NK, Kapitel 2, les 3, week 44

Heute ist Donnerstag der 29. Oktober
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1,2

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Heute ist Donnerstag der 29. Oktober

Slide 1 - Tekstslide

Lernziel(e)
  • Je kunt het persoonlijk voornaamwoord als onderwerp en lijdend voorwerp gebruiken.
  • Je kunt het persoonlijk voornaamwoord als onderwerp en meewerkend voorwerp gebruiken.





Slide 2 - Tekstslide

Programma:
* Grammatica Kapitel 2
* huiswerk nakijken
* zelfstandig werken

Slide 3 - Tekstslide

Was haben wir in der letzten Stunde gemacht?
Was haben wir in der letzten Stunde gemacht?

Slide 4 - Tekstslide

Neue Grammatik Kapitel 2 !
Je kunt het pers.voorn.wrd gebruiken als:
* onderwerp (1e nv)
* meewerkend voorwerp (3e nv)
* lijdend voorwerp (4e nv)

Slide 5 - Tekstslide

Stappenplan voor juiste naamval
Stap 1: 
Zoek naar een voorzetsel in de zin (dit heb jij al geleerd, namelijk de voorzetsels van de 3e en de 4e naamval) 

Stap 2: 
Als er geen voorzetsel is, ontleed je de zin: je kijkt of er sprake is van een onderwerp, meewerkend voorwerp of lijdend voorwerp 


Slide 6 - Tekstslide




Stap 1 : de voorzetsels

Slide 7 - Tekstslide

Voorzetsels 4e naamval

Slide 8 - Tekstslide

De voorzetsels van de 4e naamval

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

voorzetsels die de 3e naamval  krijgen:
aus                         uit
bei                          bij
mit                         met
nach                     naar (bij steden, landen)
seit                        sinds
von                        van / door (bij personen)
zu                          naar (bij personen)



Slide 11 - Tekstslide




Stap 2: ontleden

Slide 12 - Tekstslide

onderwerp = 1e naamval

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

meewerk.vw = 3e naamval

Slide 15 - Tekstslide

lijdend vw = 4e naamval

Slide 16 - Tekstslide

Oefening
Der Mann kauft Blumen für dich.
(de man koopt bloemen voor jou)

  1. Staat hier een voorzetsel in de zin? 
  2. Wat is hier de 1e naamval (het onderwerp) & waarom? 
  3. Wat is hier de 3e naamval (meew.voorwerp) & waarom?
  4. Wat is hier de 4e naamval (lijdend voorwerp)? 

Slide 17 - Tekstslide

Doe altijd hetzelfde!
Staat er een voorzetsel?
Ja --> kies dan meteen de juiste naamval 
nee --> ga ontleden en vind de juiste naamval

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Huiswerk nakijken
D Lesen, Aufg. 15, 16, 17 in je BOEK
E Grammatik, Aufg. 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, in je BOEK

Slide 20 - Tekstslide

Aufgabe 15
a) De teksten leggen feiten over ons lichaam uit.
b1)  Unsere Stimmung verbessert sich.
     Wir können uns besser konzentrieren.
     Wir können Krankheiten besser abwehren.
  2) C
  3)  1 wel
       2 wel
       3 wel
       4 wel
       5 niet




Slide 21 - Tekstslide

Aufgabe 15 
4 B
5 D

C eigen antwoord : : Ik wist niet dat we meer zuurstof opnemen als we lachen. 


Slide 22 - Tekstslide

Aufgabe 16
1 verhindern
2 das Herz
3 Das Gehirn
4 ebenfalls
5 Laune
6 anstecken
7 der Muskel




Slide 23 - Tekstslide

Aufgabe 17

1 aber
2 dass
3 ob
4 wenn
5 Weil

Slide 24 - Tekstslide

Zelfstandig aan het werk = weektaak
1. m. oefenblad ontleden 

Klaar?
2. m. K2, E-> Aufg. E->Aufg. 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24



Slide 25 - Tekstslide

Aufgabe 19 (stap 1)
1. ( für) mich
2. (ohne) ihn
3. (gegen) euch
4. (um) sie
5. (für) uns
6. (durch) dich

Slide 26 - Tekstslide

Aufgabe 20

Slide 27 - Tekstslide

Aufgabe 21

Slide 28 - Tekstslide

Aufgabe 22

Slide 29 - Tekstslide

Aufgabe 23
1 Wir haben einen Termin. Kann der Arzt uns jetzt empfangen?
2 Frau Römer und Peter? Gehen Sie bitte ins Zimmer 3.
3 Hallo, Peter, ich habe dich lange nicht gesehen.
4 Was ist los? Hast du Fieber?
5 Seit gestern habe ich starke Halsschmerzen.
6 Ich muss zur Arbeit. Fährst du mit Papa zur Apotheke? Er bringt dich mit dem Auto hin.

Slide 30 - Tekstslide

Aufgabe 24 (stap 1)
1. (nach) euch
2. (bei) ihnen
3. (mit) uns
4. (zu) mir
5. (von) ihm

Slide 31 - Tekstslide

Aufgabe 25 (stap 2)
a. hun = ihnen       haar = ihr        mij = mir
                                                     jou = dir

b. De 3e naamval of Dativ gebruik je als het persoonlijk voornaamwoord meewerkend voorwerp is van de zin. 

Slide 32 - Tekstslide

Welke naamval hoort bij het lijdend voorwerp?
A
1ste naamval
B
2de naamval
C
3de naamval
D
4de naamval

Slide 33 - Quizvraag

Welke naamval hoort bij het meewerkend voorwerp?
A
1ste naamval
B
2de naamval
C
3de naamval
D
4de naamval

Slide 34 - Quizvraag

Hoe vind je het onderwerp in een zin?
A
zin vragend maken
B
wie / wat + pv
C
wie / wat + onderwerp + gezegde
D
aan wie / voor wie

Slide 35 - Quizvraag

Hoe vind je het lijdend voorwerp in een zin?
A
zin vragend maken
B
wie / wat + pv
C
wie / wat + onderwerp + gezegde
D
aan wie / voor wie

Slide 36 - Quizvraag

Hoe vind je het meewerkend voorwerp in een zin?
A
zin vragend maken
B
wie / wat + pv
C
wie / wat + onderwerp + gezegde
D
aan wie / voor wie

Slide 37 - Quizvraag

Zelfstandig aan het werk 
1. E Grammatik, Aufg. 26, 27, 28, 29, 30 BOEK
2. F Sprechen->Aufg. 33, 34, 36, Online


Slide 38 - Tekstslide

Hausaufgaben
1. E Grammatik, Aufg. 26, 27, 28, 29, 30 BOEK
2. F Sprechen->Aufg. 33, 34, 36, Online
3. l. Lernliste Niederländisch – Deutsch S.90
4. Lernliste Deutsch – Niederländisch S.91







Slide 39 - Tekstslide

Zelfstandig aan het werk = weektaak
1. Maak in je boek van Kapitel 1, E Grammatik -> 
    Aufg. 15, 16, 18, 19, 20, 21, 22, 23

2. Maak online van Kapitel 1, C Hören -> Aufg. 10 , 11

3. Leer de werkwoorden haben en sein in de VT
    Leer het werkwoord werden in de TT


Slide 40 - Tekstslide