Verkleinwoorden les 21 klare taal

verkleinwoorden
Les 21

Lesdoel: Ik kan verkleinwoorden goed spellen.
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsISK

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

verkleinwoorden
Les 21

Lesdoel: Ik kan verkleinwoorden goed spellen.

Slide 1 - Tekstslide

Verkleinwoorden

Slide 2 - Tekstslide

Verkleinwoorden regels
Bij de meeste woorden zet je achter het woord -je
dorpje, stadje, kindje, flesje
Na een l, n, w, r of een klinker (a, e, i, o, u) komt -tje
stoeltje, schoentje, vrouwtje, deurtje, laatje
Na een m komt -pje
boompje, raampje
Sommige woorden krijgen -etje
Spelletje, brilletje, mannetje, sterretje, ringetje, nulletje, bonnetje, weggetje, bruggetje, spelletje

Slide 3 - Tekstslide

Verkleinwoord met PJE
Verkleinwoord met TJE
boom
telefoon
broer
riem
film
raam
tafel
haar

Slide 4 - Sleepvraag

Verkleinwoord van
COMPUTER
A
computertje
B
computerje
C
computerpje
D
computeretje

Slide 5 - Quizvraag

Verkleinwoord van
TAFEL
A
tafelje
B
tafeletje
C
tafelpje
D
tafeltje

Slide 6 - Quizvraag

Verkleinwoord van
FLES
A
Flespje
B
Flesje
C
Flestje
D
Flesmpje

Slide 7 - Quizvraag

Verkleinwoord van
LA
A
laatje
B
ladetje
C
la'tje
D
latje

Slide 8 - Quizvraag

verkleinwoorden

1. stemmetje is het verkleinwoord van stem.
2. blaadje is het verkleinwoord van blad.
A
1 = goed 2 = niet goed
B
1= niet goed 2 = goed
C
1 = goed 2 = goed
D
1 =niet goed 2 = niet goed

Slide 9 - Quizvraag



Schrijf het verkleinwoord:

brug

Slide 10 - Open vraag



Schrijf het verkleinwoord:
fiets

Slide 11 - Open vraag



Schrijf het verkleinwoord:

kind

Slide 12 - Open vraag

Maak nu de opdrachten van les 21.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Link