feiten, meningen en argumenten

WELKOM BIJ NEDERLANDS
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 2

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

WELKOM BIJ NEDERLANDS

Slide 1 - Tekstslide

Heb je de telefoon in de telefoontas?

Slide 2 - Tekstslide

DOEL

Aan het einde van de les kan je meningen, feiten, standpunten en argumenten in een tekst herkennen.  

Slide 3 - Tekstslide

WAT IS HET VERSCHIL?
FEIT
- controleerbaar 
- let op: niet iets wat 
per se waar is.
MENING
- je vindt ergens iets van
- je kunt het ermee eens of oneens zijn
- ik vind...
- volgens mij... 

Tekst
Tekst

Slide 4 - Tekstslide

Feiten & meningen
Wat is een feit? En wat is een mening?
FEIT
MENING
Turnen is een gave sport
Het aantal calorieën in een Snickers is 321
Een iPhone 13 kost bij bol.com 810 euro. 
Het familieweekend in de Ardennen vond ik erg gezellig. 
Dat is duur!
Van regen word je nat.

Slide 5 - Sleepvraag

ARGUMENT
Bij een mening hoort een argument.

Met een argument leg je uit waarom je iets vindt. 

Een argument begint bijvoorbeeld met: omdat, want, daarom 

Slide 6 - Tekstslide

Feit, mening, of argument?
Chocolade is lekker.
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 7 - Quizvraag

Feit, mening of argument?

'...want het is een veelzijdig vak.'
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 8 - Quizvraag

Feit, mening of argument?

Omdat ik morgen naar de tandarts moet.
A
Feit
B
Mening
C
argument

Slide 9 - Quizvraag

Feit, mening of argument?

Omdat hij goede standpunten heeft.
A
Feit
B
Mening
C
Argument

Slide 10 - Quizvraag

Feit, mening of argument?

Koken is moeilijk.
A
feit
B
mening
C
argument

Slide 11 - Quizvraag

Aan de slag.
Pak je boek op blz 126 
maken: opdracht 1 t/m 6



Slide 12 - Tekstslide

Tot de volgende les!

Slide 13 - Tekstslide