2024 lesson 1 Articles a,an, the





Grammar theme 3
Articles a/an/the
log in lessonup
Leg werkboek B op tafel
Bespreek met je buurman/buurvrouw wat het leukste was wat je in de vakantie hebt gedaan en hoe je dat zegt in het Engels

timer
5:00
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 1

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les





Grammar theme 3
Articles a/an/the
log in lessonup
Leg werkboek B op tafel
Bespreek met je buurman/buurvrouw wat het leukste was wat je in de vakantie hebt gedaan en hoe je dat zegt in het Engels

timer
5:00

Slide 1 - Tekstslide

How was your holiday?
😒🙁😐🙂😃

Slide 2 - Poll

Describe the most fun activity you did during the holiday in three English sentences

Slide 3 - Open vraag

Hoe vond je het afgelopen half jaar gaan?

Slide 4 - Open vraag

Wat wil je hetzelfde houden dit schooljaar?

Slide 5 - Open vraag

Wat wil je anders de komende lessen?

Slide 6 - Open vraag

Planning rest van het jaar

Slide 7 - Tekstslide

Doelen vandaag
Aan het einde van de les heb je geoefend met drie lidwoorden: a/an/the

Aan het einde van de les heb je geoefend met kijkvaardigheid

Slide 8 - Tekstslide

Watching
Write down keywords in your notebook 

I'm going to ask you  some questions about what you've watched

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Link

Articles
lidwoorden

Slide 11 - Tekstslide

Articles
Lidwoorden

Wanneer je in het Nederlands de of het voor een zelfstandig naamwoord zet, gebruik je in het Engels the

Wanneer je in het Nederlands een voor een zelfstandig naamwoord zet, gebruik je in het Engels a of an

Slide 12 - Tekstslide

Lidwoord a/an/the
 een ..........: a / an
de / het ..........: the

een tafel - a table           een ei - an egg
de tafel - the table          het ei - the egg



 

Slide 13 - Tekstslide

Article (lidwoord) a/an
a gebruik je voor woorden die beginnen met:
een consonant (medeklinker)
a pet               a teacher           a bycicle
a car                  a door               a room
 

Slide 14 - Tekstslide

Article (lidwoord) a/an
an gebruik je voor woorden die beginnen met: 
een vowel (een klinker)

an ear            an investigation         an officer
an apple            an Englishman          an answer
 

Slide 15 - Tekstslide

Let op!
De keuze voor a of an hangt niet af van de (mede)klinker op papier, maar of je hemt hoort.

Soms schrijf je een -h maar hoor je hem niet -> dan gebruik je an.

Soms schrijf je een -u, maar hoor je een -j of -h -> dan gebruik je a.


 

Slide 16 - Tekstslide

Examples
(je schrijft de medeklinker wel maar hoort hem niet)

an hour  (je hoort our) = een uur
an honor (je hoort onour) = een eer
a university (je hoort juniversity) =een  universiteit
a uniform (je hoort juniform) = een  uniform
a European (je hoort jeuropean) = een  Europeaan

Slide 17 - Tekstslide

 Article: THE
Lidwoord: The= (de/het)    
Wanneer gebruik je het lidwoord  THE (definite article)
- Als het verwijst naar een specifiek persoon of ding 
example: The president gave a speech
 Je laat weg: bij dingen in het algemeen of als een gebouw of plaats wordt gebruikt voor zijn/haar specifieke doel.
example: I am at university. 

Slide 18 - Tekstslide

                 I am at school.                      I am at the school.
               He is in prison.                         He is at the prison.
                  Articles: What is the difference?
pictures 1
pictures 2

Slide 19 - Tekstslide

The
A
An
iets/iemand specifiek
iets / iemand in algemeen
iets / iemand in algemeen
"the" weglaten bij iets/iemand in algemeen of 
specifieke doel.
voor een medeklinker 
(consonant sound)
voor een klinker (a, e, i, o en u) 
(vowel sound)
I am reading the book.

I am at school.
My sister is upstairs reading a book.
We live in an apartment
Let op:
1. klinker
It took us an hour to find it.

2. medeklinker
He wears a uniform.

Slide 20 - Tekstslide

a of an?
..... dog
A
a
B
an

Slide 21 - Quizvraag

a of an?
.... artwork
A
a
B
an

Slide 22 - Quizvraag

a of an?
..... house
A
a
B
an

Slide 23 - Quizvraag

a of an?
.... apple
A
a
B
an

Slide 24 - Quizvraag

a of an?
.... uniform
A
a
B
an

Slide 25 - Quizvraag

A
AN
table
house
egg
chicken
island
phone
orange

Slide 26 - Sleepvraag

a of an?
.... hero
A
a
B
an

Slide 27 - Quizvraag

a of an?
.... hour
A
a
B
an

Slide 28 - Quizvraag

A of AN?
.... uncle
A
a
B
an

Slide 29 - Quizvraag

a of an?
.... university
A
a
B
an

Slide 30 - Quizvraag

a of an?
.... FM-radio channel
A
a
B
an

Slide 31 - Quizvraag

A of AN?
.... umbrella
A
a
B
an

Slide 32 - Quizvraag

The story took _____ unexpected turn.
A
a
B
the
C
an
D
(empty)

Slide 33 - Quizvraag

Have you ever been to ____ Notre Dame in Paris.
A
the
B
(empty)
C
a
D
an

Slide 34 - Quizvraag

Grandma is in ______ hospital again. She has pneumonia.
A
(empty)
B
an
C
the
D
a

Slide 35 - Quizvraag

Look out, there's ___ U-turn up ahead.
A
an
B
a
C
(empty)
D
the

Slide 36 - Quizvraag

Time to work!
What: 
Kader: Do exercise 30, 31A WB B page 27, 28
Basis: Do exercise 27, 28 WB B page 27, 28

How: together or on your own
Help: book, teacher
Time: 10 minutes
Done? Study vocabulary A, B

Slide 37 - Tekstslide

Conclusion
Aan het einde van de les heb je geoefend met drie lidwoorden: a/an/the

Aan het einde van de les heb je geoefend met kijkvaardigheid

huiswerk
Kader: Do exercise 30, 31A WB B page 27, 28
Basis: Do exercise 27, 28 WB B page 27, 28

Slide 38 - Tekstslide