8-1-2026 (meerkeuze Engels - Nederlands) 1

Vocabulary (woordenschat)
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1Leerroute 2

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Vocabulary (woordenschat)

Slide 1 - Tekstslide

Lees het Engelse woord
En kies de juiste vertaling

Slide 2 - Tekstslide

coins
A
fooien
B
noten
C
munten
D
uren

Slide 3 - Quizvraag

Wat betekent:
Plain
A
Eenvoudig/ gewone
B
Fiets
C
Vliegtuig
D
Brommer

Slide 4 - Quizvraag

Timmy
every Saturday.
They never
with oil.
That tree
very fast.
I always
chocolate ice cream.
Those boys
in class very often.
cook
grows
dances
shout
choose
chooses
shouts
grow

Slide 5 - Sleepvraag

 16 Mum, I can't find my ________  anywhere!
 17 We _______ visit our grandparents.   
 18 Going to a new school is a big ________ .   
 19 My ________ are in the washing machine.   
 20 Where can I put my _______ ?  




Put these words in the correct sentences.
stuff
clothes
often
change
PE kit

Slide 6 - Sleepvraag

What is her job?
is
receptionist
a
He
She

Slide 7 - Sleepvraag

Koppel de Nederlandse woorden aan hun Engelse vertaling.
daily
often
weekly
never
sometimes
wekelijks
dagelijks
soms
nooit
vaak

Slide 8 - Sleepvraag

That mountain 
This mountain

Slide 9 - Sleepvraag

London Baby! 
London Eye/ Millennium Wheel
Big Ben
(Queen Elisabeth Tower)
Buckingham Palace
Double Decker Bus

Slide 10 - Sleepvraag

cheap
A
goedkoop
B
genoeg
C
groot
D
goed

Slide 11 - Quizvraag

sale
A
verkopen
B
kopen
C
uitverkoop
D
wisselgeld

Slide 12 - Quizvraag

I think so
A
ik snap het
B
ik denk van wel
C
ik gebruik
D
ik zou graag

Slide 13 - Quizvraag

Zet in de juiste volgorde. Maak een goede zin! 
Vraagwoord
werkwoord
werkwoord 2
persoon
de rest
travel
you
did
Where
to?

Slide 14 - Sleepvraag

wait a minute.
A
alstublieft
B
graag gedaan.
C
wees voorzichtig
D
wacht eens even.

Slide 15 - Quizvraag

hours
A
huizen
B
uren
C
fooien
D
hoe

Slide 16 - Quizvraag

cashpoint
A
pinautomaat
B
portemonnee
C
contant
D
kassabon

Slide 17 - Quizvraag

forget it
A
het spijt me
B
vergeet het
C
ik denk van niet
D
ik denk van wel

Slide 18 - Quizvraag

chewing gum
A
kauwgum
B
tandpasta
C
centen
D
checken

Slide 19 - Quizvraag

Wat is er aan de hand?
1
2
3

4

the
matter?
what
is

Slide 20 - Sleepvraag

tips
A
euro's
B
fooien
C
munten
D
noten

Slide 21 - Quizvraag

receipt
A
recept
B
contant
C
kassabon
D
portemonnee

Slide 22 - Quizvraag

spend
A
uitgeven
B
sparen
C
krijgen
D
verkopen

Slide 23 - Quizvraag

expensive
A
duur
B
goedkoop
C
gratis
D
fantastisch

Slide 24 - Quizvraag

change
A
zakgeld
B
centen
C
wisselgeld
D
contant

Slide 25 - Quizvraag

with me
A
bij me
B
naast me
C
voor me
D
weg van me

Slide 26 - Quizvraag

many
A
maar
B
heel
C
ook
D
veel

Slide 27 - Quizvraag

sell
A
lenen
B
zeggen
C
verkopen
D
sparen

Slide 28 - Quizvraag

buy
A
kopen
B
lenen
C
verdienen
D
krijgen

Slide 29 - Quizvraag

shop
A
winkel
B
zakje
C
restaurant
D
supermarkt

Slide 30 - Quizvraag

save
A
sparen
B
kopen
C
lenen
D
verdienen

Slide 31 - Quizvraag

a lot of money
A
fooien
B
euro's
C
veel geld
D
weinig geld

Slide 32 - Quizvraag

free
A
gratis
B
veel
C
min
D
fris

Slide 33 - Quizvraag

in cash
A
contant
B
zakgeld
C
pinpas
D
checken

Slide 34 - Quizvraag

We zijn klaar met de les

Slide 35 - Tekstslide