Levensloop H3 tm 3.19

Hoofdstuk 3 Inkomen en belasting
- Vragen over hoofdstuk 2?
- Hoofdstuk 3
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 3 Inkomen en belasting
- Vragen over hoofdstuk 2?
- Hoofdstuk 3

Slide 1 - Tekstslide

Arbeidsmarkt
  • Vragers : de werkgevers
  • Aanbieders : de mensen die een baan zoeken

Slide 2 - Tekstslide

Beroepsbevolking

  • mensen die kunnen & willen werken = beroepsbevolking
  • 1. iedereen die nu al werkt; 
  • 2. werklozen horen ook bij beroepsbevolking

Slide 3 - Tekstslide

Loonbelasting
Als je in loondienst werkt, houdt je werkgever op  jouw salaris loonbelasting in en maakt dat over een de belastingdienst. 

Slide 4 - Tekstslide

BOX 1

Slide 5 - Tekstslide

Loonbelasting
Hier zit 27,65% premie volksverzekeringen in
Premiegrens

Slide 6 - Tekstslide

Draagkrachtbeginsel
Draagkrachtbeginsel ‘de sterkste dragen de zwaarste lasten’.
→ mensen met meer inkomsten betalen meer.

progressieve belasting → draagkrachtbeginsel

Slide 7 - Tekstslide

(De)nivellering
Het verkleinen van inkomensverschillen noemen we nivellering
Het vergroten van inkomensverschillen noemen we denivellering 

Slide 8 - Tekstslide

Gemiddeld heffingstarief of belastingtarief




Percentage per verdiende euro afdracht aan de fiscus.

Slide 9 - Tekstslide

Het marginale heffingstarief
In de schijf waarin je laatst verdiende euro valt is je marginale tarief.

bijvoorbeeld:
Mevrouw A haar Bruto inkomen van €69000. Haar marginale tarief is 49,5%
Meneer B zijn bruto inkomen bedraagt € 68000. Zijn marginale tarief is 37,1%

Slide 10 - Tekstslide

Belastingstelsels 
  • Proportioneel belastingstelsel
  • Progressief belastingstelsel
  • Degressief belastingstelsel 

Slide 11 - Tekstslide

Primaire inkomens: 
deze worden verdiend in het productieproces

  • loon
  • pacht/huur
  • rente
  • winst

Slide 12 - Tekstslide

Overdrachtsinkomen
Voorbeelden van overdrachtsinkomen:
- kinderbijslag
- huurtoeslag
- zorgtoeslag
- alimentatie
- bijstand

Slide 13 - Tekstslide

Secundair inkomen

Primair inkomen + overdrachtsinkomen - belasting =

                                       secundair inkomen

Slide 14 - Tekstslide

Inkomensverdeling
Inkomensherverdeling in de Lorenz curve:

- Rode lijn: primaire inkomens
- Blauwe lijn: secundaire inkomens

Slide 15 - Tekstslide

Een daling van de gini-coëfficiënt geeft aan dat de verschillen kleiner worden. 
Een gini-coëfficiënt van 0? Dat kan, het inkomen is perfect gelijkmatig verdeeld.
Gini-coëfficiënt

Slide 16 - Tekstslide

Maken
Gezamenlijk 3.12 en 3.19. 
Rest is huiswerk tm 3.19

Slide 17 - Tekstslide

Belastingstelsels 
  • Proportioneel belastingstelsel
  • Progressief belastingstelsel
  • Degressief belastingstelsel 

Slide 18 - Tekstslide

Bij een progressief belastingstelsel
A
Betaalt iedereen evenveel belasting in euro's
B
Betaalt iedereen evenveel belasting in % van zijn inkomen
C
Betalen hogere inkomens meer belasting dan lagere inkomens
D
Betalen hogere inkomens in % meer belasting dan lagere inkomens

Slide 19 - Quizvraag

Wat is (alleen) waar bij een progressief belastingstelsel?
A
Naarmate het inkomen stijgt, betaal je meer belasting
B
Het gemiddelde tarief is gelijk aan het marginaal tarief
C
Het marginaal tarief is voor iedereen gelijk
D
Naarmate het inkomen stijgt, stijgt het gemiddelde belastingpercentage

Slide 20 - Quizvraag

Progressief belastingstelsel
Bij een progressief belastingstelsel moet er procentueel meer belasting betaald worden naarmate het inkomen stijgt.

Slide 21 - Tekstslide

Voorbeeld proportioneel belastingstelsel

Bij een proportioneel belastingstelsel betaalt iedereen hetzelfde percentage belasting.(Vlaktaks)


Slide 22 - Tekstslide

Wat is er niet waar bij het proportioneel belastingstelsel?
A
iedereen betaalt evenveel belasting
B
Het marginaal en het gemiddeld belastingtarief zijn gelijk aan elkaar
C
Het gemiddeld belastingtarief is voor iedereen gelijk
D
Het marginaal belastingtarief is voor iedereen gelijk

Slide 23 - Quizvraag

Degressief belastingstelsel
Bij een degressief belastingstelsel wordt er procentueel minder belasting betaald naarmate het inkomen stijgt.

