cross

maandag 28 februari 2022

Lezen
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 1

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Lezen

Slide 1 - Tekstslide

Welkom, dag en datum

Slide 2 - Tekstslide

Hoe was je vakantie?

Slide 3 - Tekstslide

Sporten 

Slide 4 - Tekstslide

Pauze tot 10.30 uur.

Slide 5 - Tekstslide

Nieuwe woorden
Thema 9: Technologie

Slide 6 - Tekstslide

de technologie
  • hoe een apparaat werkt (bijvoorbeeld een laptop of televisie).
  • de technologie - de technologieën
  • zin: Ik begrijp de technologie van een laptop niet.

Slide 7 - Tekstslide

de afstand
  • de ruimte tussen twee dingen of plaatsen
  • de afstand - de afstanden
  • zin: De afstand tussen school en mijn huis is 1 kilometer.

Slide 8 - Tekstslide

allemaal
  • alles
  • alle mensen 
  • zin: Wij houden allemaal van de zon.
  • zin: Wij gaan allemaal naar huis.

Slide 9 - Tekstslide

alles
  • alle dingen
  • alles - niets
  • zinnen: Het meisje neemt haar boek, haar schrift, haar etui en een koek mee naar school. Ze doet alles in haar tas. 

Slide 10 - Tekstslide

de app
  • een programma voor je telefoon 
  • de app - de apps
  • zin: Deze app is heel handig.
  • zin: De app kost geld.

Slide 11 - Tekstslide

Taak 2
Ontwerp een robot

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Slide 14 - Video

Werkblad

Slide 15 - Tekstslide

30 seconds
  • interview
  • 12
  • journalist
  • 7
  • toekomst
  • 3
  • -heid
  • 7
timer
0:30

Slide 16 - Tekstslide

Ralfi-lezen
  • voorlezen
  • samen hardop
  • in duo's
  • Klaar? Wissel van rol.

Slide 17 - Tekstslide

Pauze tot 12.40 uur.

Slide 18 - Tekstslide

Grammatica, voorkennis
  • Wat is een werkwoord?
  • zwemmen, lopen, hebben, zijn, schrijven, eten, drinken etc. 
  • Wat is een zelfstandig naamwoord?
  • Een woord waar je de, het of een voor kan zetten. Bijvoorbeeld: huis (het huis), pen (de pen), appel (een appel, de appel).
  • Wat betekent niet/geen?

Slide 19 - Tekstslide

niet/geen
  • Niet staat vaak achteraan in de zin.
  • Ik kom morgen niet.
  • Ik koop dat boek niet.
  • Niet hoort dan bij het werkwoord

Slide 20 - Tekstslide

niet/geen
  • Geen hoort bij een zelfstandig naamwoord.
  • Heb jij een fiets? Nee, ik heb geen fiets.
  • Heb je een euro? Nee, ik heb geen euro.
  • Geen hoort dan bij het zelfstandig naamwoord

Slide 21 - Tekstslide

Pak je laptop

Slide 22 - Tekstslide

Heb je een boek?
Nee, ik heb _________ boek.
A
niet een
B
geen
C
niet
D
wel

Slide 23 - Quizvraag

Heb je een banaan?
Nee, ik heb _________ banaan.
A
geen
B
zeven
C
niet
D
wel

Slide 24 - Quizvraag

Kom je sporten?
Nee, ik kom ________ sporten.
A
geen
B
zo
C
niet
D
wel

Slide 25 - Quizvraag

Kom je eten?
Nee, ik kom ________ eten.
A
geen
B
ontbijt
C
niet
D
wel

Slide 26 - Quizvraag

niet/geen
  • Niet staat vaak achteraan in de zin.
  • Ik kom morgen niet.
  • Ik koop dat boek niet.
  • Niet hoort dan bij het werkwoord

Slide 27 - Tekstslide

niet/geen
  • Geen hoort bij een zelfstandig naamwoord.
  • Heb jij een fiets? Nee, ik heb geen fiets.
  • Heb je een euro? Nee, ik heb geen euro.
  • Geen hoort dan bij het zelfstandig naamwoord

Slide 28 - Tekstslide

Geef antwoord met "Nee"

Heb je een appel?

Slide 29 - Open vraag

Geef antwoord met "Nee"

Kom je morgen?

Slide 30 - Open vraag

Werkblad

Slide 31 - Tekstslide

Disk: Bronnen en bouwstenen
Thema 9 Technologie

Slide 32 - Tekstslide

Tot morgen!

Slide 33 - Tekstslide