reporteros 2 unidad 4

reporteros 2 unidad 4
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

reporteros 2 unidad 4

Slide 1 - Tekstslide

Lección 1

TB 1, p. 56: beschrijf hoe de jongen op het rechterplaatje eruit ziet. Gebruik als hulp het roze en paarse blokje op p. 56
Doornemen blok B op p. 62.
Vervoeg nu in je schrift:
viajar en escribir

TB 2, p. 56

WB 1, p. 66
WB 2, p. 66
WB 3, p. 67
WB 4, p. 67
TB 2

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

TB 4, p. 57: individueel (5 min)
Lees de tekst. Waar of niet waar?
a. De mapuches hebben een eigen taal.
b. Iemand paste op de kinderen als de ouders aan het werk waren.
c. De kinderen gingen naar school.
d. De kinderen leerden de werkzaamheden van hun ouders.
TB 5, p. 57: in duo's (5 min)
Vergelijk de jeugd van de mapuche-kinderen met die van jou:

ir a todas partes con los padres/ ir a la guardería.
no ir a la escuela/ ir a la escuela
aprender las tareas del campo/ a escribir y leer.




timer
0:00
timer
0:00

Slide 6 - Tekstslide

Individueel (10 min. in stilte, daarna evt. zachtjes overleggen)
WB 5, p. 67 (schrijf 3 zinnen +/- 15 wrd)
WB 8, p. 68*
WB 9, p. 69*
Gebruik bij "antes" de volgende werkwoorden:
compartir, tener, ver, correr, ser, leer
Gebruik bij "ahora":
hablar, ir en tocar.

WB 10, p. 69*
WB 11, p. 69 (woorden staan op volgorde)
WB 12, p. 70
*opgaven lijken op de toets.
Hulp Imperfecto? TB Blok B, p. 62 
Hulp bij voca? TB p. 64

timer
10:00

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

¡En Marcha! p. 56

2. Bekijk de video en beantwoord de vragen a-d.



vocahulp:

di = geef
habitantes = inwoners
cosa = ding
escritor = schrijver
poeta = dichter

Slide 9 - Tekstslide

AFMAKEN LECCIÓN 1
> vocabulaire voor speelgoed 
bal, pop, beertje, autootje, bordspel, game, keukentje.

> verkleinwoorden.
WB 6, p. 68
WB 7, p. 68
Let niet teveel op de plaatjes!
c=bordspel/ e. autootjes
WB 13, p. 70
WB 14, p. 70
WB 15, p. 70
TB Blok A, p. 62 
De verkleinwoorden:
Klinker: abuelo - abuelito & casa - casita
Medeklinker`/e: león - leoncito & Carmen - Carmencita
timer
10:00

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

TB 1, p. 58
Kies een foto en een titel bij beide tekstjes.
Opties voor titels:
- La educación empieza a ser obligatoria
- Los principios de la escuela en Chile
- Los primeros alumnos chilenos
- La escuela cubría las necesidades básicas

TB 2, p. 58
Maak de vragen, antwoorden mag in het Nederlands.

TB 3, p. 58
Over welk onderwerp spreken ze?
Welke informatie is nieuw?


fragment

Slide 12 - Tekstslide

TB 2

Slide 13 - Tekstslide

TB 3

Slide 14 - Tekstslide

WB 2, p. 72
WB 3, p. 73
a = jugar, b=enseñar, c=ir, d=aprender, e= encargarse, f=tener, 
g=haber

WB 5, p. 74
WB 6, p. 74
WB 7, p. 75
WB 8, p. 75
WB 9, p. 75

Slide 15 - Tekstslide

TB 5, p. 59
Geef antwoord in het Spaans door de zin af te maken + werkwoord te vervoegen:
a. CONOCER (la rayuela), pero no CONOCER (el trompo).
b. De pequeño/a JUGAR ...., pero nunca JUGAR .....

Aandachtpunten:
jugar con of jugar a

Ya no = niet meer
Todavía = nog

Antes (vroeger) + imperfecto
Ahora (nu) + tegenwoordige tijd

Aprender <> Enseñar (zie paars blok p. 58)

Slide 16 - Tekstslide

> vragen over huiswerk?
> huiswerkcheck via LessonUp
> stof toepassen:
Bedenk minimaal drie vragen over de kindertijd van María in de imperfecto.





timer
5:00
Lección 3:

- communicatiemiddelen en tijdsperiodes
- structuurwoorden
- vergelijken met más/ menos ... que

TB 1, p. 60

WB 4, p. 79 
WB 13, p. 82

Slide 17 - Tekstslide

Structuurwoorden:
y
pero
porque
por eso
en cambio
además
así que
solo  (2 betekenissen)
WB 7, p. 80
WB 8, p. 81
WB 9, p. 81
WB 11, p. 82

Slide 18 - Tekstslide

Vergelijken
TB 4 + TB 5 + TB 6, p. 61

Bekijk de plaatjes van de oude Condorito (TB 4) en de nieuwe (TB 5).
Vergelijk ze met elkaar met behulp van het vocabulaire op p. 61

Afmaken werkboek:

WB 10, p. 81
WB 12, p. 82
WB 14, p. 83
WB 15, p. 83

Slide 19 - Tekstslide

Lección 3:
TB 1, p. 60
 = communicatiemiddelen en tijdsperiodes 
+ structuurwoorden

Slide 20 - Tekstslide