neurotransmitters
  • Stoffen die de werking van het zenuwstelsel beïnvloeden
  • Meer dan 50 verschillende stoffen 
  • Vooral in de hersenen veel verschillende
  • Kunnen stimulerend of juist remmend werken op de impulsgeleiding of impulsoverdracht

Slide 38 - Tekstslide

Geneesmiddelen en genotmiddelen
Mechanismen:
  • meer of minder afgifte neurotransmitters
  • neurotransmitters blijven langer of juist korter in synapsspleet doordat ze niet/minder snel of respectievelijk sneller worden afgebroken
  • imitatie neurotransmitter
  • blokkade van receptor
  • stimuleren van receptor 

Slide 39 - Tekstslide

Voorbeelden (1)
Alcohol: 
- Waarnemingsvermogen en reactievermogen wordt aanzienlijk minder.
- Sensorische en motorische impulsgeleiding wordt geremd (inhiberend)
- Impulsoverdracht in bepaalde synapsen in de hersenen vermindert.

Morfine, heroïne (pijnstillers):
- Verhindert de impulsoverdracht in bepaalde synapsen.
- Impulsen die in de hersenen pijngewaarwording veroorzaken kunnen niet ontstaan.

Nicotine:
- Stimuleert de impulsoverdracht in bepaalde synapsen (exciterend)

Slide 40 - Tekstslide

Voorbeelden (2)
Neurotransmitter dopamine:
- Te grote productie van dopamine in bepaalde zenuwcellen --> Schrizofrenie
- Te weinig productie --> Parkinson

Gif zwarte weduwe (spin):
- massale afgifte neurotransmitter acetylcholine
- spierspasmen


Er kan gewenning optreden: Steeds meer stof nodig om hetzelfde effect te bereiken.

Slide 41 - Tekstslide

Slide 42 - Tekstslide

Maak de opdracht 41
Klaar? Lees de context 'Honing en straatvuil'
en
maak opdracht 42

Slide 43 - Tekstslide

Controleer je leerdoelen!

  • Ken je de begrippen? Oefen de Flitskaarten 

  • Check de leerdoelen met Test Jezelf


Slide 44 - Tekstslide