Slide 24 - Tekstslide

Kijk naar de grafiek.
Wat geeft de Lorenz curve aan ?
A
de armste 30% van de mensen verdient 30% van het inkomen
B
de armste 30% van de mensen verdient 3% van het inkomen
C
de rijkste 70 % van de mensen verdient 40 % van het inkomen
D
de rijkste 30 % van de mensen verdient 60% van het inkomen

Slide 25 - Quizvraag

Bij een progressief belastingstelsel is het marginale heffingstarief ...
A
kleiner dan het gemiddelde heffingstarief.
B
even groot als het gemiddelde heffingstarief.
C
groter dan het gemiddelde heffingstarief

Slide 26 - Quizvraag

Voor welke verdeling is de Gini Coëfficiënt groter?
A
Primair inkomen
B
Besteedbaar inkomen

Slide 27 - Quizvraag

Wat is vraag naar arbeid?
A
Alle vraag en aanbod van arbeid.
B
Alle mensen die werk zoeken.
C
Mensen van 15 jaar tot pensioen die werken.
D
Alle vacatures bij werkgevers.

Slide 28 - Quizvraag

Wat wordt geregeld in een cao?
A
Loon
B
Loon en Vrije dagen
C
Loon en Onkosten vergoeding
D
Loon, vrije dagen en onkosten vergoeding

Slide 29 - Quizvraag

Nivellering van inkomens betekent dat
A
De werking van het belastingstelsel
B
Het verschil tussen hoge en lage inkomens in verhouding kleiner wordt.
C
Het verder weg bij de diagonaal teken van de lorenzcurve
D
Het verschil tussen hoge en lage inkomens in verhouding groter worden.

Slide 30 - Quizvraag

Heffingskorting is ...
A
De belasting in box 1 + box 3
B
Korting op je heffing
C
Korting op het bedrag dat je aan IB moet betalen
D
Mensen met een laag inkomen krijgen minder inkomen

Slide 31 - Quizvraag

Secundair inkomen =
A
Primair inkomen + belasting - uitkering
B
Primair inkomen - belasting - uitkering
C
Primair inkomen + uitkering - belasting
D
Primair inkomen + belasting + uitkering

Slide 32 - Quizvraag

Onderdelen Sylabus
Domein H
4.1 Gini-coëfficiënt en percentielenratio als maatstaven voor inkomensongelijkheid.
4.2 Maatstaven voor inkomen kunnen verschillen:
huishouden vs. individu; arbeidsinkomen vs. totaal inkomen (inclusief kapitaalinkomen en uitkeringen); primair en secundair inkomen.
4.4 Nivelleren en denivelleren: met beleid verkleinen of vergroten van de relatieve inkomensverschillen tussen huishoudens.


Slide 33 - Tekstslide

Onderdelen Sylabus
4.5 Er kan een afruil zijn tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid als herverdeling van inkomen en vermogen leidt tot minder prikkels voor economische activiteiten, bijvoorbeeld om te werken (uren, participatie, uittreding), te sparen, te scholen, te ondernemen, en tot meer prikkels om te migreren of belasting te ontwijken. Deze afruil hoeft niet op te treden als herverdeling niet leidt tot minder sterke prikkels voor economische activiteiten (via bijvoorbeeld onderwijs, kinderopvang, sociale zekerheid).

Slide 34 - Tekstslide

Onderdelen Sylabus
4.6 Belasting: Gemiddeld en marginaal tarief; Belastingwig; Progressief /degressief belastingstelsel: gemiddeld tarief stijgt /daalt
met inkomen; Vlaktaks: 1 marginaal tarief; Belasting op inkomen uit arbeid; Belasting op vermogen; Heffingskortingen; Aftrekposten en bijtellingen;  Vennootschapsbelasting; Indirecte belastingen, zoals de btw en de accijnzen.
4.7 Uitkeringen en toeslagen als instrumenten voor herverdeling en verzekering.

Slide 35 - Tekstslide

Onderdelen Sylabus
5.1 Begrippen voor de beschrijving van de arbeidsmarkt: Arbeidsaanbod (= beroepsbevolking); Arbeidsvraag (werkgelegenheid + openstaande vacatures); Werkloosheid; Vacatures; Loonontwikkeling; Flexwerk en zzp

Slide 36 - Tekstslide

Bij een progressief belastingstelsel
A
Betaalt iedereen evenveel belasting in euro's
B
Betaalt iedereen evenveel belasting in % van zijn inkomen
C
Betalen hogere inkomens meer belasting dan lagere inkomens
D
Betalen hogere inkomens in % meer belasting dan lagere inkomens

Slide 37 - Quizvraag