TaalCompleet A2 les 2.2

TaalCompleet A2 les 2.2
Groot - groter - grootst

Je leer de overtreffende trap. 
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

TaalCompleet A2 les 2.2
Groot - groter - grootst

Je leer de overtreffende trap. 

Slide 1 - Tekstslide

Ga op volgorde staan
Jongst                                                                    oudst

... is jonger dan ... ?
... is ouder dan ... ? 
Wie is het jongst?
Wie is het oudst?

kleinst                                                               grootst


Slide 2 - Tekstslide

Wie in de klas ... ?
...  is het oudst? 
... is het langst? 
... is het jongst? 
... praat het vaakst? 
... zegt het minst? 
... studeert het meest? 
... werkt het snelst?

Slide 3 - Tekstslide

Opdracht 13.
Bekijk de video

regelmatig                                                      onregelmatig
klein - kleiner - het kleinst                       graag - liever - het liefst
groot - groter - het grootst                     goed - beter - het best
stil - stiller - het stilst                                 veel - meer - het meest
donker - donkerder - het donkerst      weinig - minder - het minst

Slide 4 - Tekstslide

Opdracht 15.
1. De stoel van Anja is het ...
A
lager
B
laagst

Slide 5 - Quizvraag

Opdracht 15.
2. Wilt u iets .... praten?
A
langzamer
B
langzaamst

Slide 6 - Quizvraag

Opdracht 15.
3. Daniël is jonger dan Peter. Maar Kevin is het ...
A
jonger
B
jongst

Slide 7 - Quizvraag

Opdracht 15.
4. Ik vind Theo aardig, maar ik vind Suzan ...
A
aardiger
B
aardigst

Slide 8 - Quizvraag

Opdracht 15.
5. Welke schoenen vind jij het ... ?
A
mooier
B
mooist

Slide 9 - Quizvraag

Opdracht 15.
6. Ik heb weinig tijd, maar hij heeft nog ... tijd.
A
minder
B
minst

Slide 10 - Quizvraag

Opdracht 15.
7. Honderd euro is veel, maar duizend euro is ...
A
meer
B
meest

Slide 11 - Quizvraag

Opdracht 15.
8. Een auto en een trein rijden snel, maar een vliegtuig is het ...
A
sneller
B
snelst

Slide 12 - Quizvraag

Opdracht 16.
Ik vind appels lekkerder dan bananen, maar ik vind sinaasappels het ... (lekker)

Slide 13 - Open vraag

Opdracht 16.
2. Een plaatje is duidelijker dan tekst, maar een filmpje is het ... (duidelijk)

Slide 14 - Open vraag

Opdracht 16.
3. Welk boek van KleurRijker is het ...? (nieuw)

Slide 15 - Open vraag

Opdracht 16.
4. Mijn tas is zwaarder dan jouw tas, maar haar tas is het ...(zwaar)

Slide 16 - Open vraag

Opdracht 16.
5. Opdracht 2 is moeilijker dan opdracht 1, maar opdracht 3 is het ... (moeilijk)

Slide 17 - Open vraag

Opdracht 16.
6. Deze flat met zestien verdiepingen is het ... (hoog)

Slide 18 - Open vraag

Opdracht 17.
1. Minet wil het ... naar China op vakantie. (graag)

Slide 19 - Open vraag

Opdracht 17.
2. Robin eet minder dan Bo, maar Sam eet het ... (weinig).

Slide 20 - Open vraag

Opdracht 17.
2. Mirthe eet minder dan Lotte, maar Sam eet het ... (weinig).

Slide 21 - Open vraag

Opdracht 17.
3. Een 8 is een goed cijfer voor een toets, maar een 10 is het ... (goed)

Slide 22 - Open vraag

Opdracht 17.
4. Fabiola betaalt meer huur dan Harold. Maar Timothy betaalt het ... (veel)

Slide 23 - Open vraag

Opdracht 18. Praat samen
1. Welke maand is het kortst?
2. Welke stad in jouw land is het grootst?
3. Welk fruit vind jij het lekkerst?
4. Welke kleur vind jij het mooist?
5. Welke sport vind jij het leukst?
6. Wat eet jij het liefst?

Slide 24 - Tekstslide

Opdracht 19. Praat samen
Stel vragen aan 3 andere cursisten. Schrijf de antwoorden op. Beantwoord de vragen ook zelf. 

Zie je boek: blz. 53.

Slide 25 - Tekstslide

Opdracht 20. Praat samen
Maak vergelijkingen. 

Jonas is het jongst. 
Telefoon 3 is duurder dan telefoon 2. 

Zie je boek: blz. 54

Slide 26 - Tekstslide

Dictee 1.
timer
1:30

Slide 27 - Open vraag

Dictee 2.
timer
1:30

Slide 28 - Open vraag

Dictee 3.
timer
1:30

Slide 29 - Open vraag

Dictee 4.
timer
1:30

Slide 30 - Open vraag

Dictee 5.
timer
1:30

Slide 31 - Open vraag

Dictee 6.
timer
1:30

Slide 32 - Open vraag

Dictee 7.
timer
2:00

Slide 33 - Open vraag

Dictee 8.
timer
2:00

Slide 34 - Open vraag