In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Lesduur is: 45 min
Onderdelen in deze les
QUIZ LOGISTIEK
Slide 1 - Tekstslide
Welke Incoterm® heeft zijn voorkeur voor de koper?
A
CPT
B
Ex works
C
DDP
D
Free Carrier
Slide 2 - Quizvraag
De ritten van de vrachtwagens naar het distributiecentrum zijn interne logistiek.
A
onjuist
B
juist
Slide 3 - Quizvraag
De externe logistiek is een onderdeel van de supply chain.
A
juist
B
onjuist
Slide 4 - Quizvraag
Wat is belangrijk voor een bedrijf?
A
Incidentele administratie
B
Onderverzekerd zijn
C
Veel personeel
D
Goed verzekerd zijn tegen risico’s
Slide 5 - Quizvraag
Wat is een aandachtspunt bij interne logistiek?
A
externe transport
B
voorraadbeheer
C
Beperkte robotisering
D
Heftruck
Slide 6 - Quizvraag
Je gaat voor het magazijn een voorstel maken voor de aanschaf van een hoogwerker. De kosten voor de verzekering van de hoogwerker neem je mee in je voorstel. Welke verzekering is dat in dit geval?
A
transportverzekering
B
opstalverzekering
C
inventarisverzekering
D
risicoverzekering
Slide 7 - Quizvraag
Is een steekproef een kwantitatieve of kwalitatieve controle?
A
Ja, het is kwantitatief.
B
Het kan beide zijn.
C
Nee, het is een kwalitatieve controle.
D
Geen van beide
Slide 8 - Quizvraag
Welke functie van een informatiesysteem voor het beheren van de voorraad klopt NIET?
A
Wie het product heeft gekocht
B
Grootte v/d voorraad
C
Informatie over de artikelen geven
D
Lokaliseren van de producten (wat ligt waar)
Slide 9 - Quizvraag
Wat betekent een omzetduur van 25 dagen?
A
Voorraad blijft 25 dagen ongebruikt
B
Omzet verandert elke 25 dagen
C
Gemiddelde voorraad is 25 dagen oud
D
Gemiddelde voorraad verkocht in 25 dagen
Slide 10 - Quizvraag
Met welk document controleert de ondernemer bestellingen?
A
Voorraadlijst
B
Verzendbewijs
C
Factuur
D
Pakbon
Slide 11 - Quizvraag
Wie moet vennootschapsbelasting aangifte doen?
A
Vennootschap Onder Firma
B
Een BV
C
Een vereniging
D
Een eenmanszaak
Slide 12 - Quizvraag
Welke geldstroom is er bij contant afrekenen?
A
Financierings-geldstroom
B
Betaling van leveranciers
C
Kredietverlening
D
Operationele geldstroom
Slide 13 - Quizvraag
Kees heeft een winkel met een klein magazijn. De levertijd gaat bij een van zijn leveranciers van twee werkdagen naar zes werkdagen. Welke consequentie kan dit Kees opleveren?
A
slechtere kwaliteit van producten
B
Hogere kosten voor verzending
C
Mogelijk verlies van omzet
D
Meer tijd voor administratie
Slide 14 - Quizvraag
Een ondernemer geeft aan dat de opslagduur van de voorraad 45 dagen is. Wat betekent dit?
A
De voorraad moet na 45 dagen uit het magazijn zijn
B
De voorraad is gemiddeld na 45 dagen verkocht
C
Na 45 dagen is de voorraad niet meer verkoopbaar
D
Na 45 dagen loopt het huur contact af (magazijn).
Slide 15 - Quizvraag
Een ondernemer merkt dat zijn omzetduur toeneemt: van 30 dagen gaat dit in een half jaar naar 45 dagen. Welk gevolg kan dit voor de ondernemer hebben? Noem één juiste reden.