Bewegingsstelsel skelet/spieren

Les Bewegingsstelsel

Mini escaperoom
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
VerzorgingMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 16 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Les Bewegingsstelsel

Mini escaperoom

Slide 1 - Tekstslide

Waar hebben we het voor de vakantie over gehad?

Slide 2 - Tekstslide

Nog even terugkomen op:
Hoe snel wordt zuurstof opgenomen?

-> In de longen (opname in het bloed)
Wanneer je inademt:

Lucht komt in de longblaasjes (alveoli)
Zuurstof gaat direct naar het bloed
Binnen ongeveer 0,25 seconde is zuurstof vanuit de longblaasjes opgenomen in het bloed.
(Bloed blijft ongeveer 0,75 seconde langs een longblaasje stromen, dus opname is heel snel en efficiënt.)

Slide 3 - Tekstslide

Van longen naar je linker teen
Na opname in het bloed:

Zuurstof bindt zich aan hemoglobine
Het hart pompt het zuurstofrijke bloed het lichaam in
Gemiddelde circulatietijd in rust: ongeveer 20–30 seconden
Dat betekent dat bloed in ongeveer een halve minuut een rondje door het lichaam maakt.

Dus zuurstof kan binnen ongeveer 20 seconden je linker teen bereiken.

Bij inspanning gaat dit sneller.

Slide 4 - Tekstslide

De opname is niet langzamer bij gewone ademhaling dan bij zuurstof via een bril

Het verschil zit in de hoeveelheid zuurstof die wordt aangeboden, niet in de snelheid van transport

Het lichaam transporteert zuurstof altijd even snel; het hart bepaalt de circulatiesnelheid

Slide 5 - Tekstslide

Waarom stijgt de saturatie soms langzaam bij een zuurstofbril?
De snelheid van opname is hetzelfde

Zuurstof gaat in de longblaasjes binnen fracties van seconden het bloed in.

Dat gebeurt even snel bij gewone lucht als bij zuurstof via een bril.

Het verschil zit dus niet in de snelheid van opname, maar in wat er in de longen gebeurt.

Slide 6 - Tekstslide

Waarom stijgt de saturatie soms langzaam?
Dat komt meestal door één van deze (3) oorzaken:

 1. Slechte gaswisseling in de longen
Bijvoorbeeld bij: 
COPD
Longontsteking
Longembolie
Vocht in de longen

De zuurstof kan dan minder goed van longblaasje -> bloed.
Meer zuurstof aanbieden helpt, maar de beschadigde long vertraagt het effect.

Slide 7 - Tekstslide

2. Slechte circulatie
Bij lage bloeddruk of shock:
Het hart pompt minder effectief
Zuurstof bereikt weefsels minder goed

3. Lage ademhaling
Als iemand oppervlakkig ademt:
Komt de zuurstof niet goed diep in de longen
Duurt het langer voordat de saturatie stijgt

Slide 8 - Tekstslide

MINI ESCAPEROOM  (3-4 tallen)
Benodigde informatie / casus: 

Een cliënt is gevallen. Hij kan zijn arm niet goed bewegen en klaagt over rugpijn. 
Jullie zijn het zorgteam. Om de juiste zorg te kunnen geven, moeten jullie kennis van het bewegingsstelsel toepassen.

Jullie krijgen 4 opdrachten. Elke opdracht levert één cijfer op. Samen vormen de cijfers een 4-cijferige code.

Slide 9 - Tekstslide

SPELREGELS

• Werk in groepjes van 3-4 studenten.
• Overleg met elkaar.
• Gebruik je theorie (powerpoints en/of internet)
• Schrijf antwoorden op.
• Klaar? Lever de code in bij de docent.

Slide 10 - Tekstslide

OPDRACHT 1 – HET SKELET

1. Noem de vier functies van het skelet.
…………………………………………………….
…………………………………………………….
 …………………………………………………….
…………………………………………………….
Codevraag: Hoeveel functies heeft het skelet?
Cijfer 1: _______

Slide 11 - Tekstslide

OPDRACHT 2 – SOORTEN BOTTEN

Geef aan tot welke soort bot elk voorbeeld behoort:
Schouderblad: ___________________________ Wervel: _________________________________ Handwortelbeentje: _______________________ Dijbeen: _________________________________
Codevraag: Hoeveel soorten botten worden er in totaal onderscheiden?
Cijfer 2: _______

Slide 12 - Tekstslide

OPDRACHT 3 – GEWRICHTEN

1. Noem drie soorten botverbindingen.
…………………………………………………….
 …………………………………………………….
…………………………………………………….
2. Welk type gewricht zit in de elleboog?
…………………………………………………….
Codevraag: Hoeveel soorten gewrichten zijn er volgens de theorie?
Cijfer 3: _______

Slide 13 - Tekstslide

OPDRACHT 4 – SPIEREN IN ACTIE
Casus: De cliënt kan zijn arm niet goed buigen.

1. Welke spier zorgt voor het buigen van de arm?
…………………………………………………….
2. Hoe noem je spieren die tegengesteld werken?
…………………………………………………….
3. Wat is de term voor afname van spiermassa door bedrust?
…………………………………………………….
Codevraag: Hoeveel soorten spierweefsel zijn er?
Cijfer 4: _______

Slide 14 - Tekstslide




Vul hier jullie volledige code in:
CODE: ______ - ______ - ______ - ______

Slide 15 - Tekstslide

Huiswerk: Thieme Meulenhoff (Traject) 
Maken verwerkingsopdrachten (om te oefenen)
Inleveren: Zelftoets (minimaal 75%)

Volgende week verder met: 
"Afweersysteem"
- graag lezen theorie in Thieme -

Slide 16 - Tekstslide