cross

PV1 H4 Natuur en Techniek geven

 Hoofdstuk 4, Dieren
1 / 55
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuur & Techniek Studiejaar 1

In deze les zitten 55 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

 Hoofdstuk 4, Dieren

Slide 1 - Tekstslide

Hoe te gebruiken?
Deze lessonup is te gebruiken als uitleg bij het boek.
* DISCLAIMER. Deze lessonUp geldt als aanvulling op vakateliers en boek en niet als vervanging.


De student in het geel staan iedere keer de specifieke toetscriteria bij het onderdeel dat verder wordt uitgelegd. 

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Wij zijn ongewervelde dieren...
Wij zijn anders, maar ook hetzelfde. Wij hebben allemaal geen ruggegraat voor de stevigheid.

Slide 4 - Tekstslide

Ongewervelde dieren
De ongewervelde dieren (invertebrata) worden onderverdeeld in een aantal onderstammen die in de volgende slides worden toegelicht. 
Dieren zonder wervelkolom
  1. geleedpotigen
  2. weekdieren
  3. wormen
  4. holtedieren
  5. stekelhuidigen
De student kan aan de hand van gegeven kenmerken dieren indelen in verschillende groepen (gewerveld / ongewerveld, geleedpotigen, holtedieren..enz).
student kan het soort skelet van stekelhuidigen, geleedpotigen en weekdieren benoemen.

Slide 5 - Tekstslide

Geleedpotigen
  • Uitwendig skelet.
  • Poten die bestaan uit verschillende gewrichten (leden).
  • Groot aantal klassen waarvan insecten de grootste is.
De student kan kenmerken benoemen van verschillende groepen binnen de geleedpotigen (insecten, spinnen, kreeftachtigen, veelpotigen) en kan deze kenmerken toepassen 

Slide 6 - Tekstslide

Geleedpotigen
insecten 6 poten            - spinnen 8 poten -                         - kreeftachtigen 10 poten - duizendpoot veelpotigen 

Slide 7 - Tekstslide

Weekdieren 
Tweezijdig symmetrisch.
Meestal huisje of schelp.
Groepen:
  • inktvissen
  • huisjesslakken
  • naakslakken
  • tweekleppigen

Slide 8 - Tekstslide

Wormen 
  • Tweezijdig symmetrisch
  • Geen skelet
  • Lichaam lang en dun

Slide 9 - Tekstslide

Stekelhuidigen
  • Stekelhuidigen hebben geen botten of stevig pantser, maar wel een stevig vel met stekeltjes of ruwe plekken.
  • Twee voorbeelden van stekelhuidigen zijn een zee-egel en een zeester. 

Slide 10 - Tekstslide

Holtedieren
Kenmerken:
  • Veelzijdig symmetrisch 
  • Meestal geen skelet
  • Leven in het water
  • Vangen prooi met tentakels en netelcellen

Slide 11 - Tekstslide

Gewervelde dieren 
  1. Reptielen
  2. Vissen
  3. Amfibieën
  4. Zoogdieren
  5. Vogels

 De student kan de 5 groepen dieren benoemen die onder de gewervelden vallen.

Slide 12 - Tekstslide

Gewervelde dieren 
  1. Vissen
  2. Amfibieën
  3. Reptielen
  4. Zoogdieren
  5. Vogels

Belangrijke criteria voor de onderverdeling zijn;
* Hebben ze longen of kieuwen?
* Zijn ze koud- of warmbloedig?
* Leggen ze eieren?
* Hebben ze haren of veren als vacht?
* Zogen de jongen?
De student kan van vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren benoemen hoe ze ademhalen, of ze koud- of warmbloedig zijn en welk type bloedsomloop ze hebben.

Slide 13 - Tekstslide

1: Vissen
Gewervelde 
dieren
Vissen
Kieuwen
Koudbloedig
Zachte eieren, kuit
Haaien en roggen zijn kraakbeenvissen
De meeste andere vissen hebben hard beenmateriaal en daarmee behoren zij tot de beenvissen

Slide 14 - Tekstslide

1. Vissen 
1. kieuwen
2. koudbloedig 
3. vissen leggen eieren (kuit)
4. schubben
5. nee
Belangrijke criteria voor de onderverdeling zijn;

  1.  Hebben ze longen of kieuwen?
  2.  Zijn ze koud- of warmbloedig?
  3.  Leggen ze eieren?
  4.  Hebben ze haren of veren als vacht?
  5.  Zogen de jongen?

