Duits

Familie en jezelf in het Duits

1 / 31
volgende
Slide 1: Slide
newEditorDuitsMiddelbare schoolSpeciaal Onderwijsvmbo t, havoLeerroute VTLeerroute HLeerroute 2Leerroute 1

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Familie en jezelf in het Duits

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel

Ik kan mezelf, mijn familie en mijn vrienden in het Duits voorstellen en eenvoudig beschrijven.

Deze slide heeft geen instructies

Welke Duitse woorden over familie of jezelf ken je al?

Gebruik de woordwolk om voorkennis te activeren. Vraag eventueel door naar woorden als ich, Familie, Mutter, Bruder of heiße.

Jezelf voorstellen

Met deze zinnen vertel je basisinformatie over jezelf in het Duits:


  • Ich heiße ... / Mein Name ist ...

  • Ich bin ... Jahre alt.

  • Ich komme aus ...

  • Ich wohne in ...

  • Meine Telefonnummer ist ...

Benadruk dat leerlingen vaste zinnen leren die ze meteen kunnen gebruiken in spreken en schrijven.

Vragen over jezelf

Veelgebruikte vragen zijn:


  • Wer bist du?

  • Wie heißt du?

  • Wie alt bist du?

  • Woher kommst du?

  • Wo wohnst du?

Wijs erop dat vraag en antwoord samen geleerd moeten worden.

sein: ik ben, jij bent...

Het werkwoord sein gebruik je bij naam, leeftijd en wooninformatie.


  • ich bin

  • du bist

  • er ist

  • sie ist

  • wir sind

  • ihr seid

  • sie sind / Sie sind

Leg kort uit dat Sie de beleefdheidsvorm is en altijd met een hoofdletter wordt geschreven.

Voorbeelden met sein

Zo gebruik je sein in hele zinnen:


  • Ich heiße Max und ich bin zwölf Jahre alt.

  • Ich bin aus Münster.

  • Ich wohne in Münster.

  • Sie sind Frau Kramer.

  • Er ist Paul.

'Ich wohne' gebruikt formeel het werkwoord wohnen, maar leerlingen zien hier hoe persoonlijke informatie samenhangt in eenvoudige zinnen.

Welke vraag past bij het antwoord: Ich bin zwölf Jahre alt.

A

Wo wohnst du?

B

Wie alt bist du?

C

Wie heißt du?

D

Woher kommst du?

Controleert of leerlingen vraag en antwoord kunnen koppelen uit de slides over jezelf voorstellen.

Vul de juiste woorden in

Hallo! Ich heiße Amir. Ich bin dreizehn Jahre alt. Ich komme aus Utrecht und ich wohne in Zeist.

heiße
bin
komme aus
wohne in
heißt
bist
komme in
bin aus

De zinnen sluiten direct aan bij de vaste chunks uit de eerste subtopic.

Familieleden noemen

Belangrijke woorden voor familie:


  • der Vater = vader

  • die Mutter = moeder

  • der Bruder = broer

  • die Schwester = zus

  • die Eltern = ouders

  • die Großeltern = grootouders

  • die Geschwister = broers en zussen

Houd de focus op de kernwoorden die leerlingen direct nodig hebben voor voorstellen en beschrijven.

Meer familiewoorden

Nog meer woorden:


  • der Opa / die Oma

  • der Onkel / die Tante

  • der Cousin / die Cousine

  • das Kind

  • die Familie

Je kunt hier kort wijzen op hoofdletters bij zelfstandige naamwoorden in het Duits.

Wie is dat?

Met deze zinnen stel je familieleden of vrienden voor:


  • Wer ist das?

  • Das ist mein / meine ...

  • Das sind unsere ...

  • Wie heißt dein / deine ...?

  • Er / Sie heißt ...

  • Sein / Ihr Name ist ...

Noem eventueel dat 'mein' en 'meine' afhangen van het woord dat erna komt, maar ga nog niet diep op naamvallen in.

Waar woont hij of zij?

Je kunt ook iets over woonplaats zeggen:


  • Wo wohnt dein / deine ...?

  • Er wohnt in ...

  • Sie wohnt in ...


Voorbeeld:

Meine Großeltern wohnen in Vleuten.

Laat zien dat enkelvoud en meervoud verschillen: wohnt tegenover wohnen.

Hebben: haben

Met haben zeg je wat je hebt.


  • ich habe

  • du hast

  • er hat

  • sie hat

  • wir haben

  • ihr habt

  • sie haben / Sie haben

Koppel dit direct aan familie: je hebt broers, zussen of een gezin.

Broers en zussen

Handige zinnen:


  • Hast du Geschwister?

  • Ja, ich habe ...

  • Nein, ich habe keine Geschwister.

