cross

Geslachtsgebonden overerving (Wet)

1 / 44
volgende
Slide 1: Video
BiologieSecundair onderwijs

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 8 videos.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Video

Slide 2 - Tekstslide

Wat merk je op in de stamboom
(blz. 45)?

Slide 3 - Open vraag

Geslachtsgebonden overerving
Doelstellingen
- Je kan de begrippen autosomale en hetersomale overerving onderscheiden en beschrijven.
- Je kan geslachtsgebonden overerving interpreteren en toelichten.
- Je kan in vraagstukken, stambomen en kruissingschema's geslachtsgebonden overerving toepassen.
- Je kan voorbeelden van X- en Y-gebonden genen toepassen.
- Je kan de begrippen hollandrishe overerving beschrijven en in de juiste context toepassen.

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

44 autosomen + 2 heterosomen
(XY = man) (vrouw = XX)

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Hemofilie is een voorbeeld van een:
A
Geslachtsbonden dominante aandoening
B
Autosomale dominante aandoening
C
Geslachtsgebonden recessieve aandoening
D
Autosomale recessieve aandoening

Slide 9 - Quizvraag

Walter heeft een erfelijke aandoening.
Zijn beide ouders hebben het allel voor deze ziekte ook, maar zijn gezond.
Van welk type overerving is deze ziekte een voorbeeld?
A
autosomale, dominante overerving
B
autosomale, recessieve overerving
C
geslachtsgebonden, dominante overerving
D
geslachtsgebonden, recessieve overerving

Slide 10 - Quizvraag

Koen heeft een erfelijke aandoening. De ziekte wordt door de moeder doorgegeven. Moeders krijgen zelf de ziekte vrijwel niet. Van welk soort overerving is deze ziekte een voorbeeld?
A
autosomaal, dominant
B
autosomaal recessief
C
geslachtsgebonden dominant
D
geslachtsgebonden, recessief

Slide 11 - Quizvraag

X- en Y-chromosomen bepalen het geslacht.
Maar wie bepaalt bij de mens het geslacht van de nakomelingen?
A
Enkel de man
B
Geen van beide
C
Enkel de vrouw
D
Allebei

Slide 12 - Quizvraag

Slide 13 - Tekstslide

Wat is de (theoretische) kansverdeling voor het geslacht bij nakomelingen?
A
25% vrouw 75% man
B
25% man 75% vrouw
C
50% vrouw 50% man
D
onbepaald

Slide 14 - Quizvraag

De man bepaalt het geslacht.
De theoretische verdeling is 50%/50% 

Slide 15 - Tekstslide

Genen op het Y-chromsoom
Hoe het Y-chromosoom het geslacht bepaalt.
Holandrische overerving.

Slide 16 - Tekstslide

Hier liggen unieke genen

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Video

Slide 19 - Video

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Genen op het X-chromosoom
Hemofilie
Kleurenblindheid
Duchennes spierdystrofie

Slide 23 - Tekstslide

Bepaal het genotype een vrouw dat een dochter heeft met hemofilie.
A
B
C
D

Slide 24 - Quizvraag

Kleurenblindheid (daltonisme)

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Video

Er bestaan verschillende
vormen van kleurenblindheid.
Wat merk je op als je de verdeling
tussen mannen en vrouwen bekijkt?

Slide 27 - Open vraag

Twee ouders die wel kleuren kunnen zien, hebben twee kinderen.
Wat is het genotype van de ouders voor deze vorm van kleurenblindheid?
A
beide ouders zijn heterozygoot
B
beide ouders zijn homozygoot recessief
C
beide ouders zijn homozygoot dominant
D
dat kun je niet uit de gegevens opmaken

Slide 28 - Quizvraag

Ziekte van Duchenne
  • Komt bijna alleen bij jongens voor 
  • X-chromosomaal, recessief
  • degeneratieve spierziekte



Huh?
Wanneer functies of werking van organen afneemt.

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Video

Slide 31 - Video

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide

Een vrouw die drager van het allel voor Duchennes spierdystrofie.
Wat is de kans dat ze een dochter krijgt die lijdt aan de ziekte?
A
1/2
B
1/8
C
1/4
D
1

Slide 36 - Quizvraag

Antwoord
Vrouw = XAXa
Man = XAY of XaY
XAXa x XAY                      OF               XAXa x XaY
P(XaXa) = 0                                           P(XaXa) = 1/4
1/2 x 0= 0                                               1/2 x 1/4 = 1/8

Totale P(XaXa) = 1/8

Slide 37 - Tekstslide

Een vrouw die drager van het allel voor Duchennes spierdystrofie.
Wat is de kans dat ze een zoon krijgt die lijdt aan de ziekte?
A
1/2
B
1/8
C
1/4
D
1

Slide 38 - Quizvraag

Antwoord
Vrouw = XAXa
Man = XAY of XaY
XAXa x XAY                      OF               XAXa x XaY
P(XaY) = 1/4                                           P(XaY) = 1/4
1/2 x 1/4 = 1/8                                       1/2 x 1/4 = 1/8

Totale P(XaY) = 1/8 + 1/8 = 1/4

Slide 39 - Tekstslide

Anneke krijgt nieuwe buren. Ze heeft gehoord dat het gezin drie kinderen telt, alle drie ongeveer van haar leeftijd. Ze is dan ook benieuwd of het jongens of meisjes zijn.

Wat is de kans dat er twee jongens zijn en één meisje?
A
1/8
B
3/2
C
3/8
D
1/2

Slide 40 - Quizvraag

Antwoord
P(jongen) = 1/2 = P(meisje)
JJM                              OF                   MMJ         OF          JMJ
1/2 x 1/2 X 1/2                                 1/2 x 1/2 X 1/2        1/2 x 1/2 X 1/2
1/8                                  +                   1/8                        +   1/8
= 3/8

Slide 41 - Tekstslide


De stamboom toont de overerving van een bepaalde afwijking (individuen met het afwijkende fenotype zijn zwartingekleurd). 
Welk overervingsmechanismen kunnen hier mogelijks van toepassing? Autosomaal of geslachtsgebonden ? Recessief of dominant?

Slide 42 - Open vraag

Bepaal het genotype van alle leden van de stamboom.

Slide 43 - Open vraag

Wat is de kans dat individu 15
een kleurenblinde zoon krijgt als je weet dat haar partner niet kleurenblind is.

Slide 44 - Open vraag