onderzoeksmethode

Onderzoeksvragen
3. Onderzoeksvragen

3.1 Hoofd- en deelvragen
Stel deelvragen op om je hoofdvraag in kleinere stukjes te verdelen. Het beantwoorden van alle deelvragen leidt tot het antwoord op de hoofdvraag. Je deelvragen mogen niet als opsomming gegeven worden, maar moeten deel zijn van één lopend geheel. Licht toe hoe je deelvragen bijdragen aan het beantwoorden van de hoofdvraag.  

1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
ExpansioMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Onderzoeksvragen
3. Onderzoeksvragen

3.1 Hoofd- en deelvragen
Stel deelvragen op om je hoofdvraag in kleinere stukjes te verdelen. Het beantwoorden van alle deelvragen leidt tot het antwoord op de hoofdvraag. Je deelvragen mogen niet als opsomming gegeven worden, maar moeten deel zijn van één lopend geheel. Licht toe hoe je deelvragen bijdragen aan het beantwoorden van de hoofdvraag.  

Slide 1 - Tekstslide

4. onderzoeksmethode
In dit stuk omschrijf je de gebruikte methode van je onderzoek. Ook verantwoord je waarom je deze methode hebt gebruikt. Geef van al je deelvragen aan welke methode je gaat gebruiken én waarom jij verwacht dat je op deze manier antwoord kunt vinden op je deelvragen. Je gebruikt hiervoor kopjes. Ook hier geldt weer, een kop mag geen vraag zijn.

Je geeft aan welk soort onderzoek je hebt gedaan (kwalitatief / kwantitatief), hoe je data hebt verzameld, de data-kenmerken, het onderzoeksverloop en de wijze van data-analyse. Daarnaast bespreek je in welke mate je verwacht dat je onderzoek valide en betrouwbaar is.

Slide 2 - Tekstslide

Kwalitatief onderzoek:

  • Het resultaat hiervan is alleen een uitspraak.
  • Bijv. vloeibaar water kan verdampen of bevriezen.
Kwantitatief onderzoek:

  • Resultaten worden in getallen uitgedrukt.
  • Bijv. Kokend water verdampt 108x zo snel als water van 20 graden.

Slide 3 - Tekstslide

Kwantitatief/kwalitatief
  • Kwalitatief: zit een stof erin.
  • Kwantitief: hoeveel van de stof zit erin.

  • Sprectrofotometrie bekijkt of de stof er is: kwalitatief
  • Colorometrie meet de concentratie: kwantitatief

Slide 4 - Tekstslide

kwalitatief
kwantiatief

Slide 5 - Tekstslide

Kwalitatief of Kwantitatief onderzoek? 
Kwalitatief=Waarom
Kwantitatief=Harde gegevens

Slide 6 - Tekstslide

Betrouwbaar & Valide

Slide 7 - Tekstslide

Is de bron dus betrouwbaar?
De bron komt niet uit de eigen tijd -> minder betrouwbaar
De maker is Romeins -> meer betrouwbaar
De bedoeling is geschiedenis verklaren -> meer betrouwbaar
Context verder onbekend -> mogelijk minder betrouwbaar

Slide 8 - Tekstslide

Gemiddeld scoren leerlingen uit 2e klas tijdens een proefwerk 0,3 punten hoger dan 1e klas leerlingen.
A
Kwalitatief
B
Kwantitatief

Slide 9 - Quizvraag

Bevat een aardappel de voedingsstof zetmeel?

A
kwantitatief en experimenteel
B
kwantitatief en beschrijvend
C
kwalitatief en experimenteel
D
kwalitatief en beschrijvend

Slide 10 - Quizvraag

Welke planten komen voor in het natuurgebied 'de Veldkamp' langs de Regge?

A
kwantitatief en experimenteel
B
kwantitatief en beschrijvend
C
kwalitatief en experimenteel
D
kwalitatief en beschrijvend

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het effect van temperatuur op het % ontkieming van tuinkerszaden?


A
kwantitatief en experimenteel
B
kwantitatief en beschrijvend
C
kwalitatief en experimenteel
D
kwalitatief en beschrijvend

Slide 12 - Quizvraag


A
Betrouwbaar & valide
B
Niet betrouwbaar & valide
C
Betrouwbaar & niet valide
D
Niet betrouwbaar & niet valide

Slide 13 - Quizvraag


A
Betrouwbaar & valide
B
Niet betrouwbaar & valide
C
Betrouwbaar & niet valide
D
Niet betrouwbaar & niet valide

Slide 14 - Quizvraag


A
Betrouwbaar & valide
B
Niet betrouwbaar & valide
C
Betrouwbaar & niet valide
D
Niet betrouwbaar & niet valide

Slide 15 - Quizvraag


A
Dit is betrouwbaar, maar niet valide
B
Dit is valide, maar niet betrouwbaar
C
Dit is betrouwbaar en valide
D
Dit is niet valide en niet betrouwbaar

Slide 16 - Quizvraag


A
Dit is betrouwbaar, maar niet valide
B
Dit is valide, maar niet betrouwbaar
C
Dit is betrouwbaar en valide
D
Dit is niet valide en niet betrouwbaar

Slide 17 - Quizvraag

Stel ik wil weten wat de groeisnelheid is van baby's in Nederland. Ik ga 1 dag naar het consultatiebureau en meet alle baby's. Is dit onderzoek valide? En is dit betrouwbaar?
A
Niet valide en niet betrouwbaar
B
Wel valide maar niet betrouwbaar
C
Niet valide maar wel betrouwbaar
D
Wel valide en wel betrouwbaar

Slide 18 - Quizvraag

Slide 19 - Tekstslide