Leestekens

Leestekens
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 17 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Leestekens

Slide 1 - Tekstslide

Beperkende en uitbreidende bijzin
 

De scholieren die slechte cijfers haalden, kregen bijles.

De scholieren, die slechte cijfers haalden, kregen bijles.


Slide 2 - Tekstslide

Wat is een bijvoeglijke bijzin?
Dit is een bijzin die als nabepaling bij een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord staat. Een bijvoeglijke bijzin is nooit een zelfstandig zinsdeel, maar altijd een deel van een zinsdeel. 

Slide 3 - Tekstslide

Beperkende bijvoeglijke bijzin
Een beperkende bijzin specificeert (beperkt) de betekenis van het zelfstandig naamwoord, en kan daarom niet weggelaten worden.

Slide 4 - Tekstslide

Beperkend: 

Sinaasappels die nog niet helemaal oranje zijn, kun je beter niet eten.

Slide 5 - Tekstslide

Uitbreidende bijvoeglijke bijzin
Een uitbreidende bijzin geeft extra informatie over het zelfstandig naamwoord, en kan weggelaten worden.

Slide 6 - Tekstslide

Uitbreidend: 

Sinaasappels, die veel vitamine C bevatten, kunnen een verkoudheid voorkomen.

Slide 7 - Tekstslide

Uitleg:
In de eerste zin is er geen korte rust voor de bijzin die nog niet helemaal oranje zijn. Ook krijgt de bijzin bijzondere nadruk. 
Zoals je ziet kun je deze bijzin niet weglaten: het gaat puur om sinaasappels die nog niet helemaal oranje zijn.

Slide 8 - Tekstslide

Uitleg:
In de tweede zin hoor je een korte rust voor de bijzin die veel vitamine C bevatten. Ook krijgt deze bijzin een lagere toon dan de hoofdzin. 
Deze bijzin geeft extra informatie en kun je daarom weglaten.

Slide 9 - Tekstslide

Let op!
Vóór een beperkende bijzin zet je geen komma, vóór een uitbreidende bijzin wel.

Slide 10 - Tekstslide

Verschil
De volgende twee voorbeeldzinnen maken duidelijk hoe belangrijk een komma kan zijn: 

Slide 11 - Tekstslide

beperkend:  
De jongens die te laat waren, moesten nablijven.  
uitbreidend:  
De jongens, die te laat waren, moesten nablijven.

Slide 12 - Tekstslide

In de eerste zin zijn er ook nog jongens die niet te laat waren. In de tweede zin zijn alle jongens te laat.

Slide 13 - Tekstslide

Uitspraaktekens uit andere talen
Sommige woorden nemen wij over uit andere talen. Hierbij nemen we de bijbehorende uitspraaktekens uit die taal over.

    Umlaut:  Ik kan dan überhaupt niet, want ik heb die dag een afspraak op de röntgenafdeling.  
    Cedille:   De reçu stond op zijn naam. 
    Tilde:       Ik heb Spaanse les van señora Flores.


Slide 14 - Tekstslide

Accenten 
Er zijn drie accenten. 
- accent aigu: café, saté (mee)
- accent grave: carrière, crème (met)
- accent circonflexe: gênant, enquête 

Het accent aigu wordt soms gebruikt om de klemtoon aan te geven: 
- Dat is dé manier om het goed te doen. 
- Zij heeft geen twéé dochters, maar drie. 

Slide 15 - Tekstslide

Beperkende en uitbreidende bijzin
Voorbeeld beperkende bijzin
De scholieren die slechte cijfers haalden, kregen bijles.
Alleen de scholieren die slechte cijfers haalden, kregen bijles.

Voorbeeld uitbreidende bijzin:
De scholieren, die slechte cijfers haalden, kregen bijles.
Alle scholieren haalden slechte cijfers.

Slide 16 - Tekstslide

Uitspraaktekens

Slide 17 - Tekstslide