H8.3 B2HV Geluidssterkte les 2

  • Je schrift (aantekeningen)
  • Pen en potlood 
  • Rekenmachine
Pak alvast:
1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nask / TechniekMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 47 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

  • Je schrift (aantekeningen)
  • Pen en potlood 
  • Rekenmachine
Pak alvast:

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat gaan we deze les doen?
  1. Herhaling: Rekenopdrachten H8.2                                      (20 min)
  2. Uitleg: H8.3 Geluidsterkte                                                      (20 min)
  3. Zelfstandig: Opdracht 1 t/m 12 H8.3                                    (20 min)
  4. Kahoot: ....?                                                                                  (... min)
LET OP: online is het Hoofdstuk 8, in je boek Hoofdstuk 6 Geluid!

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling: rekenopdrachten
  • Ga naar join.nearpod.com en vul de code in
  • Maak hier de rekenopdracht 
  • Werk volgens het stappenplan!




Slide 3 - Tekstslide

Demo 7
Doel: demonstreren hoe geluidstrillingen onderzocht kunnen worden met behulp van een oscilloscoop.
Nodig: oscilloscoop, toongenerator, luidspreker, microfoon, stemvork op klankkast, hamertje, (diverse muziekinstrumenten).
Uitvoering:
– Sluit de toongenerator aan op de oscilloscoop. Stel de toongenerator in op 1 Hz. Stel de tijdbasis van de oscilloscoop in op 0,5 s/div. Op het scherm is dan duidelijk een trillend punt te zien.
– Leg uit dat de uitwijking van het punt bepaald wordt door de grootte van de spanning die de toongenerator levert. Doordat de spanning steeds verandert, beweegt het punt steeds op en neer.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De tijdbasis is ingesteld op 0,2 ms/div.

Bepaal de frequentie van deze testtoon.
A
f = 200 Hz
B
f = 5 Hz
C
f = 500 Hz
D
f = 1000 Hz

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

..
Opdracht 8
De tijdbasis is ingesteld op 0,2 ms/div.
Bepaal de frequentie van deze testtoon.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel trillingen zal Julia op het scherm zien als ze de tijdbasis instelt op 1 ms/div?
A
2
B
5
C
10
D
20

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bereken de trillingstijd van een trilling met een frequentie van 50 Hz
A
T = 0,020 s
B
T = 5,0 s
C
T = 0,050 s
D
T = 2,0 s

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Op een stemvork staat ‘440 Hz’. Bereken de trillingstijd van deze stemvork in milliseconden.

A
T = 0,023 s
B
T = 2,3 ms
C
T = 0,44 ms
D
T = 0,044 s

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een hoge pieptoon heeft een trillingstijd van 0,25 ms. Bereken de frequentie in kilohertz.
A
T = 0,023 s
B
T = 2,3 ms
C
T = 0,44 ms
D
T = 0,044 s

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt uitleggen wat de frequentie van een trilling is
Frequentie
Je kunt uitleggen wat de frequentie van een trilling is
  • De frequentie is het aantal trillingen per seconde
  • Frequentie wordt gemeten in de eenheid Hertz (Hz)




  • Bij een frequentie van 100 Hz, bewegen de benen van een stemvork dus 100 keer per seconden heen en weer;
  •  Hoe hoger de frequentie -> hoe hoger de toon




Herhaling

Slide 12 - Tekstslide

Demo 7
Doel: demonstreren hoe geluidstrillingen onderzocht kunnen worden met behulp van een oscilloscoop.
Nodig: oscilloscoop, toongenerator, luidspreker, microfoon, stemvork op klankkast, hamertje, (diverse muziekinstrumenten).
Uitvoering:
– Sluit de toongenerator aan op de oscilloscoop. Stel de toongenerator in op 1 Hz. Stel de tijdbasis van de oscilloscoop in op 0,5 s/div. Op het scherm is dan duidelijk een trillend punt te zien.
– Leg uit dat de uitwijking van het punt bepaald wordt door de grootte van de spanning die de toongenerator levert. Doordat de spanning steeds verandert, beweegt het punt steeds op en neer.
Je kunt berekeningen maken met trillingstijd en frequentie
Trillingstijd
Je kunt berekeningen maken met trillingstijd en frequentie
  • De tijd die voor één volledige trilling nodig is, wordt de trillingstijd (T) genoemd. 




