Vraagwoorden

Het werkwoord kunnen


Doel: Je kunt het werkwoord kunnen vervoegen in de tegenwoordige tijd. Je kent aan het eind van de les de 6 verschillende vormen.

1 / 35
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsISK

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 25 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Het werkwoord kunnen


Doel: Je kunt het werkwoord kunnen vervoegen in de tegenwoordige tijd. Je kent aan het eind van de les de 6 verschillende vormen.

Wat gaan we deze les doen en hoe gaan wij dat doen?



- Wat weet je nog?

- Wat leer je deze les? 

- Waarom moet je dit leren

- Instructie

-Samen oefenen 

- Zelf oefenen met een werkblad

- Controle van begrip = zin schrijven

Welke vraagwoorden weet je nog?







Doel: Je leert deze les 6 vraagwoorden


Waarom: door vragen te stellen leer je heel veel.


de 5 W's


wie?

wat?

waar?

wanneer?

waarom?

Wie?

mens

Wat?

ding

Wanneer?

tijd

Waarom?


reden

Kies het passende antwoord.

Let goed op het vraagwoord.


wie           wat          waar          wanneer

Wanneer ga je winkelen?

A

Morgen.

B

Met mijn moeder.

C

In de klas.

D

In Leiden.

Waar?

plaats

Met wie ga je winkelen?

A

Morgen.

B

Met mijn moeder.

C

In de klas.

D

In Leiden.

Waar ga je winkelen?

A

Morgen.

B

Met mijn moeder.

C

Kleding.

D

In Leiden.

Wat wil je kopen?

A

Morgen.

B

Met mijn moeder.

C

Kleding.

D

In Leiden.

en:




hoe?


                              De 5 W's




wie?

wat?

waar?

wanneer?

waarom?

Hoe?

Hoe?


Hoeveel? 1, 2, 3, ...


Hoe?

  • Hoe ga jij naar school?

  • Ik ga met de fiets.

  • Hoeveel huisdieren heb jij?

  • Ik heb twee huisdieren.


Hoe + ...

  • Hoe groot?

  • Hoe klein?

  • Hoe ver?

  • Hoe lang?

  • Hoe sterk?

  • Hoe rijk?

  • enz.


Hoe?

  • Hoe lang ben jij?

  • Ik ben 1.60 m lang.

  • Hoe ver woon jij van school?

  • Ik woon 15 km van school.


Kies het goede vraagwoord.

Let goed op het antwoord.


wie           wat          waar          wanneer        waarom       hoe

... eet jij? Ik eet een banaan.

A

wie

B

wat

C

waar

D

wanneer

... is de afspraak? Morgen om 10 uur.

A

wie

B

wat

C

waarom

D

wanneer

Met ... is de afspraak? Met de schoolarts.

A

wat

B

wanneer

C

wie

D

hoe

... ga je naar huis? Omdat ik ziek ben.

A

wie

B

wat

C

waar

D

waarom

... ben je boos? Omdat ik de wedstrijd verloren heb.

A

waarom

B

wat

C

waar

D

wie

... ga je naartoe? Naar Amsterdam.

A

wie

B

wanneer

C

waar

D

hoe

Op ... wacht je? Op mijn vriend.

A

wat

B

waar

C

wanneer

D

wie

... bloemen heb je? Ik heb 10 bloemen.

A

hoeveel

B

hoe

C

wanneer

D

wie

... lang duurt de reis naar Rotterdam? Ongeveer een uur.

A

hoeveel

B

hoe

C

wanneer

D

wie

                     Maak het werkblad


.

schrijf 1 zin met een vraagwoord.

               Wat heb je geleerd?

1. Wie: vraagt naar een persoon (bijv. "Wie is je beste vriend?").

2. Wat: vraagt naar een niet-persoon (bijv. "Wat doe je daar?").

3. Waar: vraagt naar een plaats (bijv. "Waar is de winkel?").

4.Wanneer: vraagt naar tijd (bijv. "Wanneer ga je naar school?").

5. Waarom: vraagt naar de reden (bijv. "Waarom ben je laat?").


6. Hoe: vraagt naar de manier of wijze (bijv. "Hoe maak je dit gerecht?").

Wat moet je doen als je klaar bent?

Maak het werkblad! 

Klaar?  Je mag kiezen: 

1. Speel het dobbelspel vraagwoorden.

2. Ga werken op DISK