Economisch bekeken - H1. Zakgeld en inkomen

1.1 inkomsten in soorten
Wat is economie

Je weet wat verschillende inkomsten zijn. 
1 / 56
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo lwoo, b, kLeerjaar 2

In deze les zitten 56 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

1.1 inkomsten in soorten
Wat is economie

Je weet wat verschillende inkomsten zijn. 

Slide 1 - Tekstslide

Hoofdstuk 1 - Zakgeld en inkomen

Slide 2 - Tekstslide

Economie
Begrippen vooral over geld
Rekenen (wel met rekenmachine)

8 hoofdstukken: 
P1: H1,2,3
P2: H4,5 en 6
P3: H7 en 8


Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Soorten inkomen
Je kan op verschillende manieren inkomen ontvangen.

  1. Inkomsten in geld: briefjes, muntgeld of op een rekening.
  2. Inkomsten in natura: auto, telefoon, ov chipkaart.


Slide 5 - Tekstslide

Inkomen
  • Inkomen is alles wat je ontvangt.

    Er zijn verschillende soorten inkomsten:
    Inkomsten met tegenprestatie, zoals werk
    Inkomsten zonder tegenprestatie, zoals zakgeld of een uitkering.

Slide 6 - Tekstslide

Inkomen uitrekenen
Marina verdiend €5,- per uur. Ze werkt 2,5 uur per avond. Hoeveel verdiend Marina per avond? 

2,5 x 5 = 12,50

Ze werkt 10 avonden per maand, hoeveel verdiend ze per maand? 

Slide 7 - Tekstslide

Hoe lang mag je werken
  • Als je jonger bent dan 13 jaar is het verboden om te werken.

Slide 8 - Tekstslide

Aan de slag!
§2 'Zakgeld vergelijken'

Lezen & Maken:
opdr. 1 t/m 17
(blz. 12/ 13)

Klaar? Al het huiswerk af? 
Rekentrainer maken
Herhaling: 
In een jaar zitten: 

365 dagen
52 weken
12 maanden
4 kwartalen

Slide 9 - Tekstslide

1.1 inkomsten in soorten
Nakijken
Uitleg zakgeld en inkomsten


Je weet wat verschillende inkomsten zijn. 

Slide 10 - Tekstslide

Aan de slag
1.1 inkomsten in soorten
Blz 8 +9
Opdracht 1 t/m 15


Klaar? boek lezen



Slide 11 - Tekstslide

Rik krijgt voor oppassen 20 euro en een bioscoopbon van 7,50
Wat is het inkomen in geld van Rik?
A
7,50
B
20,00
C
27,50

Slide 12 - Quizvraag

Inkomen zonder tegenprestatie
Inkomen zonder tegenprestatie daar hoef je niets voor te doen

Bijvoorbeeld: Kinderbijslag, zorgtoeslag, zakgeld of cadeau

Slide 13 - Tekstslide

Zakgeld

Je kan zelf bepalen wat je zakgeld noemt
Inkomen

Al het inkomen in geld en natura wat je krijgt. 
Dit kan inkomsten met tegenprestatie zijn (loon) en zonder tegenprestatie (bijvoorbeeld toeslagen)

Slide 14 - Tekstslide

Aan de slag
1.1 inkomsten in soorten
Blz 9 en 10
Opdracht 16 t/m 29

Klaar? Rekentrainer
Boek lezen



Slide 15 - Tekstslide

1.2 Zakgeld vergelijken
Terugblik vorige les
Nakijken 1.1 1 t/m 29
Uitleg §1.2 'Zakgeld vergelijken'

Je leert hoe je geld kan omrekenen naar een andere periode


Slide 16 - Tekstslide

Welk van de onderstaande is inkomen in geld?
A
Marit krijgt een kledingbon van €50,00
B
Kim krijgt maandelijks loon op haar rekening
C
Rik krijgt van zijn ouders zijn rijbewijs als hij niet gaat roken
D
Guido verdiend 100 euro aan vvv bonnen

Slide 17 - Quizvraag

Welke is inkomen zonder tegenprestatie?
A
Mo krijgt een kadobon omdat hij overuren heeft gemaakt
B
Yessi krijgt €10 euro extra zakgeld omdat hij de hele week de hond uitlaat
C
Lia krijgt een fiets voor haar verjaardag
D
Pim verdiend €30 per maand met folders rondbrengen

Slide 18 - Quizvraag

Bedragen vergelijken

Slide 19 - Tekstslide

Verschillende periodes
Je krijgt €20,- zakgeld per maand.
Hoeveel is dit per jaar?
Hoeveel maanden zitten er in een jaar? 