Trillingstijd en frequentie
  • Met de trillingstijd kan je de frequentie berekenen
  • Als de trillingstijd 0,1 s is, dan gaan er 10 trillingen in 1 seconde. De frequentie is dan 10 Hz. 
  • Oftewel: 




frequentie=trillingstijd1
f=T1
Herhaling

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

13

Slide 14 - Video

Deze slide heeft geen instructies

02:34
Welke golf geeft een lage toon en een hard geluid?
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

04:42
Welke eenheid gebruik je voor geluidssterkte?

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

05:00
Leg in je eigen woorden uit wat de gehoorgrens is

Slide 17 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

08:30
Hoe sterk moet een toon van 100 Hz minstens zijn om gehoord te kunnen worden?
A
10 dB
B
20 dB
C
122 dB
D
0 dB

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

10:28
Je kunt berekeningen maken met het verband tussen geluidssterkte en het aantal geluidsbronnen.

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

10:28
Daan, Engie, Amber en Thomas vormen een trompetkwartet.
Op 5 m afstand van hun trompetten wordt een geluidssterkte van 80 dB gemeten.
Daan en Thomas houden op met spelen.
Hoe groot is de geluidssterkte op 5 m afstand van de twee overgebleven trompetten?
A
68
B
71
C
74
D
77

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

10:28
Daan, Engie, Amber en Thomas vormen een trompetkwartet. Tijdens een concert speelt Engie een solo.
Op 5 m afstand van haar trompet wordt een geluidssterkte van 70 dB gemeten.
Daan, Amber en Thomas vallen in.
Ze spelen alle vier hetzelfde muziekstuk op hun trompet.
Hoe groot is de geluidssterkte op 5 m afstand van de vier trompetten?
A
65
B
73
C
76
D
79

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

08:30
Een toon heeft een sterkte van 20 dB en een frequentie van 5000 Hz
Kun je die toon horen?
A
Ja
B
Nee
C
Geen idee

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

08:30
Een toon heeft een sterkte van 20 dB en een frequentie van 50 Hz.
Kun je die toon horen?
A
Ja
B
Nee
C
Geen idee

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

04:42
Met welk apparaat kun je de geluidssterkte meten?

Slide 24 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

02:34
Welke golf geeft een hoge toon en een hard geluid?
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

02:34
Welke golf geeft een lage toon en een zacht geluid?
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

02:34
Welke golf geeft een hoge toon en een zacht geluid?
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

..

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

..

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt uitleggen wat het verband is tussen de geluidssterkte en de amplitude van een trilling
Geluidssterkte en Amplitude
  • De geluidssterkte geeft aan hoe hard het geluid is dat door de geluidsbron wordt geproduceerd;
Demo 10 - verband tussen de amplitude van een geluidstrilling en de sterkte van het geluid.

Slide 31 - Tekstslide

Sluit de microfoon aan op de oscilloscoop. Zet de stemvork voor de microfoon. Sla de stemvork aan. Vraag aan de leerlingen wat ze opvalt aan het geluid en aan het beeld op het scherm van de oscilloscoop.
Eventueel kun je ook laten zien hoe de oscilloscoop andere tonen weergeeft die langzaam wegsterven (zoals het geluid van een aangeslagen gitaarsnaar).
Je kunt uitleggen wat het verband is tussen de geluidssterkte en de amplitude van een trilling
Geluidssterkte en Amplitude
  • De geluidssterkte geeft aan hoe hard het geluid is dat door de geluidsbron wordt geproduceerd;
  • De afstand tussen het midden van de trillingen en hun uiterste stand = de amplitude van de trillingen;
  • De geluidssterkte wordt bepaald door de amplitude. Hoe harder een geluid, hoe groter de amplitude. Als het geluid wegsterft, wordt de amplitude nul.



Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt uitleggen hoe de geluidssterkte afhangt van de afstand tot de geluidsbron.

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt uitleggen hoe de geluidssterkte afhangt van de afstand tot de geluidsbron.
Geluidssterkte 
  • De eenheid van geluidssterkte is de decibel (dB);
  • 0 dB is de gehoordrempel. (Dat betekend niet dat er geen geluid is)
  • De geluidssterkte meet je met een Decibelmeter
  • Geluidsterkte hangt af van de afstand tot de geluidsbron -> dichterbij de bron meet je een grotere geluidssterkte. 

