2VWO; 3.8 Bloedgroepen -2025

planning
  • flitskaarten maken  (intussen HW-C)
  • leerdoelen + uitleg 3.8
  • lessonupvragen 3.8
  • maken opdrachten 3.8
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

planning
  • flitskaarten maken  (intussen HW-C)
  • leerdoelen + uitleg 3.8
  • lessonupvragen 3.8
  • maken opdrachten 3.8

Slide 1 - Tekstslide

1  = Open je boek op blz. 193  + chromebook dicht op tafel
2 = Maak papieren flitskaarten van de begrippen van basisstof 3.2
      
  • bloedsomloop
  • slagader
  • haarvaten
  • ader
  • bloedvatenstelsel
  • poortader
  • kleine bloedsomloop
  • grote bloedsomloop
  • dubbele bloedsomloop
  • kleppen
  • dekweefsel
  • spierweefsel
  • bindweefsel
  • spierpomp                                                                          






Intussen online HW-Cvan 3.5 - 1 t/m 9 (-5) + LO 3 1 t/m 3  door de docent
timer
10:00
HW-C = 
  • 3.6 1-9 (-5)
  • LO 3 1 t/m 3 

Slide 2 - Tekstslide

antwoorden flitskaarten 3.2
  • bloedsomloop= de weg die het bloed door het lichaam aflegt
  • slagader= bloedvat waardoor het bloed van het hart wegstroomt
  • haarvaten= bloedvaten waarvan de wand nog maar één cellaag dik is
  • ader= bloedvat waardoor het bloed naar het hart toestroomt
  • bloedvatenstelsel= alle bloedvaten in het lichaam
  • poortader= bloedvat dat bloed van de darmwand naar de lever vervoert
  • kleine bloedsomloop= per omloop stroomt het bloed van het hart naar de longen en weer terug naar het hart
  • grote bloedsomloop= per omloop stroomt het bloed van het hart naar de rest van het lichaam en weer terug naar het hart
  • dubbele bloedsomloop=per omloop stroomt het bloed twee keer door het hart
  • kleppen= kleppen die voorkomen in aderen en ervoor zorgen dat het bloed maar in één richting kan stromen
  • dekweefsel= laagje weefsel om bloedvaten
  • spierweefsel= laag tussen het dekweefsel en het bindweefsel in aders en slagaders
  • bindweefsel= buitenste laag van aders en slagaders
  • spierpomp=het aanspannen en ontspannen van spieren rond aders, waardoor bloed gaat stromen

Slide 3 - Tekstslide

pak je practicumbladeren erbij!
opdracht 1;
meten van de bloeddruk
onderzoeksvraag - hypothese - resultaten

Zal je bloeddruk:
boven rond de 120?
onder rond de 80?



Slide 4 - Tekstslide

opdracht 2 - hartslagfrequentie meten
onderzoeksvraag - hypothese



1. hoger
2. meer
3. zuurstof en voedingsstoffen
 15 seconden
60 seconden
in rust
?
? x 4
bij inspanning
?
? x 4

Slide 5 - Tekstslide

opdracht 3 -  bloedsomloop
1 = longen                                                     5 = bovenlichaam
2 = plaats 3                                                  6 = onderlichaam
3 = onderlichaam                                      7 = zuurstofrijk
4 =                                                                    8 = zuurstofarm

Slide 6 - Tekstslide

leerdoelen 3.8:
Ik kan beschrijven waarin de bloedgroepen van elkaar verschillen.


Handig om deze begrippen te snappen:
  • bloedgroep
  • bloedfactoren (antigeen A en antigeen B)
  • bloedtransfusie
  • anti-A en anti-B in het bloedplasma

Slide 7 - Tekstslide

De indeling van de bloedgroepen is gebaseerd op de bloedfactoren (antigenen) die je op de rode bloedcellen voorkomen.

Bloedfactoren (antigeen A en antigeen B); stof op het celmembraan van rode bloedcellen die als lichaamsvreemde stof (antigeen) werkt voor iemand die deze stof niet heeft. 

Slide 8 - Tekstslide

Elke bloedgroep en zijn antigenen:

Bloedgroep A heeft .................antigeen A.
Bloedgroep B heeft .................antigeen B.
Bloedgroep AB heeft...... antigeen A en B.
Bloedgroep O heeft ........geen antigenen. 


Slide 9 - Tekstslide

EN hun antistoffen!

Slide 10 - Tekstslide

Welke anti(stof) heeft elke bloedgroep.
  • Bloedgroep A heeft in het bloedplasma antistof tegen bloedgroep B, anti-B.
  • Bloedgroep B heeft in het bloedplasma antistof tegen bloedgroep A; anti-A.
  • Bloedgroep AB heeft in het bloedplasma geen antistoffen. 
  • Bloedgroep O heeft in het bloedplasma antistoffen anti-A en anti-B.

