Les 39 (herhaling sterke ww en keuzevoorzetsels)

Deutsch
Mittwoch, den 13. Mai 2026

1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 17 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

Deutsch
Mittwoch, den 13. Mai 2026

Slide 1 - Tekstslide

Die Plannung für Heute

Grammatik Sätze
Lesen
Grammatik
Levend Memory/ Blooket

Slide 2 - Tekstslide

Grammatiksätze
1. Mit (haar) …… möchte ich in d….. Ferien(v) fahren.

2. D….. alt….. Frau geht nach/zu Hause.

3. In unser….. Stadt(v) gibt es ein…… groß….. Kirche..
 
 

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Link

Stof PW (20 mei)
Woorden (zoals het er staat):

Kapitel 4 Lektion 3 t/m 6
Kapitel 5 Lektion 1 t/m 3

Geen Redemittel!


Grammatica:

der- en ein-Gruppe
  • voorzetsels met naamval
  • werkwoorden met naamval
  • ontleden 
  • Geslacht zelfstandige naamwoorden

Voorzetsels + 3, +4 en keuzevoorzetsels
Bijvoeglijk naamwoord (sleutels)
Sterke werkwoorden met a/e in de stam
Modale werkwoorden verleden tijd (ovt)

Slide 5 - Tekstslide

In welke situatie gebruik je een keuzevoorsetzel?

Slide 6 - Tekstslide

Wechselpräpositionen
Bij deze voorzetsels moet je kiezen tussen de derde of de vierde naamval.
3e naamval wordt gebruikt in rust of toestand. 
Wo?  - Wo bist du?                 Ich bin in der Schule

4e naamval  wordt gebruikt bij een beweging of richting. 
Wohin?- Wohin gehst du?   Ich gehe in die Schule

Slide 7 - Tekstslide

Wechselpräpositionen
3e naamval   stilstand 
Wo? 

4e naamval   beweging
Wohin?
an              =       aan
auf             =       op
hinter        =       achter
in                =       in
neben       =       naast
über          =        over 
unter         =        onder
vor              =        voor
zwischen  =        tussen

Slide 8 - Tekstslide

Tijdsbepaling en keuzevoorzetsels

Slide 9 - Tekstslide

7/2 Regel
Is er geen sprake van een duidelijke plaats- of tijdsbepaling (Situatie 1 en 2)? Dus een waar, waarheen of wanneer?
Dan gebruik je de 7/2 regel


auf 
über
an
hinter 
in
neben 
unter 
vor 
zwischen

4e naamval
3e naamval

Slide 10 - Tekstslide

Grammatik E
Sterke werkwoorden

Slide 11 - Tekstslide

Sterke werkwoorden:                                 e/i- Wechsel en a/ä- Wechsel 
Bij sterke werkwoorden kan de klinker bij de du en er/sie/es vorm in de tegenwoordige tijd veranderen
e/i- Wechsel
ich 
du 
er/sie/es 
wir
ihr 
sie/Sie
a/ä- Wechsel
esse 
isst 
isst
essen 
esst
essen
sehe
siehst
sieht
sehen
seht
sehen
fahre
fährst
fährt
fahren 
fahrt
fahren

Slide 12 - Tekstslide

Sterke werkwoorden
Wat zijn eventuele uitzonderingen?

Slide 13 - Tekstslide

Aan de slag!
Maak opdrachten Kapitel 6
Lektion 5: 1-2- 9- 10- 11- 12

Ben je klaar?
Grammatik trainer  + lernen Wörter L4 & L5

Slide 14 - Tekstslide

Levend Memory

  • Je zoekt een tweetal
  • Je kiest een woord uit de leerlijst van Kapitel 5   Lektion 1 t/m 3    
  •  Eén iemand is het Duitse woord de ander is het Nederlandse woord.

Heb je dat gedaan? Ga op je stoel staan

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Link

Vielen Dank für eure Aufmerksamkeit!

Slide 17 - Tekstslide