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt beschrijven dat de gehoordrempel en de pijngrens afhangen van de frequentie

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt beschrijven dat de gehoordrempel en de pijngrens afhangen van de frequentie 
  • De gehoordrempel is de geluidssterkte waarbij je het geluid net begint te horen;
  • De gehoordrempel hangt dus af van de frequentie;
  • Je gehoor is het meest gevoelig voor tonen rond 4000 Hz
  • Ook je pijngrens hangt af van de frequentie.
Gehoordrempel en pijngrens 

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen de dB(A) en de dB-schaal.
  • Omdat de gevoeligheid van je oren niet hetzelfde is voor alle frequenties, hebben decibelmeters een A-filter;
  • Dit filter maakt de meter minder gevoelig voor lage en erg hoge frequenties;
  • De meter kan zo de geluidssterkte nabootsen zoals we die met onze oren waarnemen.
dB(A) en dB-schaal

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt berekeningen maken met het verband tussen geluidssterkte en het aantal geluidsbronnen
Rekenen met decibellen
  • Als het aantal geluidsbronnen verdubbelt, wordt het geluid niet twee keer zo luid!
  • De decibelschaal sluit aan bij hoe mensen geluid waarnemen
Demo - hoeveel decibel per extra stem

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt berekeningen maken met het verband tussen geluidssterkte en het aantal geluidsbronnen
Rekenen met decibellen
  • Als het aantal geluidsbronnen verdubbelt, wordt het geluid niet twee keer zo luid!
  • De decibelschaal sluit aan bij hoe mensen geluid waarnemen
Als het aantal geluidsbronnen twee keer zo groot wordt, neemt de geluidsterkte met 3 dB toe
  • Je kunt deze regel alleen gebruiken als alle geluidsbronnen (ongeveer) evenveel geluid maken en op (ongeveer) dezelfde afstand staan.

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt berekeningen maken met het verband tussen geluidssterkte en het aantal geluidsbronnen.

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt uitleggen hoe een audiogram gemaakt wordt
Audiogrammen
  • Een grafiek waarop je kunt zien hoe jou gehoor functioneert, vergeleken met een normaal gehoor. 
  • De groene lijn is een perfect normaal gehoor
  • De rode lijn is van iemand die afwijkingen toont tot 50 dB

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt uitleggen hoe een audiogram gemaakt wordt
Audiogrammen
  • Een grafiek waarop je kunt zien hoe jou gehoor functioneert, vergeleken met een normaal gehoor. 
  • De groene lijn is een perfect normaal gehoor
  • De rode lijn is van iemand die afwijkingen toont tot 50 dB
Bij de test krijg je een toon te horen via een koptelefoon, bijvoorbeeld van 250 Hz. Eerst is die toon onhoorbaar zacht, maar daarna wordt hij steeds luider. Op het moment dat je de toon kunt horen, geef je een teken aan de audioloog. Zo wordt je gehoordrempel voor een toon van 250 Hz bepaald (de geluidssterkte waarbij je die toon net kunt horen). Daarna gebeurt hetzelfde voor een aantal andere frequenties.

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt berekeningen maken met het verband tussen geluidssterkte en het aantal geluidsbronnen.
Rekenen met decibellen
Op 10 m afstand van een concertpodium is de geluidsterkte van een piano 72 dB. Een trombonist produceert op dezelfde afstand een geluidsterkte van 60 dB. 
De componist van een muziekstuk wil dat de vioolpartij even hard klinkt als de piano. Hoeveel violisten moet hij laten spelen?
Als het aantal geluidsbronnen twee keer zo groot wordt, neemt de geluidsterkte met 3 dB toe.

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je kunt berekeningen maken met het verband tussen geluidssterkte en het aantal geluidsbronnen.
Rekenen met decibellen
In een voetbalstadion wordt op de middenstip de geluidssterkte gemeten. Als er duizend mensen aan het juichen zijn, geeft de decibelmeter 80 dB aan.
Schat hoe groot de geluidssterkte ongeveer zal zijn als er honderdduizend mensen aan het juichen zijn.

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!
  1. Herhaling: H8.2  Toonhoogte en frequentie                    (10 min)
  2. Uitleg: H8.3 Geluidsterkte                                                     (20 min)
  3. Zelfstandig: Opdracht 1t/m 12 H8.3                                     (30 min)
LET OP: online is het Hoofdstuk 8, in je boek Hoofdstuk 6 Geluid!

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Slide 46 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 47 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies