H3 Inkomstenbelasting

H3 Inkomstenbelasting
1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
Belastingen SMSMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

H3 Inkomstenbelasting

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen 
Je begrijpt het aanmerkelijk belang in een onderneming van box 2.
Je kunt de winst uit aanmerkelijk belang omschrijven.
Je begrijpt het tarief op het aanmerkelijk belang.
Je begrijpt dat dit tarief een proportioneel tarief is.
Je kunt uitleggen hoe het vermogen binnen de IB wordt belast in box 3.
Je begrijpt de vrijstellingen en de tarieven met betrekking tot het vermogen.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Agenda
Hoofdstuk 3

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling
De Wet IB 2001 zorgt ervoor dat er belasting kan worden geheven van natuurlijke personen.

Er wordt dus inkomstenbelasting geheven over het inkomen van natuurlijke personen.

Rechtspersonen vallen nadrukkelijk niet onder de Wet IB 2001.

Inkomstenbelasting plus loonbelasting zijn een belangrijke inkomstenbron voor de overheid (91 miljard in 2024)

Inkomstenbelasting wordt zonder tussenkomst geheven en is dus een directe belasting. 

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verhouding loonbelasting & inkomstenbelasting
De loonbelasting is een voorheffing op de inkomstenbelasting.
Als je werkt dan houdt de werkgever alvast inkomstenbelasting in op je loon zodat je aan het einde van het jaar geen of weinig inkomstenbelasting hoeft te betalen.

De werkgever houdt ook de zogenaamde premies volksverzekeringen in op je loon.
Dit zijn verplichte verzekeringen tegen de financiële gevolgen van ouderdom, overlijden, bijzondere ziektekosten of kinderen.

Daarnaast betaalt de werkgever zelf de premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing zorgverzekeringswet.



Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inkomstenbelasting: belastingsubjecten

Een belastingsubject is een persoon van wie belasting wordt geheven. Dit noemen we ook wel de belastingplichtigen. Voor de inkomstenbelasting zijn alleen de natuurlijke personen belastingplichtig.

De Wet IB 2001 kent 2 soorten belastingplichtigen

  1. Natuurlijke personen die in Nederland wonen. 
  2. Natuurlijke personen die niet in Nederland wonen maar wel inkomen krijgen uit Nederland.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Binnenlands- of buitenlands belastingplichtige
Binnenlands belastingplichtige
  • Wereldinkomen wordt belast
  • Onbeperkte belastingplicht
  • Dubbele heffing mogelijk als je in Nederland woont en inkomen uit buitenland krijgt

Buitenlands belastingplichtige
  • Alleen het inkomen dat je in Nederland krijgt wordt belast.
  • Beperkte belastingplicht

Wanneer woon je in Nederland (ben je binnenlands belastingplichtig)?
  • De belastingdienst kijkt naar de feitelijke omstandigheden
  • De belastingdienst kijkt waar het sociale leven van de belastingplichtige zich hoofdzakelijk afspeelt. 
  • Bijvoorbeeld: school van kinderen, vrijetijdsbesteding, waar woon je?

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet je nog van de beginselen die horen bij het belastingrecht?

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Degene die meer kan betalen, moet in verhouding ook meer betalen.
Het naar verhouding gelijker trekken van inkomensverschillen
Alleen de gebruiker betaalt voor het product/ de dienst die de overheid levert.
De belasting wordt geheven om een manier die zo min mogelijk nadelig is.
Het belastingpercentage neemt toe naarmate het inkomen toeneemt.
Draagkrachtbeginsel
Herverdeling
Profijtbeginsel
Beginsel van de minste pijn

Slide 10 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bram heeft een zaak in computeronderdelen in zijn woonplaats Molenschot dicht bij de Belgische grens. Is Bram in Nederland een belastingsubject?

Slide 11 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Gerry woont in Belgie en werkt bij Bram in de zaak en fietst elke dag op en neer naar zijn werk bij Bram. Is Gerry een belastingsubject voor de Nederlandse inkomstenbelasting?

Slide 12 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Belastingboxen IB
Inkomstenbelasting wordt geheven over het totale inkomen van de belastingplichtige in een tijdvak van één jaar.

Er zijn 3 belastingboxen:
  • Box 1: inkomen uit werk en woning
  • Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang
  • Box 3: inkomen uit sparen en beleggen
De herkomst van je inkomen bepaalt in welke box je inkomen belast wordt.

Box 1 gaat boven box 2. Box 2 gaat boven box 3. Past inkomen in meerdere boxen dan altijd toebedelen aan hoogste box (rangorde regeling).