Slide 15 - Tekstslide

Kraakbeenvissen en beenvissen
Haaien en roggen zijn kraakbeenvissen. Ze hebben een skelet van flexibel kraakbeen en er is een serie kieuwspleten (meestal vijf) achter hun kop.

De andere vissen hebben een skelet dat bestaat uit bot (net als ons skelet).
De student kan de twee klassen vissen in relatie tot de eigenschappen van hun skelet benoemen

Slide 16 - Tekstslide

2: Amfibieën
Gewervelde 
dieren
Amfibieën
  • Koudbloedig 
  • Jongen kieuwen later krijgen ze pootjes en longen
  • Volwassen op land met longen 
  • Zachte eieren 

Slide 17 - Tekstslide

2. Amfibieën 
1. ademhaling via huid, volwassen dieren hebben longen, de jongen hebben eerst kieuwen.
2. koudbloedig 
3. leggen eieren 
4. dunne slijmerige huid
5. nee
Belangrijke criteria voor de onderverdeling zijn;

  1.  Hebben ze longen of kieuwen?
  2.  Zijn ze koud- of warmbloedig?
  3.  Leggen ze eieren?
  4.  Hebben ze haren of veren als vacht?
  5.  Zogen de jongen?

Slide 18 - Tekstslide

3: Reptielen
Gewervelde 
dieren
Reptielen
Longen
Eieren leerachtige schil
Koudbloedig

Slide 19 - Tekstslide

3. Reptielen
1. longen 
2. koudbloedig 
3. leggen eieren 
4. hoornschubben
5. nee
Belangrijke criteria voor de onderverdeling zijn;

  1.  Hebben ze longen of kieuwen?
  2.  Zijn ze koud- of warmbloedig?
  3.  Leggen ze eieren?
  4.  Hebben ze haren of veren als vacht?
  5.  Zogen de jongen?

Slide 20 - Tekstslide

4: Zoogdieren 
Gewervelde 
dieren
Zoogdieren
  • Warmbloedig 
  • Longen 
  • Levendbarend 
  • Verrassende zoogdieren zijn zeekoeien, zeehonden, walvis, dolfijn
  • Het vogelbekdier is het enige zoogdier met een snavel 

Slide 21 - Tekstslide

4. Zoogdieren
1. longen 
2. warmbloedig 
3.  nee, levend barend
4. harige vacht (ja, walvissen hebben ook haar)
5. ja, door melkklieren aangemaakte melk (ja, het vogelbekdier en de mierenegel produceren melk)
Belangrijke criteria voor de onderverdeling zijn;

  1.  Hebben ze longen of kieuwen?
  2.  Zijn ze koud- of warmbloedig?
  3.  Leggen ze eieren?
  4.  Hebben ze haren of veren als vacht?
  5.  Zogen de jongen?

Slide 22 - Tekstslide

5: Vogels
Gewervelde 
dieren
Vogels
  • Warmbloedig 
  • Snavel 
  • Eieren harde kalkachtige schaal 
  • Verenkleed en vleugels 
  • Pinguin, struisvogel 

Slide 23 - Tekstslide

5. Vogels
1. longen 
2. warmbloedig 
3. ja, zeleggen eieren 
4. verenkleed en vleugels
5. nee
Belangrijke criteria voor de onderverdeling zijn;

  1.  Hebben ze longen of kieuwen?
  2.  Zijn ze koud- of warmbloedig?
  3.  Leggen ze eieren?
  4.  Hebben ze haren of veren als vacht?
  5.  Zogen de jongen?

Slide 24 - Tekstslide

De bloedsomloop 
De bloedsomloop zorgt ervoor dat bouwstoffen, brandstoffen en zuurstof bij alle lichaamscellen komen en dat de afvalstoffen weer afgevoerd worden. 
Bloedsomloop hangt nauw samen met ademhaling. 

De student kan de relatie tussen ademhaling en bloedsomloop toelichten.

Slide 25 - Tekstslide

Drie typen bloedsomlopen
Er zijn drie typen bloedsomlopen: de enkele-, de gesloten- en de open bloedsomloop. 
  1. Bij een dubbele bloedsomloop werkt het hart als een dubbele pomp. Er zijn twee gescheiden bloedsomlopen.
  2. Bij een enkelvoudige bloedsomloop werkt het hart als een enkele pomp. 
  3. Bij een open bloedsomloop stroomt het bloed vrij het lichaam in.
 