Antistoffen zijn afweerstoffen die het lichaam beschermen. Ze worden gemaakt tegen alles wat het lichaam niet herkent en dus ‘lichaamsvreemd’ vindt. Er bestaan veel soorten antistoffen, waaronder antistoffen tegen bloedgroepen. 

Slide 11 - Tekstslide

Bloed doneren:

De ontvanger mag géén antistoffen
in het plasma hebben tegen het
antigeen op bloedcellen.



De ontvanger is namelijk degene die de  antigenen aanmaakt voor de 
eventuele lichaamsvreemde rode bloedcellen die de donor geeft. 




Slide 12 - Tekstslide

Bloed doneren:
Welke bloedgroep heeft rode 
bloedcellen zonder antigenen?
  • Bloedgroep O, door gebrek aan                                                                               antigenen is deze bloedgroep de                                                                 universele donor!

Welke bloedgroep heeft geen antistoffen?
  • Bloedgroep AB, door gebrek aan antistoffen                                                                is deze bloedgroep een universele ontvanger!

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Video

log nu in op deze lessonup
timer
1:00

Slide 16 - Tekstslide

Wat is de functie van de rode bloedcel?
A
Vervoert voedingstoffen
B
Betrokken bij bloedstolling
C
Vervoert zuurstof
D
Betrokken bij de afweer

Slide 17 - Quizvraag

timer
1:00

Slide 18 - Sleepvraag

Bloedgroepen
Sleep naar de juiste plaats
timer
1:00
Antistof A
Antistof B
Antistof A en antistof B
Geen antistoffen
Antigeen A
Antigeen B
Antigeen A en antigeen B
Geen antigenen

Slide 19 - Sleepvraag

Iemand met bloedgroep B krijgt bloed van een donor met bloedgroep A.
Wie maakt dan de antistoffen aan?
A
De ontvanger
B
De donor
C
Beide
D
Niemand

Slide 20 - Quizvraag

Karel heeft een bloedtransfusie nodig.
Hij heeft bloedgroep A.
Van welke bloedgroepen kan hij bloed ontvangen?
A
Alleen A
B
A & O
C
Alleen O
D
Alleen B

Slide 21 - Quizvraag

Welke bloedgroep is de universele ontvanger?
A
AB
B
O
C
B
D
A

Slide 22 - Quizvraag

Bloedgroep 0 is de universele donor. Van welke bloedgroep(en) kan deze bloed ontvangen?
A
AB en O
B
O
C
B
D
A

Slide 23 - Quizvraag

Maak nu ONLINE de opdrachten:

Thema 3 - extra stof 3.8 - opdrachten 1 t/m 5



Klaar met 3.8, dan begin je met het maken van;
Test Jezelf´s van 3.1 - 3.2 - 3.3 - enz. 



Slide 24 - Tekstslide

Resusfactor
Resus + : rode bloedcellen hebben resusantigeen
Resus - :  rode bloedcellen hebben geen resusantigeen


Bij zwangerschap gevaar
Rh- moeder, met Rh-positief kind. (2e)
Moeder maakt dan antistoffen, dit bloed gaat naar het kind. Dit kind breekt daardoor eigen rode bloedcellen af. (resusziekte).

Slide 25 - Tekstslide

Bloedgroepbepaling
Serum anti-A      klontering treedt op antigeen A      bloedgroep A
Serum anti-B      klontering treedt op antigeen B      bloedgroep B
Geen klontering = bloedgroep 0
Beide klontering = bloedgroep AB

anti-resus:
rode bloedcellen klonteren samen, positief.
rode bloedcellen klonteren niet samen, negatief.
Resusfactor voor de zekerheid nooit mixen. 

Slide 26 - Tekstslide

Bepaal de bloedgroep:
Anti-A: klontering
Anti-B: geen klontering
Anti-Resus: geen klontering
A
A+
B
B+
C
A-
D
B-

Slide 27 - Quizvraag

Bepaal de bloedgroep:
Anti-A: geen klontering
Anti-B: geen klontering
Anti-Resus: geen klontering
A
AB+
B
AB-
C
0+
D
0-

Slide 28 - Quizvraag

Bepaal de bloedgroep:
Anti-A: geen klontering
Anti-B: wel klontering
Anti-Resus: wel klontering
A
B+
B
B-
C
A+
D
A-

Slide 29 - Quizvraag

Bepaal de bloedgroep:
Anti-A: klontering
Anti-B: klontering
Anti-Resus: geen klontering
A
AB+
B
AB-
C
0+
D
0-

Slide 30 - Quizvraag

Een persoon met bloedgroep B- heeft een bloedtransfusie nodig.
Welke bloedgroep is mogelijk?
A
B-
B
B+
C
O- en B-
D
O - en B+

Slide 31 - Quizvraag