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

IB & VPB
Inkomstenbelasting (IB) wordt geheven over de inkomsten van natuurlijke personen.
Rechtspersonen (bedrijven) betalen belasting over de winst die zij maken. Dit noemen we de Vennootschapsbelasting (VPB). Deze belasting behandelen we in hoofdstuk 5.

Welke ondernemingsvormen zijn geen rechtspersoon?
  • Eenmanszaak
  • Maatschap
  • Vennootschap Onder Firma
  • Commanditaire Vennootschap

Zij betalen dus inkomstenbelasting (in box 1) en geen vennootschapsbelasting.

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Box 1: inkomen uit werk en woning
Inkomsten uit werk:
  • Winst uit onderneming
  • Loon uit dienstbetrekking
  • Inkomsten overige werkzaamheden
  • Periodieke uitkeringen en verstrekkingen

Inkomsten uit woning:
  • Eigenwoningforfait
Aftrekposten:
  • Reisaftrek openbaar vervoer
  • Aftrekbare kosten eigen woning
  • Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
  • Alimentatie en onderhoudsverplichtingen
  • Specifieke zorgkosten
  • Giften

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aftrekposten
Aftrekposten verlagen het inkomen waarover inkomstenbelasting en premies volks-verzekeringen moeten worden betaald.

De belangrijkste aftrekposten zijn:
  • Hypotheekrente
  • Partneralimentatie
  • Specifieke zorgkosten
  • Giften
  • Reiskosten openbaar vervoer
  • Lijfrente

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zorgkosten
Drempelinkomen?

Drempelbedrag?

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Berekening IB 2001 afdeling 6.5 art. 6.20
Marieke heeft een drempelinkomen van € 30.000,-
Wouter heeft een drempelinkomen van € 15.000,-
Marieke en Wouter hebben samen een eigen woning

Marieke heeft € 750,- zorgkosten in 2023
Wouter heeft € 300,- zorgkosten
Wat is het aftrekbare bedrag van de zorgkosten voor Marieke en voor Wouter?

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Uitwerking
Marieke en Wouter zijn fiscaal partner (waarom?)
Gezamenlijke drempelinkomen € 45.000,-
Drempelbedrag is 1,65% van € 45.000,- = € 742,-

Totale zorgkosten € 1.050 
Drempelbedrag € 742,- 
Aftrekbare zorgkosten € 308,-

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Heffing inkomstenbelasting
Inkomstenbelasting heeft betrekking op het totale inkomen. Loon, pensioen, winst, rendement, enz.. De belastingdienst noemt dit het verzamelinkomen.

Je totale inkomen wordt bepaald aan de hand van je aangifte inkomstenbelasting.
Nadat je die hebt ingestuurd krijg je een voorlopige aanslag.

Die wordt gecontroleerd. Bijvoorbeeld met gegevens van je werkgever, de bank, het kentekenregister, etc..

Daarna volgt de definitieve aanslag.

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samenhang en herhaling
Nog een keer de samenhang tussen de loonbelasting en inkomstenbelasting

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Heffingskortingen
Heffingskortingen zijn kortingen die je krijgt op de inkomstenbelasting en de premies volks- verzekeringen. Welke heffingskorting je krijgt hangt af van je persoonlijke situatie. 

De volgende heffingskortingen kun je krijgen:
  • Algemene heffingskorting
  • Arbeidskorting
  • Inkomensafhankelijke combinatiekorting
  • Heffingskortingen voor AOW-gerechtigden
  • Jonggehandicaptenkorting
  • Levensloopverlofkorting
  • Heffingskorting voor groene beleggingen

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

IB 2001 hoofdstuk 8 afdeling 8.2
Inkomensafhankelijke combinatiekorting
Marco heeft een arbeidsinkomen van € 23.000,-
Evelien heeft een arbeidsinkomen van € 28.000,-
Samen hebben ze een dochter van zes

Recht op inkomensafhankelijke combinatiekorting?

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk opgaven H3

Behalve opgave 8

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang
Een aanmerkelijk belang houdt in dat je ten minste 5% van de aandelen van een BV of NV in je bezit hebt, of een (koop) optie hebt op ten minste 5% van de aandelen van een BV of NV.
Ook als je ten minste 5% belang (stemrecht) hebt in een coöperatie val je onder het aanmerkelijk belang.

Inkomsten uit aanmerkelijk belang bestaan uit:
  • Dividend en winstuitkeringen
  • Winst verkregen uit de verkoop van aandelen (overdrachtsprijs - verkrijgingsprijs)

Bij een aanmerkelijk belang wordt gekeken naar de fiscale partner en de familieleden in een recht lijn (ouders, kinderen kleinkinderen). Ook bij minderjarige kinderen!

