Wiederholung 3 Modalverben

Modalverben 
Seite 284/285  8.1 / 9/.1 / 10.1

1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Modalverben 
Seite 284/285  8.1 / 9/.1 / 10.1

Slide 1 - Tekstslide

Wiederholung
Ihr könnt am ende dieser Stunde die Modalverben im Präsens  konjugieren.

Slide 2 - Tekstslide

Weißt du es noch?

Slide 3 - Tekstslide

Betekenis ...
  • dürfen   (= mogen)
  • können (= kunnen)
  • mögen  (= lusten, lekker vinden, houden van)
  • müssen (= moeten als noodzaak)
  • sollen  (= moeten als wens van een ander, bevel)
  • wollen  (= willen)
  • möchten (= zou graag willen)
  • (wissen = weten - geen modaal ww, maar net zo vervoegd)

Slide 4 - Tekstslide

Wat is er nu anders?
             zwak werkwoord:            modaal  werkwoord 'können':
ich               wohn e                          ich                kann -
du                wohn st                         du                kann st
er/sie/es   wohn                           er/sie/es    kann -
wir               wohn en                        wir                könn en
ihr                wohn t                            ihr                könn t
sie/Sie       wohn en                         sie/Sie       könn en

Slide 5 - Tekstslide

möchten = zou graag willen
ich möchte
du möchtest
er/sie/es möchte
wir möchten
ihr möchtet
sie/Sie möchten

Slide 6 - Tekstslide

wissen = weten
ich weiß
du weißt
er/sie/es weiß
wir wissen
ihr wisst
sie/Sie wissen

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Nog meer oefenen kijk dan op....

Slide 9 - Tekstslide

Modalverben
Sehe den Film an über die Modalverben.

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Wat is het Modalverb in deze zin?
"Wij kunnen morgen niet naar school."

Slide 12 - Open vraag

Wat is het Modalverb in deze zin?
"Zij mogen geen snoep eten."

Slide 13 - Open vraag

Ich kann Deutsch sprechen.

Slide 14 - Tekstslide

Lisa mag einen Apfel.

Slide 15 - Tekstslide

Der Hund darf hier reingehen.

Slide 16 - Tekstslide

Möchten Sie etwas essen?

Slide 17 - Tekstslide

Paul will zu Lisa gehen.

Slide 18 - Tekstslide

Die Schüler wissen die Antwort.

Slide 19 - Tekstslide

Pia muss dringend zur Toilette.

Slide 20 - Tekstslide

"Du sollst deine Zähne putzen!"

Slide 21 - Tekstslide

Als het goed is, heb je 'müssen' en 'sollen' beide als 'moeten' vertaald. Maar wat is het verschil? 

 

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Wat denk jij: Wat is het verschil in betekenis tussen 'müssen' en 'sollen'?

Slide 24 - Open vraag

Waar moet je opletten bij het vervoegen van de Modalverben im Präsens?

Slide 25 - Open vraag

Jetzt du!
Übung macht den Meister.

(oefening baart kunst)

Slide 26 - Tekstslide

Ich (können) ……………. dir helfen.

Slide 27 - Open vraag

Er(wissen) …….. noch nicht so viel.

Slide 28 - Open vraag

Wir (wollen) ……… dich nicht stören.

Slide 29 - Open vraag

Du (dürfen) ……… heute früher nach Hause gehen.

Slide 30 - Open vraag

Er (müssen) …….. zeitig aufstehen.

Slide 31 - Open vraag

Ihr (können) …… es nicht sehen.

Slide 32 - Open vraag

Er (wollen) ……. nachher einkaufen gehen.

Slide 33 - Open vraag

Ich (dürfen) ……. es euch nicht sagen.

Slide 34 - Open vraag

Du (sollen) …….. den Abwasch machen.

Slide 35 - Open vraag

Ihr (sollen) ……... eure Hausaufgaben machen.

Slide 36 - Open vraag

Nog meer oefenen kijk dan op....

Slide 37 - Tekstslide

Das war es!

Ihr habt es super gemacht!


Slide 38 - Tekstslide