Les 4 t/m 6: Life cycle of humans and the reproductive organs

1 / 66
volgende
Slide 1: Tekstslide
Mens & NatuurMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 66 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 210 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Startklaar
       
      Telefoon in het zakkie 
      Laptop dicht op tafel 
       Map en pen op tafel
       
      
timer
5:00

Slide 2 - Tekstslide

Welkom bij Sciences
Unit 3.1.2: The circle of life
Learner Profile: Knowledgeable/ Geïnformeerd
ATL: Critical-thinking skills
Evaluate evidence and arguments
Related concepts: Interaction & Patterns
Key concept: Change, Development, Identity
How do interactions between individuals, environments, and systems give rise to patterns of change?
Global context: Identities and relationships

Slide 3 - Tekstslide

Overzicht Unit 1
Week 1
Week 2
Week 3
Week 4
Week 5
Week 6
Week 7
Week 8
Week 9
Week 10 
Week 11
Types of reproduction
Types of reproduction
Experiment (SA)
...
...
...
...

Slide 4 - Tekstslide

Programma
  • Voorkennis
  • Leerdoelen opstellen
  • Instructie
  • Aan de slag
  • Reflectie en leerdoelen check

Slide 5 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kent de levenscyclus van de mens en kunt de verschillende fasen benoemen en herkennen.
  • Je kunt de kenmerken van de verschillende fasen van een mensenleven benoemen.
  • Je kent de verschillende onderdelen van de voorplantingsorganen van de mens, man en vrouw, en kent hun functies.
  • Je kunt de weg van de zaadcel naar de eicel beschrijven.

Slide 6 - Tekstslide

Ontwikkeling bij mensen
3 typen ontwikkeling:
  1. Lichamelijke ontwikkeling: veranderingen in je lichaam
  2. Motorische ontwikkeling: leren van bewegingen
  3. Geestelijke ontwikkeling: ontwikkeling van verstand, gevoelsleven en persoonlijkheid


Slide 7 - Tekstslide

LICHAMELIJKE ONTWIKKELING 
Veranderingen in de bouw van je lichaam

Slide 8 - Tekstslide

Motorische ontwikkeling
Je leert bepaalde bewegingen

Slide 9 - Tekstslide

Geestelijke ontwikkeling
Het verstand, het gevoelsleven en de 
persoonlijkheid ontwikkelen zich.

Slide 10 - Tekstslide

Levensfasen van 
de mens

Slide 11 - Tekstslide

Wat is ontwikkeling
A
groter en zwaarder worden van organisme
B
Levenskenmerken vertonen
C
groeien van een organisme
D
veranderingen in bouw van een organisme

Slide 12 - Quizvraag

Hieronder staan voorbeelden van geestelijke of lichamelijke ontwikkelingen. Bij welke levensfase of levensfasen horen deze ontwikkelingen?
Peuter
Schoolkind
Puber
Sterk veranderende gevoelens
Groeien 
Je leert zinnen praten
Je leert woordjes schrijven

Slide 13 - Sleepvraag

Welke omschrijving past bij welke levensfase? Sleep de omschrijving naar de juiste levensfase
Baby.
Peuter
Kleuter
Schoolkind
Puber
Adolescent
Volwassene
Bejaarde
Leert lezen en schrijven.
Leert omgaan met verlies.
Leert zitten en kruipen
Leert naar de wc gaan en fietsen
Leert zelfbewust denken.
Leren zelfstandig zijn
Leren kinderen opvoeden
Leren praten en traplopen

Slide 14 - Sleepvraag

Zet de levensfasen in de goede volgorde.
Baby
Jongvolwassene
Kind
Kleuter
Oudere
Peuter
Puber
Volwassene

Slide 15 - Sleepvraag

Wat wordt er bedoeld met de geestelijke ontwikkeling?
A
De ontwikkeling van de hersenen
B
De ontwikkeling van het lichaam en de motoriek
C
De ontwikkeling van je eigen ik en de omgang met anderen
D
De ontwikkeling van je motoriek

Slide 16 - Quizvraag

Bij motorische ontwikkeling...
A
Verandert je verstand
B
Leer je je lichaam kennen
C
Leer je bepaalde bewegingen
D
Verandert je bouw

Slide 17 - Quizvraag

Wat hoort bij geestelijke ontwikkeling?
A
gevoelsleven
B
groeien
C
levenscyclus
D
metamorfose

Slide 18 - Quizvraag

Opdracht
Schrijf voor jezelf de levenscyclus van de mens op. 
Zet hierbij per fase de verschillende soorten ontwikkeling, dit gaat er als volgt uit zien.



De opdracht lever je in via Toddle. Hierin staat ook al een format voor de tabel.

Fase
Lichamelijke ontwikkeling
Motorische ontwikkeling
Geestelijke ontwikkeling

Slide 19 - Tekstslide

Voortplantingsorganen

Slide 20 - Tekstslide

Een man en een vrouw verschillen in primaire en secundaire geslachtskenmerken. Leg uit wat dat zijn.

