Woordsoorten

In deze les
Wat gaan we doen deze les?
  1. Spullen op tafel en telefoons weg
  2. Lezen in leesboek
  3. Datum proefwerk Taal en Woordenschat
  4. Uitleg woordsoorten
  5. Zelfstandig werken
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

In deze les
Wat gaan we doen deze les?
  1. Spullen op tafel en telefoons weg
  2. Lezen in leesboek
  3. Datum proefwerk Taal en Woordenschat
  4. Uitleg woordsoorten
  5. Zelfstandig werken

Slide 1 - Tekstslide

Datum proefwerk
Donderdag 16 maart:

Woordenschat H1,2,3
Taalverzorging H1,2,3

Slide 2 - Tekstslide

Toets
De volgende toets is een schrijftoets.

Om goed te kunnen schrijven heb je taalverzorging nodig: hoe bouw je de zinnen op, hoe schrijf je de woorden, hoe plak je zinnen aan elkaar, etc.

Slide 3 - Tekstslide

Zinnen in zinsdelen verdelen
Grammatica zinsontleding

Je verdeelt de zin in 
zinsdelen/blokken.
  1. Persoonsvorm (pv)
  2. Werkwoordelijk gezegde (wwgez)
  3. Onderwerp (ow)
  4. Lijdend voorwerp (lv)

Grammatica Woordsoorten

Je benoemt ieder woord in de zin. Je kan meerdere woordsoorten in een zin hebben.
  1. Werkwoorden (ww)
  2. lidwoorden (lw)
  3. Zelfstandige naamwoorden (zn)
  4. Bijvoeglijke naamwoorden (bn)
  5. Voorzetsels (vz)

Slide 4 - Tekstslide

Verschil
Bij grammatica zinsontleding komt ieder blokje één keer voor (behalve bwb).

Bij grammatica woordsoorten kunnen meerdere woordsoorten in een zin voorkomen.

Slide 5 - Tekstslide

Verschil

Slide 6 - Tekstslide

Grammatica woordsoorten
Je benoemt ieder woord in de zin. Je kan meerdere woordsoorten in een zin hebben. Deze woordsoorten moet je kennen:
  1. Werkwoorden (ww)
  2. lidwoorden (lw)
  3. Zelfstandige naamwoorden (zn)
  4. Bijvoeglijke naamwoorden (bn)
  5. Voorzetsels (vz) 

Slide 7 - Tekstslide

Lidwoord & Zelfstandig naamwoord
Er zijn drie lidwoorden (lw) --> de, het & een
Lidwoorden staan voor zelfstandige naamwoorden (zn)

Zelfstandige naamwoorden zijn:
  1. Mensen
  2. Dieren
  3. Dingen
  4. Namen

Slide 8 - Tekstslide

Zelfstandige naamwoorden
Twijfel je of een woord een zelfstandig naamwoord is? Doe de check!
  1. Kan er voor het woord een lidwoord?
  2. Kan je van het woord een meervoud maken?
  3. Kan je van het woord een verkleinwoord maken?

Ja? --> zelfstandig naamwoord

Slide 9 - Tekstslide

Voorbeeld: lopen

Lidwoord: de/het lopen?
Meervoud: lopenen?
Verkleinen: lopentje?

Nee --> Werkwoord



Voorbeeld: Vlag

Lidwoord: de vlag
Meervoud: de vlaggen
Verkleinen: het vlaggetje

Ja --> Zelfstandig naamwoord

Slide 10 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoord
Het bijvoeglijk naamwoord (bn) 
zegt iets over het zelfstandig
 naamwoord. 



Slide 11 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoord
Bij het bijvoeglijk naamwoord hoort ook
het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord.

Het bijvoeglijk naamwoord is dan 
gemaakt van een stof of materiaal.

Gouden, houten, stoffen, zilveren, etc.


