Toets 1F1, Periode 3, Digiskills

Toets
Module 3

1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
DigiskillstoetsPraktijkonderwijsLeerjaar 1

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Toets
Module 3

Slide 1 - Tekstslide

Hoe noemen we een vakje op het werkblad in het programma
Microsoft Excel?
A
Cel
B
Vakje
C
Hokje
D
Lade

Slide 2 - Quizvraag

Hoe noemen we een aantal
cellen onder elkaar in het
programma Microsoft Excel?
A
Rij
B
Kolom
C
Reeks

Slide 3 - Quizvraag

Hoe noemen we een aantal
cellen naast elkaar in het
programma Microsoft Excel?
A
Rij
B
Kolom
C
Reeks

Slide 4 - Quizvraag

Hoe noemen we het in het
programma Microsoft Excel als je snel
getallen of woorden opeenvolgend kunt
laten zien?
A
Kolom
B
Rij
C
Reeks

Slide 5 - Quizvraag

Hoe heten websites waar je
informatie kunt zoeken?
A
Bibliotheken
B
Zoekmachines
C
Informatiesites
D
Zoekprogramma's

Slide 6 - Quizvraag

Noem 2 zoekmachines

Slide 7 - Open vraag

Wat is onverstandig om te doen als je snel informatie wil vinden in een zoekmachine?
A
De hele vraag typen
B
Alleen de belangrijke woorden gebruiken
C
De zoekterm tussen aanhalingstekens zetten
D
De geavanceerde zoekopties gebruiken

Slide 8 - Quizvraag

Hoe heten de belangrijkste woorden die je typt als je informatie gaat zoeken?
A
Steekwoorden
B
Zoektermen
C
Zoekwoorden
D
Steektermen

Slide 9 - Quizvraag

Welke leestekens kun je gebruiken om sneller iets te zoeken in een zoekmachine?
A
B
C
D

Slide 10 - Quizvraag

Wat is geen goede tip als je controleert of informatie betrouwbaar is?
A
Kijk wie de schrijver is.
B
Wanneer is het geschreven?
C
Kun je het bericht vinden in meerdere informatiebronnen?
D
De informatie moet zowel online als offline te vinden zijn.

Slide 11 - Quizvraag

Wat is een informatiebron?
A
De plek waar je informatie verzamelt
B
De plek waar je informatie opslaat
C
De plek waar je informatie kunt vinden
D
Een zoekmachine

Slide 12 - Quizvraag

Waarom maken mensen nepnieuws?
A
Om geld te verdienen, om te misleiden en voor de grap.
B
Om te misleiden, om geld te verdienen en omdat het kan.
C
Voor de grap, om te misleiden en omdat het kan.
D
Omdat het kan, voor de grap en om geld te verdienen.

Slide 13 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen een feit en een mening?
A
Een feit kun je controleren, een mening niet
B
Een feit klopt, een mening niet
C
Een feit kun je meten of controleren, een mening is iets wat iemand ergens van vindt
D
een feit is waar, een mening meestal niet

Slide 14 - Quizvraag

Wat is een sneltoets?
A
Een toets op het toetsenbord, die je heel snel moet indrukken
B
Een toets waardoor je heel snel ziet wat er gebeurt
C
Een toetsencombinatie om snel iets te kunnen doen (in een bestand)
D
Een toets waardoor je snel naar een ander bestand kunt gaan

Slide 15 - Quizvraag

Waar slaan we bestanden op?
A
Cloud
B
OneDrive
C
Op je apparaat
D
Op de harde schijf

Slide 16 - Quizvraag

Waar maak je in Powerpoint de achtergrond?
A
Bij animaties
B
Bij overgangen
C
Bij ontwerpen
D
Bij invoegen

Slide 17 - Quizvraag

Hoe noemen we in Powerpoint het plaatje wat je kunt zien?
A
Dia
B
Foto
C
Plaatje
D
Afbeelding

Slide 18 - Quizvraag

Welke sneltoets gebruik je om jouw beeldscherm te vergrendelen?

A
B
C
D

Slide 19 - Quizvraag

Hoe noemen we het mooier maken van een bestand?

A
Pimpen
B
Opmaken
C
Bewerken
D
Versieren

Slide 20 - Quizvraag

Wat doe je met de sneltoets ctrl + V?


A
Knippen
B
Plakken
C
Kopiëren
D
Verwijderen

Slide 21 - Quizvraag

Welk soort tekens moet een veilig wachtwoord hebben?
A
Alleen cijfers en letters
B
Hoofdletters en kleine letters
C
Hoofdletters, kleine letters en cijfers
D
Hoofdletters, kleine letters, cijfers en speciale tekens

Slide 22 - Quizvraag

Uit hoeveel tekens bestaat een veilig wachtwoord minimaal?
A
9
B
10
C
11
D
12

Slide 23 - Quizvraag

Waar kun je op school terecht als je (online) wordt gepest?
A
Bij de mentor
B
Bij de vertrouwenspersoon
C
Bij de anti-pestcoördinator
D
Alle antwoorden zijn goed

Slide 24 - Quizvraag

Zijn alle hackers crimineel?
A
Ja
B
Nee

Slide 25 - Quizvraag

Wat is een geldezel?
A
Een ezel uit het sprookje in de Efteling
B
Een ezel die geld van A naar B brengt
C
Iemand die z'n bankrekeningnummer uitleent aan een crimineel
D
Iemand die op straat IA roept en daar geld voor krijgt

Slide 26 - Quizvraag


Hoe vond je 
deze toets?
😒🙁😐🙂😃

Slide 27 - Poll

Slide 28 - Tekstslide