Slide 21 - Open vraag

Zaadcellen
Eicellen
Voortplantingscellen van de man
Voortplantingscellen van de vrouw

Slide 22 - Sleepvraag

geslachtsdelen man

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Wanneer is iemand vruchtbaar?
Vanaf het moment dat er voortplantingscellen worden gemaakt is iemand vruchtbaar
Het maken van die cellen wordt geregeld door de hypofyse

Slide 25 - Tekstslide

Welk hormoon is voornamelijk aanwezig in mannen? En vrouwen?
A
Man: testosteron, vrouw: oestrogeen
B
Man: oestrogeen, vrouw: testosteron
C
Man: progesteron, vrouw: oestrogeen
D
Man: oestrogeen, vrouw: progesteron

Slide 26 - Quizvraag

Wanneer is een jongen vruchtbaar?
De hypofyse maakt een hormoon dat de zaadballen 'aanzet'
Zaadballen maken zaadcellen + testosteron
- Jongen krijgt eerste zaadlozing

Slide 27 - Tekstslide

Zet de gebeurtenissen in de juist volgorde
in de zaadballen start de zaadcelproductie
de hypofyse maakt hormoon X
het bloed vervoert het hypofysehormoon naar de geslachtsorganen
zaadcellen worden opgeslagen (in de bijballen)
de jongen heeft zijn eerste zaadlozing
1
2
3
4
5

Slide 28 - Sleepvraag

Wanneer is een meisje vruchtbaar?

Slide 29 - Tekstslide

voortplantingsorganen vrouw

Slide 30 - Tekstslide

Wanneer is een meisje vruchtbaar?
Hypofyse maakt een hormoon dat de eierstokken 'aanzet'
Eierstokken rijpen eicellen + maken oestrogeen
- Meisje krijgt eerste menstruatie/ongesteldheid

Slide 31 - Tekstslide

Opdracht
In Toddle staat de opdracht.
Vul de tabellen volledig in.
Alle onderdelen van het mannelijke voortplantingsstelsel met hun functie en alle onderdelen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel met hun functie.

Slide 32 - Tekstslide

Wanneer wordt een meisje ongesteld?
- Als een rijpe eicel niet bevrucht wordt
- 1x per maand 
- 5 tot 7 dagen

Slide 33 - Tekstslide

Gebeurtenissen tijdens de cyclus
1. Er rijpt een eicel in een follikel

Slide 34 - Tekstslide

100.000 eicellen per eierstok!

Slide 35 - Tekstslide

Gebeurtenissen tijdens de cyclus
2. Ovulatie, de rijpe eicel verlaat de follikel en de eierstok

Slide 36 - Tekstslide

Bevruchting
De kern van de eicel versmelt (wordt één)  met de kern van de zaadcel
Bevruchting gebeurt in de eileider

Slide 37 - Tekstslide

Gebeurtenissen tijdens de cyclus
3. Verdikking baarmoederslijmvlies

Slide 38 - Tekstslide

Innesteling
De bevruchte eicel begint met delen in de eileider

Dit wordt een klompje cellen

Het klompje cellen hecht zich vast in de baarmoederwand

Slide 39 - Tekstslide

Gebeurtenissen van de cyclus
4. Menstruatie,  baarmoederslijmvlies laat los

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Tekstslide

Zoek de juiste onderdelen bij de omschrijving in je boek.
Noteer het antwoord ook in je schrift.
eierstokken
vagina
baarmoeder
baarmoedermond
eileider
Hier rijpen de eicellen
Verbindt de eierstokken en de baarmoeder
Ingang van de baarmoeder
Plaats waar uit een bevruchte eicel een baby kan groeien
Verbinding tussen de baarmoeder en de buitenwereld

Slide 42 - Sleepvraag

Welke hormonen regelen de menstruatiecyclus?
- Oestrogeen: 
1. zorgt dat er geen andere eicellen rijpen
2. maakt het baarmoederslijmvlies dikker
3. geeft een seintje voor ovulatie

Slide 43 - Tekstslide

Welke hormonen regelen de menstruatiecyclus?
- Progesteron
1. stimuleert groei + doorbloeding baarmoederslijmvlies

Slide 44 - Tekstslide

Welke hormonen regelen de menstruatiecyclus?
- Oestrogeen en progesteron (follikel)
- FSH en LH (hypofyse)

Slide 45 - Tekstslide

Kies welk(e) hormoon/hormonen verantwoordelijk zijn 
- zorgt dat follikel gaat rijpen
- zorgt voor de eisprong
- zorgt dat de hypofyse LH gaat produceren
- voorkomt ontwikkeling van nieuwe follikels
- Vooral actief in de tweede helft van de menstruatiecyclus
- zorgt dat het baarmoederslijmvlies groeit
- zorgt voor groei van het gele lichaam

Slide 46 - Tekstslide

Kies welk(e) hormoon/hormonen verantwoordelijk zijn
- zorgt dat follikel gaat rijpen: FSH
- zorgt voor de eisprong: LH
- zorgt dat de hypofyse LH gaat produceren: oestrogeen
- voorkomt ontwikkeling van nieuwe follikels: oestrogeen, progesteron
- Vooral actief in de tweede helft van de menstruatiecyclus: FSH, oestrogeen
- zorgt dat het baarmoederslijmvlies groeit: oestrogeen, progesteron
- zorgt voor groei van het gele lichaam: LH

Slide 47 - Tekstslide

Bij zwangerschap

Slide 48 - Tekstslide

Zwangerschap en geboorte

Slide 49 - Tekstslide

Wat is de "ovulatie"?