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Box 2: proportionele belasting IB 2001 hoofdstuk 4
Het belastingtarief voor box 2 is een vast (proportioneel) tarief van 26,9% over het belastbaar inkomen uit het aanmerkelijk belang. Tarief artikel 2.12
voorbeeldberekening:
Aanmerkelijk belang van € 25.000 (dividenduitkering) in bedrijf X

€ 25.000 x 26,9% = € 6.725,-

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht 1, 2 en 3

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Box 3: inkomen uit sparen en beleggen  IB 2001 hoofdstuk 5
Een belastingplichtige heeft vaak nog meer inkomen dan alleen inkomsten uit loon. Denk bijvoorbeeld aan spaargeld of beleggingen. 
Als het inkomen nog niet belast is in box 1 of box 2 dan wordt het inkomen belast in box 3. Inkomsten uit loon en woning is al belast in box 1 dus blijft er voor box 3 het inkomen uit sparen en beleggen over. Dit heet de vermogensrendementsheffing.

Niet alle bezittingen worden belast. Alleen het vermogen boven een bepaalde drempel wordt belast met vermogensrendementsheffing.

De belastingdienst kijkt niet naar je werkelijke rendement maar gebruikt een fictief (forfaitair) percentage. 

Slide 32 - Tekstslide

Proportioneel tarief want alle schijven worden met 30% belast.
Box 3 tarief IB 2001 artikel 2.13
Rendementsgrondslag
Heffingsvrij vermogen
Grondslag sparen en beleggen
Forfaitair rendement
Voordeel sparen en beleggen
Belasting box 3

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
Zoek op internet wat er strijd was met de wet?

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

En nu?
Hoe wordt de belasting in box 3 ?

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Piet heeft een belastbaar inkomen (2023) van €18.000.

Hoeveel inkomstenbelasting moet hij betalen?

Slide 37 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

John heeft in 2020 de volgende dividend uitkeringen ontvangen.
Aandelen Ahold € 50.000
Aandelen GreenPoint € 150.000

De uitkering van GreenPoint betreft een aanmerkelijk belang van 8%

Bereken de belasting die John in box 2 moet betalen.

Slide 38 - Open vraag

Alleen het aanmerkelijk belang wordt in box 2 belast.

150.000 x 26,25% = 39.375
Van Adriaan en Henriette (gehuwd) zijn de volgende bankgegevens bekend over 2023.
Saldo betaalrekening € 128.000,-
Saldo spaarrekening € 30.000,-
Waarde beleggingen € 19.000,-
Persoonlijke lening voor auto € 15.000,-

Bereken de rendementsgrondslag in box 3.

Slide 39 - Open vraag

28 + 30 + 19 = 77.000
77.000 - 61.692 = 15.308
15.308 x 0,53% = 81

Altijd afronden naar eigen voordeel!
Van Adriaan en Henriette (gehuwd) zijn de volgende bankgegevens bekend over 2023.
Saldo betaalrekening € 128.000,-
Saldo spaarrekening € 30.000,-
Waarde beleggingen € 19.000,-
Persoonlijke lening voor auto € 15.000,-

Bereken de grondslag sparen en beleggen in box 3.

Slide 40 - Open vraag

28 + 30 + 19 = 77.000
77.000 - 61.692 = 15.308
15.308 x 0,53% = 81

Altijd afronden naar eigen voordeel!
Opdracht 4 , 7 en 9

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maak opdracht 14 voor de aangifte inkomstenbelasting 

https://opleiding-ola.belastingdienst.nl/ola-simulatie/casussen?0

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat heb je geleerd?
Je begrijpt het aanmerkelijk belang in een onderneming van box 2.
Je kunt de winst uit aanmerkelijk belang omschrijven.
Je begrijpt het tarief op het aanmerkelijk belang.
Je begrijpt dat dit tarief een proportioneel tarief is.
Je kunt uitleggen hoe het vermogen binnen de IB wordt belast in box 3.
Je begrijpt de vrijstellingen en de tarieven met betrekking tot het vermogen.

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

                                        vooruitblik
Loonbelasting
Vennootschapsbelasting en omzetbelasting 

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefenen

Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel 

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Volgende lesweek
Leer je de rentabiliteit te  berekenen voor zowel de eenmanszaak als voor de BV en NV
Kan je in je eigen woorden uitleggen wat cashflow is
Leer je aan de hand van relevante gegevens de cashflow te berekenen voor zowel de eenmanszaak als de BV en NV
Kan je financiële kengetallen interpreteren

Slide 50 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies