Kennistoets Taal 2 deel 2

Kennistoets Taal 2 

"Wij verkopen enkel sokjes"
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
TaalHBOStudiejaar 1

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Kennistoets Taal 2 

"Wij verkopen enkel sokjes"

Slide 1 - Tekstslide

"Wij verkopen enkel sokjes."
Hier gaat iets mis op morfologisch niveau, maar het is grappig op...
A
fonologisch niveau
B
semantisch niveau
C
syntactisch niveau
D
pragmatisch niveau

Slide 2 - Quizvraag

Welke teksten met een
expressieve functie ken je?

Slide 3 - Woordweb

Welke vaardigheid hoort NIET 'expliciet' tot het Vijffasenmodel?
A
verzorgen van de tekst
B
het voorlezen van eigen werk
C
verzamelen, selecteren en ordenen van de inhoud
D
reflecteren op schrijfgedrag

Slide 4 - Quizvraag

1.   Oriëntatie op de schrijfopdracht of schrijfactiviteit
De leerlingen worden met een voorbeeldtekst, een verhaal, een voorwerp of iets dergelijks geprikkeld tot het schrijven van een eigen tekst. Bovendien krijgen ze steun bij het vinden van stof voor hun eigen tekst. Heel belangrijk is het dat kinderen al pratend, in interactie met elkaar, het schrijven voorbereiden.
2.   Formulering van de schrijfopdracht
De leerlingen krijgen informatie over de schrijftaak (doel, publiek, tekstsoort). Ze krijgen steun bij de structuur van de tekst doordat er mogelijke inhoudselementen worden genoemd. Ook is er aandacht voor de manier waarop het schrijven kan worden aangepakt.
3.   Hulp tijdens het schrijven
Het praten over het schrijven zelf en over de te schrijven tekst is een belangrijke activiteit. Door vragen aan de schrijver te stellen, help je hem op weg. De dialoog met de schrijver is zo belangrijk, omdat een mondelinge verwoording vaak al de oplossing voor schrijfproblemen biedt.
4.   Bespreken en herschrijven van de tekst
Wellicht de belangrijkste fase in het proces van leren schrijven. Na het doen volgt nu de reflectie op het doen. De teksten worden besproken en zo ervaren kinderen dat een tekst in interactie met anderen tot stand komt, dat een tekst nooit per definitie goed of fout is, maar dat er altijd aan kan worden gesleuteld.
5.  Verzorgen en publiceren van de tekst
Er is pas aandacht voor verzorging (waaronder correcte spelling) als alle andere communicatieve aspecten van de tekst in orde zijn. Het is wezenlijk dat een tekst wordt gepubliceerd, dat er wat mee wordt gedaan, dat er een echt publiek voor is.

1.    Oriëntatie op de schrijfopdracht of schrijfactiviteit
De leerlingen worden met een voorbeeldtekst, een verhaal, een voorwerp of iets dergelijks geprikkeld tot het schrijven van een eigen tekst. Bovendien krijgen ze steun bij het vinden van stof voor hun eigen tekst. Heel belangrijk is het dat kinderen al pratend, in interactie met elkaar, het schrijven voorbereiden.
2.    Formulering van de schrijfopdracht
De leerlingen krijgen informatie over de schrijftaak (doel, publiek, tekstsoort). Ze krijgen steun bij de structuur van de tekst doordat er mogelijke inhoudselementen worden genoemd. Ook is er aandacht voor de manier waarop het schrijven kan worden aangepakt.
3.    Hulp tijdens het schrijven
Het praten over het schrijven zelf en over de te schrijven tekst is een belangrijke activiteit. Door vragen aan de schrijver te stellen, help je hem op weg. De dialoog met de schrijver is zo belangrijk, omdat een mondelinge verwoording vaak al de oplossing voor schrijfproblemen biedt.
4.    Bespreken en herschrijven van de tekst
Wellicht de belangrijkste fase in het proces van leren schrijven. Na het doen volgt nu de reflectie op het doen. De teksten worden besproken en zo ervaren kinderen dat een tekst in interactie met anderen tot stand komt, dat een tekst nooit per definitie goed of fout is, maar dat er altijd aan kan worden gesleuteld.
5.   Verzorgen en publiceren van de tekst
Er is pas aandacht voor verzorging (waaronder correcte spelling) als alle andere communicatieve aspecten van de tekst in orde zijn. Het is wezenlijk dat een tekst wordt gepubliceerd, dat er wat mee wordt gedaan, dat er een echt publiek voor is.



Slide 5 - Tekstslide

Toni schrijft: "De hond is hart gevallen."
Het woord 'hart' is niet correct gespeld. Wat is de verklaring voor deze spellingwijze?
A
hard en hart zijn homofonen
B
hard en hart zijn homoniemen
C
hard en hart zijn homografen
D
hard en hart zijn hyponiemen

Slide 6 - Quizvraag

Wat is GEEN kenmerk van een 'goede' schrijver?
A
Ze herlezen tussendoor hun tekst
B
Ze ondersteunen hun tekst met afbeeldingen
C
Ze denken na over de tekstsoort
D
Ze overleggen over aanpassingen en ideeën

Slide 7 - Quizvraag

Op welke manier kan je een 'zwakke' schrijver helpen?

Slide 8 - Open vraag

Hulp voor zwakkere schrijvers:
  • modelen
  • samen schrijven met sterke leerlingen
  • verlengde instructie
  • feedback op maat
  • goede voorbeeldteksten
  • mondeling verwoorden

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Op welk niveau wordt hier een fout gemaakt?
A
fonologisch niveau
B
syntactisch niveau
C
morfologisch niveau
D
orthografisch niveau

Slide 11 - Quizvraag

Bij welke tekstsoort spelen argumenten opvoeren en weerleggen een grote rol?
A
betogende tekst
B
directieve tekst
C
informatieve tekst
D
verhalende tekst

Slide 12 - Quizvraag

Op de menukaart staan 'oude kaaskroketten'
Waarom zal juf Inez ze niet bestellen?
(Terwijl ze dol is op kaas en kroketten).

Slide 13 - Open vraag

Melanie schrijft 'misschien' als 'messchien'.
Welk strategie kan haar helpen?
A
analogiestrategie
B
regelstrategie
C
fonologische strategie
D
woordbeeldstrategie

Slide 14 - Quizvraag

'optelefoneren'
Op welk taalniveau wordt hier een fout gemaakt?

Slide 15 - Open vraag

wat is een signaalwoord?

Slide 16 - Woordweb

Welke denkrelatie komt in de volgende zin
naar voren?
"Na het feestje ging Sjoerd meteen naar huis,
maar Aiko bleef nog even hangen."
A
chronologie
B
middel-doel
C
vergelijking
D
voorwaarde

Slide 17 - Quizvraag

Veel succes bij de kennistoets.
Zijn jullie er een beetje klaar voor?

Slide 18 - Open vraag