Het werkwoord kunnen
Doel: Je kunt het werkwoord kunnen vervoegen in de tegenwoordige tijd. Je kent aan het eind van de les de 6 verschillende vormen.
Het werkwoord kunnen
Doel: Je kunt het werkwoord kunnen vervoegen in de tegenwoordige tijd. Je kent aan het eind van de les de 6 verschillende vormen.
Wat gaan we deze les doen en hoe gaan wij dat doen?
- Wat weet je nog?
- Wat leer je deze les?
- Waarom moet je dit leren
- Instructie
-Samen oefenen
- Zelf oefenen met een werkblad
- Controle van begrip = zin schrijven
Welke vraagwoorden weet je nog?
Doel: Je leert deze les 6 vraagwoorden
Waarom: door vragen te stellen leer je heel veel.
de 5 W's
wie?
wat?
waar?
wanneer?
waarom?
Wie?
mens
Wat?
ding
Wanneer?
tijd
Waarom?
reden
Kies het passende antwoord.
Let goed op het vraagwoord.
wie wat waar wanneer
Wanneer ga je winkelen?
Morgen.
Met mijn moeder.
In de klas.
In Leiden.
Waar?
plaats
Met wie ga je winkelen?
Morgen.
Met mijn moeder.
In de klas.
In Leiden.
Waar ga je winkelen?
Morgen.
Met mijn moeder.
Kleding.
In Leiden.
Wat wil je kopen?
Morgen.
Met mijn moeder.
Kleding.
In Leiden.
en:
hoe?
De 5 W's
wie?
wat?
waar?
wanneer?
waarom?
Hoe?
Hoe?
Hoeveel? 1, 2, 3, ...
Hoe?
Hoe ga jij naar school?
Ik ga met de fiets.
Hoeveel huisdieren heb jij?
Ik heb twee huisdieren.
Hoe + ...
Hoe groot?
Hoe klein?
Hoe ver?
Hoe lang?
Hoe sterk?
Hoe rijk?
enz.
Hoe?
Hoe lang ben jij?
Ik ben 1.60 m lang.
Hoe ver woon jij van school?
Ik woon 15 km van school.
Kies het goede vraagwoord.
Let goed op het antwoord.
wie wat waar wanneer waarom hoe
... eet jij? Ik eet een banaan.
wie
wat
waar
wanneer
... is de afspraak? Morgen om 10 uur.
wie
wat
waarom
wanneer
Met ... is de afspraak? Met de schoolarts.
wat
wanneer
wie
hoe
... ga je naar huis? Omdat ik ziek ben.
wie
wat
waar
waarom
... ben je boos? Omdat ik de wedstrijd verloren heb.
waarom
wat
waar
wie
... ga je naartoe? Naar Amsterdam.
wie
wanneer
waar
hoe
Op ... wacht je? Op mijn vriend.
wat
waar
wanneer
wie
... bloemen heb je? Ik heb 10 bloemen.
hoeveel
hoe
wanneer
wie
... lang duurt de reis naar Rotterdam? Ongeveer een uur.
hoeveel
hoe
wanneer
wie
Maak het werkblad
.
schrijf 1 zin met een vraagwoord.
Wat heb je geleerd?
1. Wie: vraagt naar een persoon (bijv. "Wie is je beste vriend?").
2. Wat: vraagt naar een niet-persoon (bijv. "Wat doe je daar?").
3. Waar: vraagt naar een plaats (bijv. "Waar is de winkel?").
4.Wanneer: vraagt naar tijd (bijv. "Wanneer ga je naar school?").
5. Waarom: vraagt naar de reden (bijv. "Waarom ben je laat?").
6. Hoe: vraagt naar de manier of wijze (bijv. "Hoe maak je dit gerecht?").
Wat moet je doen als je klaar bent?
Maak het werkblad!
Klaar? Je mag kiezen:
1. Speel het dobbelspel vraagwoorden.
2. Ga werken op DISK