Slide 12 - Tekstslide

Voorzetsels
Een voorzetsel (vz) is een kort woordje dat vaak een tijd of plaats aangeeft. 

Tip --> kleine woordjes die
 je '... de kist' kan zetten




Slide 13 - Tekstslide

Hoeveel lidwoorden heeft de volgende zin:
De jongen kust het meisje
A
1
B
2
C
3
D
geen

Slide 14 - Quizvraag

Een oude man steekt de straat over.

Hoeveel ZN heeft deze zin?
A
1
B
2
C
3
D
geen

Slide 15 - Quizvraag

Benoem de ZN in de zin:

Een oude man steekt de straat over.

Slide 16 - Open vraag

Jantje fietst altijd heel hard door de straat.
Wat is het werkwoord in deze zin?
A
Jantje
B
straat
C
fietst
D
geen WW

Slide 17 - Quizvraag

Benoem het BN in de zin:

Ik heb geen zin in deze stomme lockdown!

Slide 18 - Open vraag

Benoem de BN's en zeg of ze stoffelijk of gewoon zijn:
'Heb jij een zilveren, gouden of neppe horloge?'

Slide 19 - Open vraag

1

Slide 20 - Video

00:10
Hoeveel voorzetsels heb je gehoord en welke?

Slide 21 - Woordweb

Welke voorzetsels zie je in de zin:
'Ik kom even langs en deel aan iedereen een cadeautje uit.'

Slide 22 - Open vraag

Welke ZN zie je in de zin:
'Ik kom even langs en deel aan iedereen een cadeautje uit.'

Slide 23 - Open vraag

Persoonlijk voornaamwoord
Het persoonlijk voornaamwoord (pvnw) geeft een persoon of iets aan zonder diegene bij de naam te noemen.

Ayoub (zn) zit in de klas, maar hij (pvnw) is er met zijn gedachten niet helemaal bij.

Slide 24 - Tekstslide

Aanwijzend voornaamwoord
Met een aanwijzend voornaamwoord (avnw) wijs je iets aan.

Deze (avnw) jas ligt hier al een tijdje. 
Wil je dit (avnw) boek of wil je zo'n (avnw) tasje als cadeau? 

Slide 25 - Tekstslide

Voegwoord
Met een voegwoord (vw) verbind je twee zinnen aan elkaar. Ook wel signaalwoorden genoemd.

Ik heb zin in dit weekend, omdat (vw) ik leuke dingen ga doen.
Doordat (vw) het regent, ben ik vandaag met de bus naar school gegaan.

Slide 26 - Tekstslide

Wat is 'die' in de volgende zin:

Die jongen doet altijd heel goed mee met de les.
A
aanwijzend voornaamwoord (avnw)
B
persoonlijk voornaamwoord (pvnw)
C
voegwoord (vw)
D
bijvoeglijk naamwoord (bn)

Slide 27 - Quizvraag

Wat is 'Op' in de volgende zin:

Op donderdag is er altijd markt
A
stoffelijk bijvoeglijk naamwoord (sbn)
B
bijvoeglijk naamwoord (bn)
C
voorzetsel (vz)
D
lidwoord (lw)

Slide 28 - Quizvraag

Wat is 'vanwege' in de volgende zin:

Vanwege het te laat komen, heb ik belangrijke uitleg gemist.
A
lidwoord (lw)
B
zelfstandig naamwoord (zn)
C
voegwoord (vw)
D
bijvoeglijk naamwoord (bn)

Slide 29 - Quizvraag

Wat is 'gigantische' in de volgende zin:

Morgen krijgen wij een gigantische uitleg over de persoonsvorm.
A
bijvoeglijk naamwoord (bn)
B
zelfstandig naamwoord (zn)
C
voegwoord (vw)
D
voorzetsel (vz)

Slide 30 - Quizvraag

Opdrachten maken
1 t/m 6 op blz. 86-87

Dit is huiswerk voor de les van donderdag

Slide 31 - Tekstslide