Oefentoets Burgerschap: Thema 1 Kiezen

1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
BurgerschaptoetsPraktijkonderwijsLeerjaar 4

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

OEFENTOETS

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
Aan het einde van de les ...

heb ik de oefentoets gemaakt.

Slide 3 - Tekstslide

Wat is vrijheid?
A
Doen wat van je gevraagd wordt.
B
Je eigen keuzes kunnen maken.
C
Rekening houden met anderen.

Slide 4 - Quizvraag

Welke uitspraak is een voorbeeld
van een mening?
A
'Ik vind dat een mooie spijkerbroek.'
B
'Er hangen drie spijkerbroeken in mijn kast.'
C
'Ik ga een nieuwe spijkerbroek kopen.'
D
'Ik pas mijn spijkerbroek niet meer.'

Slide 5 - Quizvraag

Wat is vrijheid van meningsuiting?

De vrijheid om.....
A
te bepalen waar je je geld aan uitgeeft
B
te beslissen of je rekening met anderen houdt
C
te zeggen wat je van iets of iemand vindt

Slide 6 - Quizvraag

Welke zin is juist.
A
Je mening geven is een vorm van asociaal gedrag.
B
In Nederland heeft iedereen vrijheid van meningsuiting.
C
In Nederland heeft iedereen dezelfde mening.
D
Het is verboden iemand te kwetsen met je mening.

Slide 7 - Quizvraag

Wat wordt met kwetsen bedoeld.
A
Zeggen wat je van iets of iemand vindt.
B
Je eigen keuzes maken.
C
Invloed hebben op de keuzes die iemand maakt.
D
Iets zeggen of doen, waardoor je iemand verdriet doet.

Slide 8 - Quizvraag

Wat zijn mensenrechten?
A
Rechten die voor elk mens en dier gelden.
B
Rechten die voor elk mens op deze wereld gelden.
C
Rechten die voor niemand gelden.
D
Rechten die de rechter uitspreekt.

Slide 9 - Quizvraag

Hoeveel mensenrechten zijn er?
A
40
B
50
C
30
D
20

Slide 10 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van een mensenrecht.
A
Het recht om iemand te kwetsen.
B
Het recht om je eigen godsdienst te kiezen.
C
Het recht om je niet aan de regels te houden.
D
Het recht op lekker eten.

Slide 11 - Quizvraag

Wat is geen mensenrecht?
A
Je mag harder rijden als je haast hebt.
B
Je mag zelf beslissen met wie je trouwt.
C
Je mag je eigen godsdienst kiezen.
D
Je mag stemmen tijdens de verkiezingen.

Slide 12 - Quizvraag

Welke zin is waar?
A
Alleen Nederland heeft beloofd zich aan de mensenrechten te houden.
B
Alleen Europese landen hebben beloofd zich aan de mensenrechten te houden.
C
Bijna alle landen ter wereld hebben beloofd zich aan de mensenrechten te houden.
D
Geen enkel land heeft offiicieel beloofd zich aan de mensenrechten te houden.

Slide 13 - Quizvraag

Schrijf achter de zin het juiste woord op.

Iets dat je mag doen of mag hebben is een ......
(plicht/recht/mensenrechten/vrijheid)

Slide 14 - Open vraag

Schrijf achter de zin het juiste woord op.

Iets dat je moet doen is een .....
(plicht/recht/mensenrechten/vrijheid)

Slide 15 - Open vraag

Kinderen in Nederland gaan naar school.

Dit is een:
A
Recht.
B
Plicht.
C
Een recht en een plicht.
D
Geen recht en geen plicht.

Slide 16 - Quizvraag

Welk woord past bij deze situatie?
A
een plicht
B
een recht
C
respect
D
kwetsen

Slide 17 - Quizvraag

Tiffany is net achttien geworden ze heeft
nu meer..........

Vul het meest juiste woord in.
A
rechten
B
plichten
C
vrijheid
D
tijd

Slide 18 - Quizvraag

Respect betekent ....................
A
iets wat je moet doen
B
iets wat je mag doen
C
je eigen keuzes kunnen maken
D
rekening houden met anderen

Slide 19 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van asociaal gedrag?
A
Fatma gooit haar afval in de prullenbak.
B
Rob dringt voor in de rij.
C
Ali geeft zijn zitplaats aan een zwangere vrouw.
D
Kim fietst op het fietspad.

Slide 20 - Quizvraag

Stelling:
In Nederland leeft iedereen in vrijheid.
Leg uit of je met deze stelling eens bent.
Ik ben het eens/ oneens met de stelling, omdat:

Slide 21 - Open vraag

EINDE TOETS

Slide 22 - Tekstslide