Marktonderzoek Formules voor eind examen

Marktonderzoek - Formules Examen
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
MarktonderzoekMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Marktonderzoek - Formules Examen

Slide 1 - Tekstslide

Doel van deze les.
Aan het einde van deze les ken je:
...Alle formules die op 'Bijlage 1 Formuleblad Marktonderzoek' staan en weet je hoe je ze moet toepassen. De volgende formules moet je voor het examen leren en krijg je ook uitgereikt bij het examen als 'Bijlage 1 Formuleblad Marktonderzoek':

  1. Percentage berekenen
  2. Enkelvoudige indexcijfer
  3. Gewogen gemiddelde
  4. Standaardfout
  5. Nauwkeurigheidsmarge
  6. Steekproefomvang
  7. Minimale percentage / Maximale percentage
  8. Bruto steekproef

Slide 2 - Tekstslide

De steekproef
Bruto-steekproefgrootte berekenen
  • Wat is ook al weer een steekproef? Een steekproef is selectie van mensen of bedrijven uit de onderzoekspopulatie. Om te weten hoeveel mensen je moet ondervragen om een representatieve steekproef te krijgen, maak je gebruik van de bruto-steekproefgrootte.

  • De bruto steekproef is het aantal uitgezette vragenlijsten (niet iedereen die een vragenlijst ontvangt, vult echter de vragenlijst in. Het aantal ingevulde vragenlijsten is de netto steekproef).



Slide 3 - Tekstslide

Een vishandel houdt een klanttevredenheidsonderzoek. Voor de representativiteit is een netto-steekproef nodig van minimaal 420 klanten. De verwachte response is 31%.

Hoe groot moet de bruto-steekproef minimaal zijn?
Noteer je antwoord in cijfers en rond af op heel getal.

Slide 4 - Open vraag

Een dagblad doet een lezersonderzoek. Voor de representativiteit is een netto-steekproef nodig van minimaal 831 personen. De verwachte response is 67%.

Hoe groot moet de bruto-steekproef minimaal zijn?
Noteer je antwoord in cijfers en rond af op heel getal.

Slide 5 - Open vraag

Als afsluiting van iedere formule beoordeel jij jezelf, dus hoe goed ging het?
Slecht
Matig
Goed

Slide 6 - Poll

De steekproefomvang berekenen
Hoe komt je tot een goede steekproeftrekking?
De steekproefomvang is het aantal mensen dat aan het onderzoek mee moet doen. Dit bereken je door gebruik te maken van de steekproefomvang formule:


Tip, schrijf de formule eerst op en vul de waardes in op de plekken waar ze moeten staan. 

Bereken dan eerst de waardes tussen de haakjes en de waardes met ². 

Klaar? Nu kan je de streekproefgrootte uitrekenen.


Slide 7 - Tekstslide

Een producent van koekjes verwacht dat de bekendheid van zijn merk 30% is. Om de werkelijke merkbekendheid te achterhalen houdt hij een onderzoek. Hierbij is de gewenste betrouwbaarheid 99,7%(Z-waarde: 3). De producent accepteert een nauwkeurigheidsmarge van plus en min 3%. Uit hoeveel personen moet de steekproef minimaal bestaan? Rond af op hele personen

Slide 8 - Open vraag

Een producent van chips verwacht dat de bekendheid van zijn merk 20% is. Om de werkelijke bekendheid te achterhalen houdt hij een onderzoek. Hierbij is de gewenste betrouwbaarheid 99,7%(Z-waarde: 3). De producent accepteert een nauw-keurigheidsmarge van plus en min 5%. Uit hoeveel personen moet de steek-proef minimaal bestaan? Rond af op hele personen.

Slide 9 - Open vraag

Hoe goed ging het?
Slecht
Matig
Goed

Slide 10 - Poll

Percentage berekenen
Hoe ging dat ook al weer?
Vaak wordt er gevraagd om twee getallen uit te drukken als een percentage ten opzichte van elkaar. Handige tip hierbij is dat je hiermee kunt rekenen door de formule ‘deel : geheel x 100’.

Slide 11 - Tekstslide

In een woonwijk wonen er in totaal 192 mensen.
Hiervan gaan er 24 met het OV naar hun werk.

Hoeveel procent van de bewoners gaat met de OV naar het werk?

Slide 12 - Open vraag

Van de aantal sushi’s die John besteld zijn er
54 van de 60 stuks met tonijn.

Hoeveel procent van de sushi’s is met tonijn?

Slide 13 - Open vraag

Hoe goed ging het?
Slecht
Matig
Goed

Slide 14 - Poll

Enkelvoudige indexcijfers
Hoe werkt dat?
Een enkelvoudig indexcijfer is een percentage dat de verhouding uitdrukt tussen de grootte van een één dimensionaal verschijnsel in een bepaalde periode (tijdstip of gebied) en de grootte van dat verschijnsel in een andere periode, de zogenaamde basisperiode (basistijdstip of basisgebied).

Uitleg aan de hand van een vraag:
De prijs van een artikel A is op 1 januari 2010  € 1,00 per stuk.
De prijs van dit artikel A is op 1 januari 2020 € 1,25 per stuk.

Als het basistijdstip 1 januari 2010 is, dan is het enkelvoudige prijs indexcijfer: 
1,25 / 1,00 × 100 = 125 (Zoals hierboven al is aangegeven, moet de basis altijd duidelijk vermeld worden).

Slide 15 - Tekstslide

Onderzoek naar de ontwikkeling van de afzet en prijs van een artikel levert de volgende resultaten op (zie tabel rechts). Het basisjaar is 2015.

Wat is het prijsindexcijfer van 2019? Noteer je antwoord in cijfers en rond af op een decimaal achter de komma.

Slide 16 - Open vraag

Onderzoek naar de ontwikkeling van de afzet en prijs van een artikel levert de volgende resultaten op (zie tabel rechts). Het basisjaar is 2017.

Wat is het prijsindexcijfer van 2019? Noteer je antwoord in cijfers en rond af op een decimaal achter de komma.

Slide 17 - Open vraag

Hoe goed ging het?
Slecht
Matig
Goed

Slide 18 - Poll

Gewogen gemiddelde bij indeling in klassen
Hoe werkt dat?
Het gemiddelde is een getal dat het resultaat is van de som van een groep getallen gedeeld door het aantal getallen in de groep. Een gewogen gemiddelde houdt ook rekening met het “gewicht” van de getallen. Dus hoe vaak komt iets voor!

Voorbeeld, je haalt de volgende cijfers op school:
   so:       4  –  6 –  8  (die 1× tellen)
   rep:     6 – 7           (die 2× tellen)
   se:       7                  (die 4× telt)

Je staat daardoor gemiddeld: 



Gemiddelde cijfer
Aantal waarnemingen

Slide 19 - Tekstslide

Uit een onderzoek naar de voorkeur voor automerken komt deze verdeling in leeftijd onder de respondenten naar voren.

Wat is de gewogen gemiddelde leeftijd van de respondenten? Noteer je antwoord in cijfers en rond af op hele jaren.
Klassenmidden
Om het klassenmidden te berekenen van 15 t/m 34 jaar, doe je (15+34)/2 = klassenmidden
 

Slide 20 - Open vraag

Hoe goed ging het?
Slecht
Matig
Goed

Slide 21 - Poll

Standaardfout
Hoe werkt dat?
Een standaardfout is een schatting van hoeveel fouten we kunnen maken bij het nemen van een steekproef: met andere woorden, hoeveel de steekproef die we hebben genomen kan verschillen van de werkelijke waarde van de populatie. Aangezien we van te voren niet precies weten hoeveel fouten we maken, gebruiken we de standaardfout formule om deze te schatten en onszelf een marge te geven voor hoeveel fouten we hebben gemaakt.

Dit doe je met de volgende formule:




Slide 22 - Tekstslide

De totale populatie bestaat uit 7.300.000 Nederlandse huishoudens. Uit een steekproefonderzoek onder 320 huishoudens blijkt dat 80% een tweede auto bezit.

Wat is de standaardfout van dit onderzoek?
Noteer je antwoord in procenten en rond af op een decimaal.

Slide 23 - Open vraag

In Nederland zijn er ongeveer 1.500.000 honden. Uit een steekproefonderzoek onder 1100 huishoudens blijkt dat 70% ook een tweede hond bezit.

Wat is de standaardfout van dit onderzoek?
Noteer je antwoord in procenten en rond af op een decimaal.