Slide 50 - Open vraag

Bevruchting en innesteling
Bevruchting: na de ovulatie 
De baarmoeder is 5-7 dagen reizen

Bevruchte eicel gaat zich innestelen in de baarmoederslijmvlies

Slide 51 - Tekstslide

Ovulatie
Bevruchting
Celdeling
Innesteling

Slide 52 - Sleepvraag

Wat is "innestelen"

Slide 53 - Open vraag

De placenta
Na een paar weken groeit de placenta
Hiermee kunnen voedingsstoffen van 
de moeder naar het embryo via de 
navelstreng
Bloedvaten embryo/foetus stromen door
de placenta, langs het bloed van 
de moeder -> geen bloedcontact

Slide 54 - Tekstslide

Placenta en navelstreng
Het embryo is door de navelstreng verbonden met de placenta.

In de placenta:
  • Zuurstof en voedingsstofen van moeder 
      naar het embryo
  • Afvalstoffen van het embryo naar 
      de moeder

Slide 55 - Tekstslide

De navelstreng
Navelstrengslagaders (2): Hierin stroomt bloed van het
embryo naar de placenta.

Navelstrengader (1): Hierin stroomt bloed van de placenta
naar het embryo.


Slide 56 - Tekstslide

Welke (slag)ader vervoert wat in de navelstreng?

1
2
A zit vast aan de foetus
B is richting de placenta
zuurstof
voedingsstoffen
afvalstoffen

Slide 57 - Sleepvraag

Welke organen werken er voor de geboorte nog niet?
  • Longen​
  • Maag-darmkanaal​
  • Lever​
  • Nieren​


Al deze organen krijgen bloed met voedingsstoffen om te groeien, ze werken alleen nog niet (optimaal).




Slide 58 - Tekstslide

Tweelingen
Een-eiige tweeling ontstaat uit 1 eicel & 1 zaadcel. Later in ontwikkeling scheidt het klompje cellen zich in tweeën.

Tweeeiige tweeling ontstaan uit 2 eicellen & 2 zaadcellen

Slide 59 - Tekstslide

De ontsluiting
  • De bevalling begint met weeën. 
  • Weeën zijn samentrekkingen van de baarmoederwand. 
  • Door de weeën wordt de onderkant van de baarmoeder wijder.
  • Dat heet ontsluiting.
  • Tijdens de ontsluiting breken de vruchtvliezen. 
  • Vruchtwater vloeit via de vagina weg.
  • De ontsluiting moet groot genoeg zijn om het hoofdje erdoor te laten. 

Slide 60 - Tekstslide

De uitdrijving
De weeën worden steeds krachtiger. 
De spieren in de buikwand gaan zich nu ook samentrekken. 
Door de persweeën wordt het kindje naar buiten geperst. 
Dit heet uitdrijving.
De uitdrijving kan een paar seconden duren, maar ook een paar uur. 

Slide 61 - Tekstslide

Fase 3: de nageboorte
Na de uitdrijving is het kindje wel geboren, maar de bevalling is nog niet helemaal klaar.
Er moeten nog 3 delen uitgedreven worden. 
de placenta - de vruchtvliezen - de rest van de navelstreng
Dit noemen we de nageboorte.
Deze komt ongeveer 15 minuten na de geboorte van het kindje. 

Slide 62 - Tekstslide

Welke voorbehoedmiddelen ken je

Slide 63 - Woordweb

Leerdoelen
  • Je kent verschillende voorbehoedmiddelen.
  • Je kunt uitleggen hoe de pil, het spiraaltje, het hormoonstaafje en het condoom werken.
  • Je weet ook wat periodieke onthouding is en wat coitus interruptus is en waarom dit geen veilige methoden voor het voorkomen van zwangerschap zijn. 

Slide 64 - Tekstslide

Opdracht
Iedereen krijgt een voorbehoedmiddel uitgedeeld. 
Zoek de volgende vragen hierover op.
- Wat is het?
- Hoe werkt het?
- Hoe gebruik je het?
- Waar haal je het?
- Wat zijn de voordelen?
- Wat zijn de nadelen? 

Slide 65 - Tekstslide

Huiswerk
Je maakt de opdrachten uit deze les af.

Slide 66 - Tekstslide