1. gekogt → gekochtHet werkwoord is kopen. De verleden tijd/het voltooid deelwoord is gekocht.
Ik heb een magnetron gekocht.
2. haar → hem
Een magnetron is een de-woord: de magnetron. Daarom gebruiken we hem, niet haar.
Ik heb hem op 12 maart gekocht.
3. omdat hij doet het niet → omdag hij het niet doet / omdat hie niet werkt
De zin 'omdat hij doet het niet' heeft een verkeerde woordvolgorde. Na 'omdat' komt het werkwoord meestal achteraan.