4V MWU chap. 2

schrijf de présent van vouloir op
1 / 39
volgende
Slide 1: Woordweb
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

schrijf de présent van vouloir op

Slide 1 - Woordweb

welke werkwoorden worden op dezelfde manier als servir vervoegd?

Slide 2 - Open vraag

wij hebben gekend

Slide 3 - Open vraag

zij zullen kunnen

Slide 4 - Open vraag

De sfeer was absoluut goed.

Slide 5 - Open vraag

De oude vrienden hebben zich verkleed.

Slide 6 - Open vraag

Er zullen veel muzikanten zijn.

Slide 7 - Open vraag

Wij gaan ons beleefd gedragen.

Slide 8 - Open vraag

Het is niet mogelijk vuurwerk af te steken.

Slide 9 - Open vraag

Wij eten voortdurend snoep.

Slide 10 - Open vraag

welke tijd geeft de passé composé aan ?

Slide 11 - Woordweb

Le passé composé
- Voltooid tegenwoordige tijd

- Gebruik je in het Frans om aan te geven dat iets al is gebeurd en afgesloten

VB: Ik ben op vakantie geweest
Ik heb de Eiffeltoren bezocht

Slide 12 - Tekstslide

welke 2 elementen heb je nodig om een passé composé te maken?

Slide 13 - Woordweb

De passé composé
bestaat uit 2 delen:

1: Hulpwerkwoord avoir/être

2: Voltooid deelwoord

Slide 14 - Tekstslide

timer
1:30
avoir
être
ont
es
avons
ai
sommes
avez
suis
a
as
sont
êtes
est

Slide 15 - Sleepvraag

Slide 16 - Tekstslide

Résumé.: Passé Composé = hulpww. + volt. deelw.
*  'avoir' + volt. dlw. les verbes  en ER =stam+ é
     -> exemple: Il a travaillé. / Nous avons étudié. / Ils ont
          regardé.
* 'avoir' + volt. dlw. les verbes irréguliers =leren!!!
     -> exemple: j'ai eu / tu as été/ vous avez fait/ il a pris

Slide 17 - Tekstslide

Mais, il y a aussi...
!!! Le Passé Composé avec être !!!

*  'être' + volt. dlw. les verbes en ER =stam+ é
-> exemple: Il est arrivé.
* 'être' + volt. dlw. les verbes irréguliers =leren!!!
-> exemple: Tu es allé.

Slide 18 - Tekstslide

Comparez...
j'ai regardé                                                           je suis tombé(e)
tu as regardé                                                      tu es tombé(e)
il a regardé                                                           il est tombé
elle a regardé                                                      elle est tombée
on a regardé                                                        on est tombé 
nous avons regardé                                         nous sommes tombé(e)s
vous avez regardé                                   vous êtes tombé(e) / vous êtes tombé(e)s 
ils ont regardé                                                     ils sont tombés
elles ont regardé                                                elles sont tombées

Slide 19 - Tekstslide

Le PC avec être: attention: de être- regel
- Accord avec le sujet (aanpassen aan het onderwerp vd zin):
--> mannelijk enkelvoud: +                         /  il est allé
--> vrouwelijk enkelvoud: + e                    /  elle est allée
--> mannelijk meervoud: + s                      /  ils sont allés
--> vrouwleijk meervoud: + es                   /  elles sont allées

!!! mannelijk EN vrouwlijk samen?: mannelijk!

Slide 20 - Tekstslide

exemple: un verbe conjugué avec être
tomber
je suis tomb(e)   nous sommes tomb(e)s
tu es tombé(e)   vous êtes tombé(e)(s)
il est tombé   ils sont tombés
elle est tombée    elles sont tombées
on est tombé(e)s

Slide 21 - Tekstslide

Wanneer gebruik je être en wanneer gebruik je avoir ???
MEESTAL: 
- Als je in het Nederlands het hulpwerkwoord hebben gebruikt, gebruik je in het Frans het hulpwerkwoord avoir.

- Als je in het Nederlands het hulpwerkwoord zijn gebruikt, gebruik je in het Frans het hulpwerkwoord être

Slide 22 - Tekstslide

   la maison d'être 

Slide 23 - Tekstslide

rentré

Slide 24 - Tekstslide

Monter <=> descendre
Aller <=> venir
Arriver <=> partir
Rentrer             retourner 
Tomber             rester 
Entrer <=> sortir
Naître <=> mourir
naar boven gaan/ instappen <=> naar beneden gaan , uitstappen
gaan <=> komen
aankomen <=> vertrekken

naar huis gaan             teruggaan  
vallen                   blijven

naar binnen gaan <=> naar buiten gaan, weg gaan, uitgaan
geboren worden <=> sterven, doodgaan

Slide 25 - Tekstslide

l'imparfait

IMPARFAIT=> 
onvoltooid verleden tijd

en néerlandais: ik liep, hij zat, wij aten



Slide 26 - Tekstslide

Wanneer gebruik je de IMPARFAIT?

Je gebruikt de imparfait voor een beschrijving of een gewoonte in het verleden.

Beschrijving: La fille avait les cheveux longs. (het meisje had)

Gewoonte: Tous les jours, j'allais chez ma grand-mère. (Ik ging)



Slide 27 - Tekstslide

IMPARFAIT

hoe maak je de imparfait? regardez le film et essayez de comprendre:



Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Video

IMPARFAIT

stap 1: 


1. stam nous-vorm van het werkwoord in de présent -  "ons" 



Slide 30 - Tekstslide

exemple
(donner) donnons
(rester) restons
(avoir) avons
(faire) faisons
(prendre) prenons
(finir) finissons

Slide 31 - Tekstslide

IMPARFAIT

stap 2: 


2. achter deze stam plak je de volgende uitgangen --->



Slide 32 - Tekstslide

"

Slide 33 - Tekstslide

Donc:
(nous donnons)  je donnais = ik gaf
(nous restons)  tu restais = jij bleef
(nous avons) il avait = hij had
(nous faisons) nous faisions = wij maakten/deden
(nous allons) vous alliez = jullie gingen
(nous rencontrons)  ils rencontraient = zij ontmoetten

Slide 34 - Tekstslide

Exception: être
Stap 1: Nous vorm = sommes
Stap 2: - ons eraf
Euh....Dat gaat niet :(

Slide 35 - Tekstslide

De stam van être = ét
j'étais = ik was
tu étais = jij was
il était = hij was
nous étions = wij waren
vous étiez = jullie waren/u was
ils étaient = zij waren
c'était= het was

Slide 36 - Tekstslide

Combineer de personen met de juiste uitgangen van de imparfait
-ais
-ais
- ait
- ions
- iez
-aient
Je
Tu
il/elle/on
Nous
Vous
Ils / elles

Slide 37 - Sleepvraag

Mets le verbe entre parenthèses à l' imparfait

Tu (regarder

Nous (chercher

Marc (trouver

Vous (aller

Laura et Joey (travailler

regardais
cherchions
trouvait
alliez
travaillaient

Slide 38 - Tekstslide

Quelques exceptions:
Être (zijn)    J'ai été     Ik ben geweest
Commencer (beginnen) J'ai commencé Ik ben begonnen
Oublier (vergeten) J'ai oublié Ik ben/ heb vergeten

Slide 39 - Tekstslide