Industrialisatie en stromingen (Geschiedenis vmbo), les 2: Examentraining

1848-1914 · STROMINGEN

Examentraining

Industrialisatie en stromingen: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorGeschiedenisMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining: soorten vragen herkennen, groepen en opvattingen koppelen, bronnen beoordelen en gebeurtenissen in de juiste tijd plaatsen.

Onderdelen in deze les

1848-1914 · STROMINGEN

Examentraining

Industrialisatie en stromingen: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Onbekende fotograaf / Wikimedia Commons, publiek domein

1848-1914 · STROMINGEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over industrialisatie en politieke stromingen herkennen en beantwoorden met de juiste begrippen.

Deze slide heeft geen instructies

1848-1914 · STROMINGEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat voor vraag is het? Beschrijven, verklaren of een mening geven?

  • 2. Kijk: wat staat er in de situatie of de bron? Wie zegt of doet wat?

  • 3. Zoek: welke groep of welk begrip hoort erbij? Bijvoorbeeld SDAP, ARP of emancipatie.

  • 4. Schrijf: noem het begrip en leg kort uit waarom het past.

Deze slide heeft geen instructies

1848-1914 · STROMINGEN

Vraagtype 1: soort vraag herkennen

  • Een beschrijvende vraag: wat gebeurde er? Wie deed wat?

  • Een verklarende vraag: waarom? Zoek een oorzaak of reden.

  • Een waarderende vraag: wat vind jij? Geef een mening met argumenten.

  • Voorbeeld: 'Waarom wilden katholieken emancipatie?' is verklarend.

Syllabus GS/K/3: beschrijvende, verklarende en waarderende vragen onderscheiden. Laat leerlingen het signaalwoord onderstrepen: wat, waarom, vind je. Veelgemaakte fout: een waarderende vraag beantwoorden met alleen een feit.

Welke vraag is een waarderende vraag?

A

Vind je het kinderwetje van 1874 een goed besluit?

B

Welke leeftijd noemde het Kinderwetje?

C

Waarom werkten kinderen in fabrieken?

D

Welke partij kwam op voor arbeiders?

Goed: 'vind je' vraagt om een mening. De tweede is verklarend, de eerste en laatste zijn beschrijvend. Verwachte fout: de verklarende vraag kiezen omdat het onderwerp bekend is.

Is deze vraag beschrijvend, verklarend of waarderend: 'Waarom ontstond de SDAP?'

Goed antwoord: verklarend, want er wordt naar een reden gevraagd. Een inhoudelijk antwoord op de vraag zelf: arbeiders wilden hun sociaaleconomische positie verbeteren. Verwachte fout: beschrijvend, omdat het over een partij gaat.

Pieter Jelles Troelstra, voorman van de SDAP, 1909

1848-1914 · STROMINGEN

Vraagtype 2: groep en opvatting koppelen

  • Je krijgt een korte situatie en moet de juiste groep of partij noemen.

  • Let op sleutelwoorden: arbeiders (SDAP), hogere burgerij (liberalen), gelovigen (ARP, RKSP).

  • Vraag jezelf af: wat wil deze persoon en waarom? Dat is zijn motief.

  • (KB, GL/TL) Je moet ook kunnen uitleggen waarom zij zich tot die stroming aangetrokken voelden.

Syllabus: opvattingen van liberalen, socialisten, confessionelen en feministen herkennen; KB en GL/TL: uitleggen waarom groepen zich aangetrokken voelden tot liberalisme, socialisme, christelijk politiek denken of feminisme. De situaties in de vragen zijn voorbeelden. Veelgemaakte fout: kiezen op een woord in de situatie in plaats van op het motief. Image credit: Helene Goude / Wikimedia Commons, publiek domein

Een fabrikant wil geen overheidsbemoeienis. Welke stroming past?

A

Socialisten

B

Protestanten (ARP)

C

Katholieken (RKSP)

D

Liberalen

Goed: liberalen wilden weinig overheidsbemoeienis. Verwachte fout: socialisten, omdat die ook over fabrieken en arbeiders gingen; zij wilden juist meer overheidshulp.

Een protestantse boer wil christelijk onderwijs. Welke partij past?

A

De SDAP van Troelstra

B

De ARP van Kuyper

C

De Liberale Unie

D

De RKSP van Schaepman

Goed: de ARP wilde christelijk denken in de wetgeving; de boer is een van de kleine luyden. Verwachte fout: de RKSP, omdat die ook christelijk is; dat is de katholieke partij.