Slide 20 - Tekstslide

Verschillende periodes
Je krijgt €20,- zakgeld per week.
Hoeveel is dit per maand?
20 euro  x 12 =   240 euro per jaar

Slide 21 - Tekstslide

1.2 Zakgeld vergelijken
Terugblik vorige les
Nakijken 1.2 11 t/m 17
Uitleg

Je leert hoe je geld kan omrekenen naar een andere periode


Slide 22 - Tekstslide

Verschillende periodes
Je krijgt €6,- zakgeld per week.
Hoeveel is dit per maand?
Let op: een maand bestaan niet uit vier weken!
Je kunt dus niet eenvoudig €6,- vermenigvuldigen met 4.

Ga uit van:
  • 52 weken per jaar
  • 12 maanden per jaar

Slide 23 - Tekstslide

Verschillende periodes
Je krijgt €6,- zakgeld per week.
Hoeveel is dit per maand?
  1. Reken het jaarbedrag uit
  2. Deel het jaarbedrag door 12

Slide 24 - Tekstslide

Verschillende periodes
Je krijgt €6,- zakgeld per week.
Hoeveel is dit per maand?
  1. Reken het jaarbedrag uit
  2. Deel het jaarbedrag door 12
6 euro  x 52 =   312 euro per jaar

312 euro :  12 = 26 euro per maand

Slide 25 - Tekstslide

Omrekenen week en maand

Slide 26 - Tekstslide

De contributie voor de voetbalclub kost € 95 per jaar. Hoeveel is dat per week?
A
€ 1,79
B
€ 1,83
C
€ 7,30
D
€ 7,92

Slide 27 - Quizvraag

Bram krijgt €10 zakgeld per week. Hoeveel is dat per maand?
A
€10
B
€43,33
C
€40
D
€1,42

Slide 28 - Quizvraag

Aan de slag!
§2 'Zakgeld vergelijken'

Lezen & Maken:
opdr. 18 t/m 34 
(blz. 13/ 14)

Klaar? Al het huiswerk af? 
Rekentrainer maken

Herhaling: 
Formule maand naar jaar: 
Maandbedrag x 12 = jaarbedrag

Formule week naar jaar:
Weekbedrag x 52 = jaarbedrag

Formule week naar maand: 
Weekbedrag x 52 : 12 = maandbedrag

Formule maand naar week: 
Maandbedrag x 12 : 52 = weekbedrag

Slide 29 - Tekstslide

1.3 werken met een tabel
Herhaling paragraaf 2
1.2 nakijken
Uitleg en maken paragraaf 3 

Je kan de juiste gegevens in een tabel zoeken

Slide 30 - Tekstslide

Reken uit...
Je krijgt per week € 5,- zakgeld.
Hoeveel is dit per maand?

Slide 31 - Tekstslide

Van week naar maand/van maand naar week
Van week naar maand --> x 52 : 12
Van maand naar week --> x 12 : 52

Dus in de vorige som: 
5 x 52 :12 = € 21, 67

Slide 32 - Tekstslide

Omrekenen

Slide 33 - Tekstslide

Omrekenen week en maand

Slide 34 - Tekstslide

Werken in een tabel
zakgeld
inkomsten in natura
loon
januari
€25
€29
€14
februari
€20
€12
€35
maart
€23
€32
€24
april
€10
€ 4
€40
mei
€21
€10
€12
juni
€19
€17
€ 0

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Tabellen 
Titel = staat helemaal aan de bovenkant 
Kolom = van boven naar beneden
Rij = van links naar rechts

* = toelichting = 
Extra informatie is terug te vinden in de toelichting. Vaak onder de tabel. 