Slide 26 - Tekstslide

Open bloedsomloop 
Bij ongewervelde dieren een open bloedsomloop waarbij het bloed of lichaamsvocht zuurstof opneemt.

Slide 27 - Tekstslide

Enkelvoudige bloedsomloop 
Bij vissen. Het zuurstofarme bloed wordt door het hart naar de kiewen gepompt, daar komt zuurstof in het bloed dat meteen verder naar alle lichaamsdelen stroomt.

Slide 28 - Tekstslide

Dubbele bloedsomloop 
  • Zoogdieren
  • Vogels
  • Reptielen  
  • Amfibieën 

Zuurstofarm en zuurstofrijk bloed zijn van elkaar gescheiden 

Slide 29 - Tekstslide

De ademhaling
Ademhaling is gericht op zuurstof (voor verbranding) bij de cellen te krijgen en koolstofdioxide (afvalstof van verbranding) uit te scheiden.
Ademhalingsorganen zijn aangepast om zuurstof uit water te halen (kieuwen) of uit lucht (longen en tracheëen).
De student kan benoemen welke functie ademhaling heeft en welke stoffen betrokken zijn bij de ademhaling.

Slide 30 - Tekstslide

Tracheeën bij insecten
Tracheeëen zijn een soort luchtbuisjes in het lichaam. Via de ademspleetjes aan de zijkanten van het insectenlijf wordt de lucht bij beweging van de spieren als he ware naar binnen gezogen en kan het dier de zuursof rechtstreeks uit de lucht halen.
De student weet verschillende ademhalingsorganen (tracheeen, longen, kieuwen) te benoemen en te plaatsen bij de juiste diergroepen.

Slide 31 - Tekstslide

Warmbloedig vs koudbloedig 
Warmbloedige dieren hebben een grotere energiebehoefte dan koudbloedige dieren, omdat ze hun lichaamtemperatuur constant op peil houden. Om warm te blijven is er veel zuurstof en brandstof nodig voor verbranding. 
Koudbloedige dieren laten hun lichaamstemperatuur afhankelijk zijn van de omgeving. Zij worden sloom als het kouder wordt.

Slide 32 - Tekstslide

Misconcepten dieren 
  • Een kip is een vogel, maar kan nauwelijks vliegen (Kippen vliegen prima). 
  • Een dolfijn is een vis (nee, zoogdier want longen, levendbarend). 
  • Een vogelbekdier is een vogel (nee. zoogdier met snavel) en legt eieren (Ja vogelbekdieren leggen eieren, maar zogen hun jongen dus een zoogdier).
  • Een vleermuis heeft vleugels en is dus een vogel (nee, het is een zoogdier, haar, levend barend en zogend).
  • Een walvis is een vis (nee, zie dolfijn). 
  • Een meelworm is een worm (nee, de larve van een meeltor)

Slide 33 - Tekstslide

Groei: Metamorfose 
Vlinders, libelles maar ook kikkers en padden vertonen een duidelijke metamorfose. De jonge dieren lijken niet op de volwassen dieren; ze worden larven genoemd. Als het dier van gedaante verwisselt noemen we dat metamorfose.
De student kan uitleggen wat er bedoeld wordt met “metamorfose” (gedaantewisseling). 

Slide 34 - Tekstslide

Volledige metamorfose 
De metamorfose bij vlinders is een volledige metamorfose . 
De stappen bij volledige gedaantewisseling zijn;
ei             larve            pop                volwassen                               
            
De student kan van zowel volledige en onvolledige gedaantewisseling een voorbeeld noemen.

Slide 35 - Tekstslide

Onvolledige metamorfose 
De metamorfose bij sprinkhanen is een onvolledige metamorfose . 

De sprinkhanen vervellen vijf tot vijftien keer omdat er geen popstadium is noemen we dit onvolledige metamorfose.  De stadia bij de vervelling worden nimfen genoemd.
De student kan van zowel volledige en onvolledige gedaantewisseling een voorbeeld noemen.

Slide 36 - Tekstslide

De student kan de verschillen tussen onvolledige en volledige gedaanteverwisseling benoemen.

