4.0 Herhalingsquiz

Quiz "Veiligheid" en H4: Stoffen
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Quiz "Veiligheid" en H4: Stoffen

Slide 1 - Tekstslide

Wat is het doel van filtreren?
A
Het bezinken van deeltjes
B
Het uittrekken van stoffen uit een mengsel
C
Het scheiden van vaste stoffen en vloeistoffen
D
Het verdampen van vloeistoffen

Slide 2 - Quizvraag

Wat is geen voorbeeld van filtreren
A
Thee zetten
B
Koffie maken
C
Pasta afgieten
D
Het tegenhouden van gif in een gasmasker

Slide 3 - Quizvraag

Je kunt een oplossing indampen.

Als je een oplossing indampt:

A
houd je de oplossing over
B
laat je de opgeloste stof verdampen.
C
houd je het oplosmiddel over.
D
laat je het oplosmiddel verdampen.

Slide 4 - Quizvraag

Wat betekent KCA
A
Klein Chemisch Afval
B
Koper, Chloor en Aluminium afval
C
Kortbestaand Chemisch Afval
D
Kleine Chemische Aanwinst

Slide 5 - Quizvraag

Wat is de eerste handeling om een brander veilig aan te zetten.
A
De gasregelknop een beetje opendraaien
B
De gaskraan open zetten voordat de brander is aangesloten
C
Alleen de luchtschijf dicht zetten.
D
Controleren of de gasregelknop en de luchtschijf dicht staan

Slide 6 - Quizvraag

Hoe noem je zinnen die aangeven wat je moet doen om veilig met een gevaarlijke stof om te gaan.
A
V-zinnen
B
H-zinnen
C
P-zinnen
D
X-zinnen

Slide 7 - Quizvraag

Je bindt je lange haren vast in een knot.
A
veilig
B
niet veilig

Slide 8 - Quizvraag

Je proeft even aan de stof die je gebruikt.
A
veilig
B
niet veilig

Slide 9 - Quizvraag

Je schudt de reageerbuis met je duim bovenop de reageerbuisopening.
A
veilig
B
niet veilig

Slide 10 - Quizvraag

Wanneer je de brander niet gebruikt om iets te verhitten, staat deze op de
A
ruizende vlam
B
gele vlam
C
blauwe vlam
D
veilige vlam

Slide 11 - Quizvraag

Wat moet je niet doen bij een practicum in het lab?
A
Altijd een veiligheidsbril dragen
B
Lang haar in een staart dragen
C
Je tas onder de tafel opbergen
D
Je labjas dragen en dichtknopen

Slide 12 - Quizvraag

Tijdens het practicum gebruik je
A
pauze vlam
B
gele vlam
C
blauwe vlam
D
veilige vlam

Slide 13 - Quizvraag

Wat is de overeenkomst tussen het smeltpunt en het stolpunt van een stof?
A
Smelten en stollen vind plaats bij dezelfde temperatuur.
B
Smelten en stollen beginnen allebei met een s.
C
Smelten en stollen hebben geen overeenkomst.

Slide 14 - Quizvraag

Het kookpunt is afhankelijk van de luchtdruk. Welke luchtdruk is standaard?
A
100 mbar
B
1000 kPa
C
10 bar
D
1000 mbar

Slide 15 - Quizvraag

Dit symbool betekent:
A
corrosief
B
ontvlambaar
C
irriterend
D
ontplofbaar

Slide 16 - Quizvraag

Dit symbool betekent:
A
corrosief
B
milieugevaarlijk
C
schadelijk
D
explosief

Slide 17 - Quizvraag

Dit symbool betekent:
A
acuut gezondheidsgevaarlijk
B
lange termijn gezondheidsgevaarlijk

Slide 18 - Quizvraag

Wat is de betekenis
van dit symbool:
A
Schadelijke of irriterende stoffen
B
Giftige stoffen
C
Corrosieve stoffen
D
Gevaar voor de gezondheid

Slide 19 - Quizvraag

Dit symbool betekent:
A
schadelijk
B
giftig
C
brandbaar
D
onhoudbaar

Slide 20 - Quizvraag

Dit symbool betekent:
A
licht ontvlambaar
B
corrosief
C
giftig
D
explosief

Slide 21 - Quizvraag

Dit symbool betekent:
A
brandbevorderend
B
licht ontvlambaar
C
onbrandbaar
D
corrosief

Slide 22 - Quizvraag

Welk pictogram is voor 'Licht ontvlambaar'?
A
B
C
D

Slide 23 - Quizvraag

Een H-zin geeft aan voor welk gevaar je moet oppassen.
(H = hazard)
A
waar
B
niet waar

Slide 24 - Quizvraag

Een P-zin geeft aan welke voorzorgsmaatregelen je moet nemen als je met een stof gaat werken.
A
waar
B
niet waar

Slide 25 - Quizvraag

Wat betekent dit pictogram?
A
behandelen als gft
B
behandelen als kca
C
gooi alles in het restafval

Slide 26 - Quizvraag

Wat is een ontledingsreactie?
A
Een reactie zonder stoffen
B
Een reactie die verbindingen splitst
C
Een explosieve chemische reactie
D
Een reactie die energie produceert

Slide 27 - Quizvraag

Wat is een verbrandingsreactie?
A
Een reactie zonder producten
B
Een reactie met zuurstof en brandstof
C
Een reactie die geen warmte genereert
D
Een reactie die alleen water produceert

Slide 28 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen ontleding en verbranding?
A
Beide zijn alleen fysische processen
B
Ontleding splitst, verbranding verbrandt stoffen
C
Verbranding splitst stoffen
D
Ze zijn identiek

Slide 29 - Quizvraag