Slide 37 - Tekstslide

Tabel: Daglonen medewerkers in euro's
Rij
Kolom
Titel
Toelichting

Slide 38 - Tekstslide

Minimum(jeugd)loon
  • Het salaris een werknemer (vanaf 21 jaar) MINIMAAL moet verdienen
  • Tussen 15 en 21 jaar: minimum JEUGDloon. Dit is een bepaald percentage van het Minimumloon

Slide 39 - Tekstslide

Aan de slag
1.3 werken met een tabel
Opdracht1 t/m 29
Blz 16 t/m 18

Klaar: rekentrainer
Huiswerk af?
Lezen boek

Slide 40 - Tekstslide

1.4 bijverdienen
Herhalen
Nakijken 1.3
Uitleg 1.4
Aan de slag

Je weet wat de regels voor het hebben van een bijbaan zijn
Je weet wat een werknemer en werkgever is
Je kent het verschil tussen loon in geld en loon in natura

Slide 41 - Tekstslide

Marga verdiend 25 euro per week. Robbie verdiend 100 euro per maand. Wie verdiend er meer?
A
Marga
B
Robbie
C
Allebei even veel

Slide 42 - Quizvraag

Voorwaarden om te werken
Vanaf je 13e mag je werken rondom huis en vanaf 15 mag je officieel in dienst. 
Jongeren mogen nog niet alles doen op werk: 
Geen zwaar werk
Geen gevaarlijk werk
Niets dat schadelijk is voor de gezondheid
Maximaal aantal uren per dag

Slide 43 - Tekstslide

Slide 44 - Video

Aan de slag
1.4 bijverdienen
Maken 1 t/m 16
Blz 20/ 21

Klaar? 
Rekentrainer 1 t/m 3

Slide 45 - Tekstslide

1.4 bijverdienen
Herhalen
Nakijken 1.4 deel 1
Uitleg 1.4 deel 2
Aan de slag


Je weet wat een werknemer en werkgever is
Je kent het verschil tussen loon in geld en loon in natura

Slide 46 - Tekstslide




Werknemer (neemt werk)
  • De werkgever moet jou
      loon betalen voor je werk.
  • De werknemer moet op tijd
      komen om te werken.






Werkgever (geeft werk)
  • De werkgever moet de werknemer loon betalen voor het werk.
  • De werkgever moet ervan uit kunnen gaan dat de werknemer goed werk levert.
Werknemer en werkgever

Slide 47 - Tekstslide

Loon in geld

Je kan per uur betaald worden, per project of bijvoorbeeld per krant.
Als je geld krijgt, contant of op de bankrekening dan is dat loon in geld
Loon in natura

Krijg je een gratis artikel mee, overgebleven groenten, werkkleding dan in dat loon in natura

Slide 48 - Tekstslide

Aan de slag
1.4 bijverdienen
Maken 17 t/m 32
Blz 21 / 22

Klaar? 
Rekentrainer 1 t/m 4

Slide 49 - Tekstslide

1.5 lonen verschillen
So bespreken
Uitleg 1.5
Aan de slag

Je weet waarom lonen kunnen verschillen. 

Slide 50 - Tekstslide

Richard krijgt naast geld ook elke 3 maanden nieuwe werkschoenen. Hoe noemen we dit inkomen?
A
Periodiek inkomen
B
Loon
C
Loon in natura
D
Extra inkomen

Slide 51 - Quizvraag

Slide 52 - Video

  • Loon is de beloning die je krijgt
      voor je werk.
  • Dat wordt wekelijks, per 4 weken
      of maandelijks op je rekening
      gestort.
  • Één keer per jaar krijg je
      vakantiegeld.
Wat is loon?

Slide 53 - Tekstslide

Inkomensverschillen ontstaan door:
  • Langer werken en onregelmatig werken ➡️ meer loon
  • Gevaarlijk werk ➡️ meer loon
  • Hogere opleiding ➡️ meer loon
  • Uitzonderlijk werk (Sporter, acteur) ➡️ meer loon
  • Meer ervaring ➡️ meer loon
  • Hogere leeftijd ➡️ meer loon
Waarom verdient niet iedereen hetzelfde?

Slide 54 - Tekstslide

Droombaan

Slide 55 - Tekstslide

Aan de slag
1.5 lonen verschillen
Blz 24/ 26
1 t/m 31

Klaar?
Huiswerk af?
Leren Engels

Slide 56 - Tekstslide