Volledige metamorfose bij insecten
Onvolledige metamorfose bij insecten
  • vlinders
  • meeltorren 
  • veranderen sterk van gedaante 
  • larve
  • popstadium 
  • sprinkhanen
  • libelles
  • waterjuffers
  • veranderen niet sterk van gedaante maar vervellen een aantal keer
  • geen popstadium 

Slide 37 - Tekstslide

Voortplanting dieren
  • Geslachtelijk of ongeslachtelijk
  • Uitwendig en inwendig 
  • Eieren of levendbarend 
  • geen broedzorg of broedzorg 
  • Nestvlieders of nestblijvers 

Slide 38 - Tekstslide

Ongeslachtelijke voortplanting
Ongeslachtelijke of maagdelijke voortplanting komt voor bij wandelende takken en bladluizen maar ook bij sommige amfibieën, reptielen en vissen. De vrouwtjes leggen zonder tussenkomst van een mannetje eitjes. Daaruit komen vrijwel uitsluitend vrouwtjes. De nakommelingen zijn allemaal kopieën van haarzelf, klonen.

De student  kan aangeven wat bedoeld wordt met ongeslachtelijke voortplanting bij dieren.
De student kan een aantal verschillende vormen van ongeslachtelijke voort-planting noemen bij dieren en daar een voorbeeld bij geven.

Slide 39 - Tekstslide

Geslachtelijke voortplanting 
Geslachtelijke voortplanting wordt ook seksuele reproductie genoemd. Dat houdt in dat een vrouwelijke eicel en een mannelijke zaadcel met elkaar versmelten (bevruching) waarna een embryo zich kan ontwikkelen. 
Geslachtelijke voortplanting zorgt voor genetische variatie.
De student kan uitleggen wat bedoeld wordt met geslachtelijke voortplanting bij dieren en wat onder bevruchting wordt verstaan. 
De student kan de volgorde van gebeurtenissen bij geslachtelijke voortplanting benoemen 

Slide 40 - Tekstslide

Uitwendige bevruchting 
Bij de meeste vissoorten en amfibieën vindt de bevruchting buiten het lichaam plaats. Vrouwtjes laten hun eicellen los en mannetjes laten hun zaadcellen hierover los. De kans dat zij elkaar treffen is niet zo groot. Er worden dan vaak ook gigantische aantallen eicellen en zaadcellen geproduceerd.
De student kan uitleggen op welke manieren de bevruchting bij dieren tot stand kan komen.

Slide 41 - Tekstslide

Inwendige bevruchting 
Op het land drogen eicellen en zaadcellen makkelijk uit, daarom vindt er bij landdieren vaak inwendige bevruchting plaats. Ze hebben geslachtsorganen om te kunnen paren. Tijdens het paren brengt het mannetje zaadcellen in het lichaam van het vrouwtje, dicht bij de eicellen. Daardoor is de kans op bevruchting groter. Toch worden hier ook veel spermacellen geproduceerd waarbij een enkeling erin slaagt een bevruchting tot stand te brengen.
De student kan uitleggen op welke
 manieren de bevruchting bij 
dieren tot stand kan komen.
De student kan het verschil tussen uitwendige en inwendige bevruchting benoemen en toelichten met oog op de leefomgeving van de dieren 

Slide 42 - Tekstslide

Eierleggend en levendbarend
De meeste dieren leggen eieren waarin de nakomelingen zicht ontwikkelen. Zoogdieren en mensen kennen inwendige bevruchting en zijn levendbarend. De jongen worden niet uit een ei geboren maar ontwikkelen zich in de moeder, in een baarmoeder. Sommige vissoorten, reptielen, amfibieën en slakken zijn ook levendbarend.
De student kan uitleggen wat met eierleggend en levendbarend bedoeld wordt en bij welke diergroepen dit voorkom.

Slide 43 - Tekstslide

Broedzorg en aantallen 
Heel veel eieren = minder broedzorg
Vissoorten en amfibieën kennen vaak geen broedzorg
Weinig eieren of levendbarend = vaak wel broedzorg. 

Bij prooidieren worden er meer nakommelingen voortgebracht dan bij roofdieren of dieren aan de top van de voedselpiramide.
De student kan uitleggen wat broedzorg en aantal nakomelingen met elkaar te maken hebben.

Slide 44 - Tekstslide

Broedzorg en aantallen 
Als er minder nakommelingen per keer zijn en de draagtijd toeneemt, dan zullen de ouders meer investeren in het grootbrengen en beschermen van de jongen.
De student kan uitleggen wat broedzorg en aantal nakomelingen met elkaar te maken hebben.