Slide 24 - Open vraag

Hoe goed ging het?
Slecht
Matig
Goed

Slide 25 - Poll

Nauwkeurigheidsmarge
Hoe werkt dat?
Alle onderzoeken die gebaseerd zijn op een steekproef bevat afwijkingen ten opzichte van de werkelijkheid. Deze afwijking wordt nauwkeurigheidsmarge of steekproefmarge genoemd. Deze marge is afhankelijk van de grootte van de steekproef en van het gevonden percentage in het onderzoek. Overigens geldt over het algemeen dat de nauwkeurigheidsmarge kleiner wordt, wanneer de steekproef groter wordt. Ook geldt dat hoe dichter de nauwkeurigheidsmarge rond de 50% ligt, hoe groter de nauwkeurigheidsmarge is.

Dit doe je met de volgende formule (de z-waarde is een gegeven waarde):


Let op! Om de nauwkeurigheidsmarge te kunnen berekenen, moet je soms eerst de standaardfout berekenen.


Slide 26 - Tekstslide

Uit een steekproef onder 750 consumenten blijkt dat 30% pindakaas lekker vindt. De gewenste betrouwbaarheid is 90% (Z-waarde = 1,65).
Wat is de nauwkeurigheidsmarge bij dit onderzoek?
Noteer je antwoord in procenten en rond af op een decimaal.

Slide 27 - Open vraag

Hoe goed ging het?
Slecht
Matig
Goed

Slide 28 - Poll

Minimale percentage / Maximale percentage
Hoe werkt dat?
In de vorige dia's hebben we al eerder met steekproefpercentages gewerkt en hebben we net als laatste de formule voor de nauwkeurigheidsmarge geleerd. Met deze twee waardes, kan je de minimale en de maximale percentage van iets berekenen. Hiermee kan je de werkelijke hoeveelheid van iets (auto's, zonnebanken, etc.) uitrekenen. Dit doe je aan de hand van de volgende twee formules:




Let op: Vaak krijg je beide waardes al gegeven, maar is de vraag niet wat de uiteindelijk de minimale of maximale percentage is, maar wat de minimale of maximale percentage is van het onderwerp. Je zult dus de uiteindelijke percentage nog moeten toepassen op de hoeveelheid van iets (auto's, zonnebank, etc.) Dus hoeveel is het "minimale of maximale percentage" van het onderwerp. Dat is wat je uiteindelijk gaat uitrekenen en het antwoord op de vraag.



Kijk goed in de vraag of ze de minimale of maximale percentage willen hebben!

Slide 29 - Tekstslide

Uit een steekproefonderzoek onder 1.250 huishoudens blijkt dat 7% van de huishoudens een zonnebank heeft. De nauwkeurigheidsmarge is plus en min 2%. Nederland telt in totaal 7.200.000 huishoudens.
Hoeveel huishoudens bezitten maximaal in werkelijkheid een zonnebank? Noteer je antwoord in cijfers en rond af op hele huishoudens.

Slide 30 - Open vraag

Uit een steekproefonderzoek onder 1.000 huishoudens blijkt dat 5% van de huishoudens een konijn heeft. De nauwkeurigheidsmarge is plus en min 2%. Nederland telt in totaal 7.200.000 huishoudens.
Hoeveel huishoudens bezitten minimaal in werkelijkheid een konijn? Noteer je antwoord in cijfers en rond af op hele huishoudens.

Slide 31 - Open vraag

Hoe goed ging het?
Slecht
Matig
Goed

Slide 32 - Poll

Welke formule vond jij uiteindelijk het makkelijkste?
Enkelvoudige indexcijfer
Gewogen gemiddelde
Standaardfout
Nauwkeurig-heidsmarge
Steekproef-omvang
Minimale / maximale percentage
Bruto-steekproef

Slide 33 - Poll

Welke formule vond jij uiteindelijk het moeilijkste?
Enkelvoudige indexcijfer
Gewogen gemiddelde
Standaardfout
Nauwkeurig-heidsmarge
Steekproef-omvang
Minimale / maximale percentage
Bruto-steekproef

Slide 34 - Poll

Wil je nog meer oefenen op bepaalde formules?
Zo ja, welke?

Slide 35 - Open vraag

Is er nog iets anders wat je graag zou willen oefenen van Marktonderzoek? Zo nee, dan kunnen we de volgende keer beginnen met een oefenexamen. Het is dan wel de bedoeling dat je het boek gaat leren!

Slide 36 - Open vraag

Einde van deze les.

Mocht je na het einde van deze les nog vragen hebben die je graag direct geantwoord wil hebben. stuur mij dan een bericht op Teams en dan bespreken we dit samen even.

Slide 37 - Tekstslide