  • Ich habe vier Geschwister.


Geschwister betekent: broers en zussen.

Benadruk het verschil tussen kein/keine voor ontkenning bij een zelfstandig naamwoord.

Wat betekent Geschwister?

A

grootouders

B

ouders

C

broers en zussen

D

ooms en tantes

Distractors komen uit andere familiewoorden op de vorige slides.

Vul de familiewoorden in

Das ist meine Mutter und das ist mein Bruder. Meine Großeltern wohnen in Vleuten. Ich habe keine Geschwister.

Mutter
Bruder
Großeltern
Geschwister
Vater
Schwester
Familie
Eltern

Laat leerlingen goed letten op enkelvoud/meervoud en de betekenis van de woorden.

Familie beschrijven

Met eenvoudige woorden beschrijf je iemand:


  • jung = jong

  • groß = groot/lang

  • klein = klein

  • nett = aardig

  • schön / hübsch = mooi

Bespreek dat sommige woorden meer over uiterlijk gaan en andere over karakter.

Leeftijd en eigenschap

Je kunt naam, leeftijd en eigenschap combineren:


  • Meine kleine Schwester heißt Saskia.

  • Sie ist sehr nett.

  • Er ist jung.

  • Meine Freundin ist zwölf Jahre alt.


Zo maak je je beschrijving duidelijker.

Wijs op sehr als versterking: heel aardig = sehr nett.

Over jezelf en je familie schrijven

In een kort tekstje noem je vaak:


  • naam

  • leeftijd

  • woonplaats

  • gezin of broers en zussen

  • een eigenschap van iemand


Zo ontstaat een eenvoudige persoonlijke tekst.

Maak expliciet dat dit dezelfde bouwstenen zijn als bij spreken: dezelfde woorden, maar dan in een lopend tekstje.

Voorbeeldtekst

Lieber Linus,


Ich heiße Max und ich bin zwölf Jahre alt. Ich wohne mit meiner Familie in Münster. Ich habe vier Geschwister. Meine kleine Schwester heißt Saskia. Sie ist sehr nett. Meine Großeltern wohnen in Vleuten.


Liebe Grüße

Gebruik deze slide om de vaste zinnen uit de les terug te laten zien in één samenhangende tekst.

Zo bouw je een tekst op

Een handige volgorde is:


  • Ich heiße ...

  • Ich bin ... Jahre alt.

  • Ich wohne in ...

  • Ich habe ... Geschwister.

  • Mein / Meine ... heißt ...

  • Er / Sie ist ...

Dit is een schrijfsteun: eerst ikzelf, daarna familie, daarna een beschrijving.

Welke zin beschrijft iemand met een eigenschap?

A

Sie ist sehr nett.

B

Ich habe vier Geschwister.

C

Er wohnt in Münster.

D

Wie heißt dein Bruder?

Toetst het verschil tussen beschrijven, vertellen, vragen en woonplaats noemen.

Maak de tekst compleet

Ich heiße Max und ich bin zwölf Jahre alt. Ich wohne mit meiner Familie in Münster. Ich habe vier Geschwister. Meine kleine Schwester heißt Saskia. Sie ist sehr nett.

Familie
habe
nett
Freundin
bin
jung
wohnt

Gebaseerd op de voorbeeldtekst; controleert kernwoorden uit de laatste subtopic.

Wat zet jij eerst in je Duitse tekstje?

Verwachte elementen: een vaste volgorde zoals naam, leeftijd, woonplaats, broers/zussen en daarna een familielid met eigenschap.

Welk Duits woord onthoud jij het best?

Reflectie zonder goed of fout. Mogelijke antwoorden gaan over familieleden, jezelf voorstellen, sein, haben of beschrijvende woorden.

Wat vond je vandaag het lastigst?

Reflectie zonder goed of fout. Laat leerlingen benoemen wat lastig was, bijvoorbeeld mein/meine, sein of familiewoorden.

Wat hielp jou om de woorden te leren?

Reflectie zonder goed of fout. Gebruik antwoorden om de volgende les te starten met herhaling of extra oefening.

Woordenlijst

ich heiße - ik heet

mein Name ist - mijn naam is

ich bin ... Jahre alt - ik ben ... jaar oud

ich wohne in - ik woon in

sein - zijn

haben - hebben

Geschwister - broers en zussen

Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

der Vater - de vader

die Mutter - de moeder

der Bruder - de broer

die Schwester - de zus

die Eltern - de ouders

die Großeltern - de grootouders

die Familie - het gezin / de familie

Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

wer ist das - wie is dat

das ist mein / meine - dat is mijn

wie heißt dein / deine - hoe heet jouw

wo wohnt - waar woont

nett - aardig

jung - jong

klein - klein

Deze slide heeft geen instructies