Slide 45 - Tekstslide

Nestvlieders en nestblijvers
Bij vogels en zoogdieren onderscheiden we nestvlieders en nestblijvers.
Jongen van nestvlieders worden 'buiten' geboren, hebben bij de geboorte al haren of (dons) veren en de ogen zijn open. Voorbeelden zijn hazen- en reeënjongen en weidevogels. Op het nest blijven is erg riskant. Nestvlieders kunnen vrijwel meteen lopen. 
Nestblijvers, jongen die 'binnen' worden geboren ( in holen, onder dakpannen of in nestkastjes) zijn bij de geboorte meestal kaal en blind en kunnen nog niet lopen. Ze blijven enige tijd binnen. Veel vogels en bijvoorbeeld konijnen.
De student kan uitleggen wat bedoeld wordt met de termen (1) nestvlieders en (2) nestblijvers en diersoorten noemen die als voorbeeld voor deze termen kunnen worden genomen. 

Slide 46 - Tekstslide

Voedsel
Herbivoren - planteneters
Carnivoren - vleeseters
Omnivoren - alleseters

Slide 47 - Tekstslide

De student kan de verschillen tussen het gebit van een vleeseter, planteneter en alleseter benoemen en toelichten met het oog op de functie van de verschillende gebitsonderdelen.
Carnivoren ( vleeseters)
  • knipkiezen met scherpe punten.
  • knipkiezen van bovenkaak en onderkaak glijsen hierbij als een schaar langs elkaar heen.

Herbivoren (planteneters)
  • grote, platte kiezen waarop een scherpe richels zitten, plooikiezen. 
  • als ze de kiezen van de boven- en onderkaak langs elkaar wrijven,  kunnen ze taaie plantaardige vezels stukmaken en fijnmalen.

Slide 48 - Tekstslide

De student kan de verschillen tussen het gebit van een vleeseter, planteneter en alleseter benoemen en toelichten met het oog op de functie van de verschillende gebitsonderdelen
Omnivoren ( alleseters)
  • een gebit dat is aangepast aan het eten van zowel plantaardig voedsel als vlees. 
  • De voortanden zijn beitelvormig voor het afhappen van voedsel. 
  • De vaak duidelijk aanwezige hoektanden scheuren het voedsel af. 
  • De kiezen breken en malen het voedsel en worden ook wel knobbelkiezen genoemd.

Slide 49 - Tekstslide

Zintuigcellen 
  • Feromonen ( geurstoffen) om een partner te interesseren.
  • Geurvlag....indringende urinelucht om territorium te markeren.
  • Gezang van vogels om partner te vinden en territorium af te bakenen.
  • Vliegen en vlinders proeven met hun voorpoten.
  • Slang voelt trillingen maar kan niet echt horen.

De student kan verschillende zintuigcellen benoemen en voorbeelden herkennen bij verschillende organismen.

Slide 50 - Tekstslide

Schutkleur
De student kan voorbeelden herkennen bij dieren van schutkleur, alarmkleur, mimicry en opvallen als gevolg van sekseverschillen.

Slide 51 - Tekstslide

Alarmkleur
blz 104-105 
De student kan voorbeelden herkennen bij dieren van schutkleur, alarmkleur, mimicry en opvallen als gevolg van sekseverschillen

Slide 52 - Tekstslide

Mimicry
Een ongevaarlijk dier doet zich voor als een gevaarlijke of giftige soort.
De student kan voorbeelden herkennen bij dieren van schutkleur, alarmkleur, mimicry en opvallen als gevolg van sekseverschillen.

Slide 53 - Tekstslide

Sekseverschillen
blz 105-106
De student kan voorbeelden herkennen bij dieren van schutkleur, alarmkleur, mimicry en opvallen als gevolg van sekseverschillen

Slide 54 - Tekstslide

Seizoenen overleven
Dieren kunnen ongunstige omstandigheden (te droog in de zomer,  te koud en/of geen voedsel in de winter) overleven door:
  • Weg te gaan: bijvoorbeeld vogels en sommige insecten die wegtrekken
  • In volledige winterslaap te gaan bijvoorbeeld egels, vleermuizen, kikkers en sommige vlinders
  • In onvolledige winterslaap (soms nog wel op pad uit om te eten) zoals eekhoorns
  • in zomerslaap bijvoorbeeld slakken als het te droog is in de zomer
De student kan verschillende voorbeelden herkennen van manieren waarop dieren seizoenen overleven (trek, overwinteren, winterslaap). 

Slide 55 - Tekstslide