Engels Vocab Theme 4

Vertaal in het Nederlands:
above
1 / 42
volgende
Slide 1: Open vraag
EngelsVoortgezet speciaal onderwijs

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Vertaal in het Nederlands:
above

Slide 1 - Open vraag

Vertaal in het Nederlands:
anyway

Slide 2 - Open vraag

Vertaal in het Nederlands:
beat

Slide 3 - Open vraag

Vertaal in het Nederlands:
break

Slide 4 - Open vraag

Vertaal in het Nederlands:
choice

Slide 5 - Open vraag

Vertaal in het Nederlands:
complain

Slide 6 - Open vraag

Vertaal in het Nederlands:
equipment

Slide 7 - Open vraag

Vertaal in het Engels:
finale

Slide 8 - Open vraag

Vertaal in het Engels:
dwingen

Slide 9 - Open vraag

Vertaal in het Engels:
andere

Slide 10 - Open vraag

Vertaal in het Engels:
vervangen

Slide 11 - Open vraag

Vertaal in het Engels:
schieten

Slide 12 - Open vraag

Vertaal in het Engels:
aanmoedigen

Slide 13 - Open vraag

Vertaal in het Engels:
struikelen

Slide 14 - Open vraag

Wat is de juiste vertaling?
contest
A
strijd
B
stadion

Slide 15 - Quizvraag

Wat is de juiste vertaling?
crowd
A
publiek
B
menigte

Slide 16 - Quizvraag

Wat is de juiste vertaling?
cup
A
beker
B
glas

Slide 17 - Quizvraag

Wat is de juiste vertaling?
defender
A
verdediger
B
aanval

Slide 18 - Quizvraag

Wat is de juiste vertaling?
match
A
samen
B
wedstrijd

Slide 19 - Quizvraag

Wat is de juiste vertaling?
medal
A
medaille
B
trofee

Slide 20 - Quizvraag

Wat is de juiste vertaling?
speler
A
player
B
pleyar

Slide 21 - Quizvraag

Wat is de juiste vertaling?
punt
A
poind
B
point

Slide 22 - Quizvraag

Wat is de juiste vertaling?
prijs
A
prize
B
prise

Slide 23 - Quizvraag

Wat is de juiste vertaling?
scheidsrechter
A
referee
B
revere

Slide 24 - Quizvraag

Wat is de juiste vertaling?
scoren
A
scrooge
B
score

Slide 25 - Quizvraag

Wat is de juiste vertaling?
stadion
A
stadion
B
stadium

Slide 26 - Quizvraag

anyone
enter
lake
lie
mountain
soon
true
unusual
iedereen
ongewoon
leugen
meedoen aan
meer
berg
binnekort
waar

Slide 27 - Sleepvraag

Bereiken in het Engels is?

Slide 28 - Open vraag

advanced in het Nederlands is?

Slide 29 - Open vraag

wanner dan ook in het Engels is?

Slide 30 - Open vraag

early in het Nederlands is?

Slide 31 - Open vraag

vrij in het Engels is?

Slide 32 - Open vraag

level in het Nederlands is?

Slide 33 - Open vraag

bijna in het Engels is?

Slide 34 - Open vraag

adult
A
volwassene
B
kind

Slide 35 - Quizvraag

geboren
A
birth
B
born

Slide 36 - Quizvraag

loopbaan
A
career
B
walking lane

Slide 37 - Quizvraag

op dit moment
A
right now
B
currently

Slide 38 - Quizvraag

determined
A
star
B
vastberaden

Slide 39 - Quizvraag

prove
A
bewijzen
B
tegendeel

Slide 40 - Quizvraag

salary
A
salade
B
salaris

Slide 41 - Quizvraag

season
A
seizoen
B
winter

Slide 42 - Quizvraag