H4 per 2 Talent H3 argumentatie

Welkom!
Klaar voor de start:
   -boek, pen, schrift
   -jas uit, tas op de grond
   -telefoon uit, in de tas
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Welkom!
Klaar voor de start:
   -boek, pen, schrift
   -jas uit, tas op de grond
   -telefoon uit, in de tas

Slide 1 - Tekstslide

Vooraf: 
Toetsstof op Som
Wanneer ben je een goede lezer?

Slide 2 - Tekstslide

Terugblik
Leesvaardigheid: 
   'Qatar': hoofdstuk 2
                   hoofdstuk 3: column, nieuwsbericht ingezonden brief
                   hoofdstuk 5: hoofd/deelonderwerp, vaste structuren

Slide 3 - Tekstslide

Deze les
Hoofdstuk 10: argumentatie

Slide 4 - Tekstslide

Lesdoel
-Je kunt een standpunt van een argument onderscheiden
-Je kunt aangeven of een argument feitelijk of waarderend is
-Je weet wat er met een argumentatie wordt bedoeld
-Je kunt met behulp van de theorie 7 soorten argumenten en 6 argumentatieschema's herkennen
-Je weet wat een argumentatiestructuur is en je kunt zelf een argumentatieschema opstellen

Slide 5 - Tekstslide


Standpunt = stelling/mening
Argument = waarmee je jouw standpunt kunt onderbouwen

Slide 6 - Tekstslide

Het zal mij verbazen als dit jaar de carnavalsoptocht in Den Bosch doorgaat. [Er wordt namelijk een erg harde wind voorspeld.]
Wat tussen haakjes staat, is het:
A
Standpunt
B
Argument

Slide 7 - Quizvraag

[Leerlingen op het vwo moeten in vijf in plaats van zes jaar hun opleiding kunnen afmaken.] Je kunt eerder aan een vervolgstudie beginnen en je zit je minder te vervelen.
A
Standpunt
B
Argument

Slide 8 - Quizvraag

[Het Nederlands verloedert] want jongeren gebruiken steeds meer Engelse woorden als spam, hacken, gamen, cool, relaxed en chill.
Wat tussen haakjes staat is het:
A
Argument
B
Standpunt

Slide 9 - Quizvraag

Feitelijk of waarderend
Feitelijk = objectief, meetbaar, controleerbaar
Waarderend = subjectief, wel of niet in overeenstemming met jouw wereldbeeld/opvattingen

Slide 10 - Tekstslide

Feitelijk of waarderend?

De kans is erg klein dat je iets wint bij de Postcodeloterij.
A
feitelijk
B
waarderend

Slide 11 - Quizvraag

"Ik vind dat studentenverenigingen verboden moeten worden, want niemand zou zich bloot moeten stellen aan de beschamende activiteiten van een ontgroening."
A
feitelijk argument
B
waarderend argument

Slide 12 - Quizvraag

Voorbeeld
De meeste politici zijn niet te vertrouwen, dus ik ga in de toekomst niet meer stemmen.

Wat is het standpunt?
Wat is het argument?
Voor of achter het standpunt?
Feitelijk (objectief) of waarderend (subjectief) argument?

Slide 13 - Tekstslide

Voorbeeld
Ik vind dat prostitutie niet gelegaliseerd moet worden, want veel vrouwen worden ertoe gedwongen.

Wat is het standpunt?
Wat is het argument?
 Voor of achter het standpunt?
Feitelijk of waarderend argument?

Slide 14 - Tekstslide

Je kunt argumenten vaak herkennen aan signaalwoorden als want, omdat, namelijk, aangezien en immers.

Slide 15 - Tekstslide

Argumentatiestructuur
Een argumentatiestructuur is een schema waarin je duidelijk maakt op welke manier argumenten met elkaar en met het standpunt samenhangen. 

Slide 16 - Tekstslide

Argumentatiestructuren
Enkelvoudige argumentatie = één standpunt en één argument
Onderschikkende argumentatie = een argument wordt ondersteund door één of meer subargumenten (=ketenargumentatie)
Nevenschikkende argumentatie = twee of meer argumenten ondersteunen gezamenlijk het standpunt



Slide 17 - Tekstslide

Argumentatiestructuren
Enkelvoudige argumentatie (een argument bij een standpunt)

Je kunt beter geen alcohol drinken.
Het is slecht voor je gezondheid.

Slide 18 - Tekstslide

Argumentatiestructuren
Onderschikkende argumentatie (een gebruikt argument wordt door een ander argument ondersteund).
Je kunt beter geen alcohol drinken.
Het is slecht voor je gezondheid.
Het is slecht voor je lever.

Slide 19 - Tekstslide

Argumentatiestructuren
Nevenschikkende argumentatie (ieder argument is op zich een zelfstandig argument voor het standpunt)

Je kunt beter geen alcohol drinken.
Het is slecht voor je gezondheid.
Het is gevaarlijk in het verkeer.

Slide 20 - Tekstslide

Argumentatiestructuren
Combinatie van argumentaties 
Je kunt beter geen alcohol drinken.
Het is slecht voor je gezondheid.
Het is gevaarlijk in het verkeer.
Het is duur.
Het is slecht voor je lever.
Met drank op moet je een taxi nemen.
Een taxi kost meer dan zelf rijden.

Slide 21 - Tekstslide

Tegenargumentatie
Tegenargument: iemand is het oneens met het standpunt
Weerlegging: iemand geeft aan dat het argument niet goed is

Slide 22 - Tekstslide

Tegenargument
'Je kunt beter geen alcohol drinken' = standpunt

  • 'Ja, dan kun je alles wel verbieden!'
  • 'Er is zoveel wat slecht voor je is'
  • 'Ik heb ergens gelezen dat twee glazen wijn juist goed is voor de hart- en bloedvaten'


Slide 23 - Tekstslide

Weerlegging
'Je kunt beter geen alcohol drinken' = standpunt
'Want het is slecht voor je lever' = argument

Weerlegging:
  • 'De lever van de mens heeft een geweldig incasserings- en herstelvermogen'
  • 'Nee, het is helemaal niet slecht voor je lever!!!'




Slide 24 - Tekstslide

Opdracht (individueel)
1. Bepaal je standpunt: 'Het is wel/niet goed dat er in Qatar een WK wordt georganiseerd.
2. Stel een argumentatieschema op (argumentatiestructuur, par 10.5) waarin je drie argumenten, plus één of meer subargumenten opneemt + tegenargumentatie en weerlegging.

Tijd: 10 minuten.
Schrijf duidelijk, je gaat jouw schema uitwisselen met iemand anders

Slide 25 - Tekstslide

Opdracht 2
Wissel jouw schema uit, níet met jouw buurman/buurvrouw
1. Is er in het schema van jouw klasgenoot sprake van nevenschikking? onderschikking?
2. Lees paragraaf 10.3 nog eens door en probeer elk argument onder te brengen bij een van de soorten argumenten (blz. 127)
3. Welk argumenatieschema/schema's wordt/worden gehanteerd? (blz. 127/128)

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide


Slide 28 - Open vraag


Slide 29 - Open vraag


A

Slide 30 - Quizvraag


A

Slide 31 - Quizvraag

Slide 32 - Woordweb

Slide 33 - Woordweb