Duits schrijven en lezen

Duits deel 2
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Duits deel 2

Slide 1 - Tekstslide

Wat is enthousiast in het Duits?
A
enthusiast
B
fröhlich
C
aussergewöhnlich
D
begeisterd

Slide 2 - Quizvraag

Wat is "medewerker" in het Duits?
A
nebenarbeiter
B
mitwerker
C
mitarbeiter
D
arbeiter

Slide 3 - Quizvraag

Vertaal in het Duits: vakantie
A
die Ferien
B
die Fährien
C
das Urlaub
D
der Urlaub

Slide 4 - Quizvraag

Vertaal in het Duits: gek
A
gegenständig
B
gäk
C
verrückt
D
toll

Slide 5 - Quizvraag

Wat betekent "Ziel" in het Duits?
A
ziel
B
doel
C
uitgangspunt
D
hoeveelheid

Slide 6 - Quizvraag

Hoe vertaal je : jullie zijn..
A
Ihr seid
B
Ihr sind
C
Ihnen seid
D
Ihnen sind

Slide 7 - Quizvraag

De 1e regel van een brief/email in het Duits:
A
begint altijd met een hoofdletter
B
begint met een hoofdletter als dat mogelijk is
C
begint met een kleine letter als dat mogelijk is
D
begint altijd met een kleine letter

Slide 8 - Quizvraag

In een formele brief spreek je mevrouw Altena aan als volgt:
A
Sehr geehrte Frau Altena
B
Sehr geehter Frau Altena
C
Hallo Frau Altena
D
Schüss Frau Altena

Slide 9 - Quizvraag

Welke datum is juist genoteerd?
A
24 Januar 2026.
B
24.01.2026.
C
24. januar 2026
D
24. Januar 2026

Slide 10 - Quizvraag

In een formele brief spreek je een man (bijv. dhr Haus) aan als:
A
Sehr geehrter Herr
B
Sehr geehrte Herr Haus
C
Sehr geehrter Herr Haus
D
Sehr geehrter herr Haus

Slide 11 - Quizvraag

Wat betekent "Sprachen"?
A
vertalingen
B
gesprekken
C
spreken
D
talen

Slide 12 - Quizvraag

Wat betekent: Es gibt kein wasser in die Küche
A
De keuken geeft geen water
B
Er is geen water in de keuken
C
De koeien geven geen water
D
Er is geen water in de koeken

Slide 13 - Quizvraag

Wat betekent: keine Ahnung
A
geen aanleiding
B
geen mening
C
geen zin
D
geen idee

Slide 14 - Quizvraag

Wat is in het Duits: Jij wordt...
A
Du wirst
B
Du werdet
C
Du wirt
D
Du werdest

Slide 15 - Quizvraag