Monument voor Wilhelmina Drucker in Amsterdam, 2020

1848-1914 · STROMINGEN

Vraagtype 3: een bron beoordelen

  • Een bron is bruikbaar als hij iets zegt over jouw vraag.

  • Kijk wie de bron maakte en waarom: de maker heeft vaak een eigen standpunt.

  • (KB, GL/TL) Beoordeel ook of de bron betrouwbaar is en of hij voor veel mensen geldt.

  • Een foto of krantenartikel van toen is een bron, een standbeeld van nu niet.

Syllabus GS/K/3: bronnen selecteren en beoordelen op bruikbaarheid (KB, GL/TL ook betrouwbaarheid en representativiteit) en rekening houden met standplaatsgebondenheid, dat wil zeggen dat de maker een eigen positie en standpunt heeft. Bij de foto: een standbeeld uit 2020 is zelf geen bron uit die tijd, het is een herinnering van nu. Veelgemaakte fout: een bron betrouwbaar noemen omdat hij oud is. Image credit: Ceescamel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Je wilt weten hoe arbeiders in 1910 woonden. Welke bron is het best bruikbaar?

A

Een foto van een arbeiderswijk uit 1910

B

Een portret van koningin Wilhelmina uit 1910

C

Een kaart van Europa uit 1914

D

Een folder van een huidige woningbouwvereniging

Goed: de foto laat zien hoe het er toen uitzag. Verwachte fout: het portret van Wilhelmina, omdat het uit dezelfde tijd komt maar niets over wonen zegt.

Een liberale krant uit 1895 schrijft kritisch over de SDAP. Waar let je op?

A

Een krant van toen is altijd betrouwbaar

B

De bron is onbruikbaar omdat hij oud is

C

De schrijver heeft een eigen standpunt

D

Alleen foto's zijn goede bronnen

Goed: standplaatsgebondenheid, de maker schrijft vanuit zijn eigen opvattingen. Verwachte fout: 'altijd betrouwbaar', omdat de bron uit die tijd komt.

1848-1914 · STROMINGEN

Vraagtype 4: in de tijd plaatsen

  • Je moet gebeurtenissen of personen in de juiste periode plaatsen.

  • Maak een tijdlijn: 1848, 1874, 1879, 1885, 1894, 1917 en 1919.

  • Eerst de wetten en partijen van de 19e eeuw, daarna het algemeen kiesrecht in de 20e eeuw.

  • Onthoud: eerst het Kinderwetje, dan de partijen, pas veel later het kiesrecht voor vrouwen.

Syllabus GS/K/3: gebeurtenissen, ontwikkelingen en personen in de juiste periode plaatsen. De data komen uit Parlement.com: ARP 1879, Liberale Unie 1885, SDAP 1894, Kinderwetje 1874, algemeen mannenkiesrecht 1917 en vrouwenkiesrecht 1919. Voor het examen is vooral de volgorde van belang, GL/TL ook 1887 (Caoutchouc-artikel). Veelgemaakte fout: het Kinderwetje na de oprichting van de SDAP zetten.

Welke gebeurtenis kwam het eerst?

A

De oprichting van de SDAP

B

Het Kinderwetje van Van Houten

C

Mannen krijgen algemeen kiesrecht

D

Vrouwen mogen stemmen

Goed: het Kinderwetje is van 1874, de SDAP van 1894, algemeen mannenkiesrecht van 1917 en vrouwenkiesrecht van 1919. Verwachte fout: de SDAP, omdat die bij de sociale kwestie hoort.

Zet op volgorde, van vroeg naar laat

1

Oprichting van de SDAP

2

Kinderwetje van Van Houten

3

Vrouwen krijgen kiesrecht

4

Grondwet van 1848

Juiste volgorde: 1848, 1874, 1894, 1919. Verwachte fout: de SDAP voor het Kinderwetje zetten.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Soort vraag herkennen

2

Groep en opvatting koppelen

3

Een bron beoordelen

4

In de tijd plaatsen

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen en laat een leerling de aanpak in eigen woorden uitleggen.

1848-1914 · STROMINGEN

Tips voor op het examen

  • Bij 'waarom' schrijf je een reden. Bij 'vind je' schrijf je een mening met een argument.

  • Koppel elke groep aan een partij en een voorman: SDAP en Troelstra, ARP en Kuyper, RKSP en Schaepman.

  • Vraag bij een bron altijd: wie maakte dit en waarom?

  • Maak een tijdlijn met de jaartallen en plaats elke gebeurtenis erop.

Deze slide heeft geen instructies