Welke kenmerken zijn van toepassing op de productgerichte indeling ten opzichte van de functionele indeling?
A
je klanten zitten dichtbij elkaar
B
je hebt meer productkennis
C
je kunt specifiekere marketing uitvoeren
D
je hebt de klanten overzichtelijk in een rayon
Slide 11 - Quizvraag
Welke indeling van de salesfuncties wordt in deze organisatie gehanteerd? 2 antwoorden goed
A
geografische indeling
B
productgerichte indeling
C
afnemersgerichte indeling
D
marktgerichte indeling
Slide 12 - Quizvraag
Wat zijn voordelen van een geografische salesorganisatie in vergelijking tot een marktgerichte? Er zijn 2 antwoorden goed.
A
de verkopers hebben inzicht in de verschillende klantbehoeften
B
de verkopers hebben veel productkennis
C
de verkopers werken in een voor hen bekende regio
D
er is inzicht in de opbrengsten en kosten per rayon
Slide 13 - Quizvraag
Wat zijn voordelen van een afnemersgerichte organisatie? Er zijn 2 antwoorden goed.
A
De verkopers hebben inzicht in de verschillende klantenbehoeften
B
De verkopers hebben specifieke kennis van inkoopmarkten
C
De verkopers werken in een voor hen bekende regio
D
De verkopers zijn goed in staat het onderscheid te maken tussen klanten
Slide 14 - Quizvraag
Relatiefase
Voorbereidingsfase
Openingsfase
Informatiefase
Transformatiefase
Afsluitfase
Slide 15 - Sleepvraag
Wat heeft geografisch wel en marktgericht niet?
A
inzicht in de omgeving van de klant
B
meer klantkennis
C
meer marktkennis
D
meer productkennis
Slide 16 - Quizvraag
Wat heeft functionele indeling wel en afnemersgericht niet?
A
meer klantkennis
B
overzichtelijker en functioneler werken
C
meer productkennis
D
meerdere verkopers komen bij een bepaalde klant
Slide 17 - Quizvraag
Franco
Rembours
Ex Works
Free On Board
alle transportkosten zijn voor de leverancier
alle transportkosten zijn voor de koper
alle transportkosten zijn totdat alles aan boord is voor de verkoper
de afnemer betaalt de factuur bij levering
Slide 18 - Sleepvraag
Wat is call-ratio?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen
Slide 19 - Quizvraag
Wat is conversieverhouding?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen
Slide 20 - Quizvraag
Wat is de succesrate?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen
Slide 21 - Quizvraag
Wat is responspercentage?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen
Slide 22 - Quizvraag
Wat is offertescoringsratio?
A
2 offertes nodig voordat klant tot aankoop overgaat
B
5 van de 20 klanten hebben de enquête ingevuld
C
4 van de 12 prospects zijn naar de website gegaan
D
3 van 10 producten zijn teruggeroepen door schade
Slide 23 - Quizvraag
Wat is een medium?
A
Drager van een reclameboodschap aan personen uit de doelgroep
B
proces waarbij alle informatie van de ontvanger terugkeert naar de ontvanger
C
storing in het overbrengen van een reclameboodschap aan de doeglroep
Slide 24 - Quizvraag
Wat is customer rating?
A
de waarde van een klant voor het bedrijf, in euro's uitgedrukt
B
hoe vaak een klant terugkomt of blijft hangen na een aankoop
C
Het rangschikken van afnemers door deze te beoordelen op specifieke criteria
D
dit staat beschreven in het CRM-systeem
Slide 25 - Quizvraag
Wat is break-even-omzet?
A
omzet waarbij de totale kosten gelijk zijn aan totale opbrengsten
B
omzet waarbij totale kosten hoger zijn dan totale obprengsten
C
omzet waarbij totale kosten lager zijn dan totale opbrengsten
D
aantal verkochte producten waarbij er geen winst of verlies is
Slide 26 - Quizvraag
Tot welke kostensoort behoren de rente- en afschrijvingskosten?
A
constante kosten
B
directe kosten
C
variabele kosten
D
brutowinst
Slide 27 - Quizvraag
Tot welke kostensoort behoort de inkoopwaarde van de omzet?
A
constante kosten
B
indirecte kosten
C
variabele kosten
D
brutowinst
Slide 28 - Quizvraag
Wat is het verschil tussen de brutowinst en nettowinst?
A
de inkoopwaarde
B
de bedrijfskosten
C
de winst
D
de omzet
Slide 29 - Quizvraag
Wat is de terugverdientijd?
A
aantal dagen dat gemiddelde voorraad in bedrijf aanwezig is
B
aantal keren dat de BEO jaarlijks wordt behaald
C
tijd die het duurt om een investering terug te verdienen
D
aantal keren dat de gemiddelde voorraad jaarlijks verkocht wordt
Slide 30 - Quizvraag
Welk begrip heeft te maken met het aantal keer dat een klant terugkomt naar de winkel?
A
klantloyaliteit
B
customer rating
C
customer life time value
D
klantretentie
Slide 31 - Quizvraag
Netflix berekent de waarde van hun klanten. Over welk begrip gaat dit?
A
klantretentie
B
klantloyaliteit
C
customer life time value
D
customer rating
Slide 32 - Quizvraag
Netflix hecht ook waarde aan klanten en deelt ze in een bepaalde groep in, bijvoorbeeld A-, B- en C-klanten. Wat passen zij toe?
A
klantretentie
B
customer rating
C
klantloyaliteit
D
customer life time value
Slide 33 - Quizvraag
Wat is een voorbeeld van klantloyaliteit?
A
c-klanten
B
prospects
C
vaste klanten korting geven
D
ondanks prijsstijging toch bij dezelfde winkel blijven kopen
Slide 34 - Quizvraag
Waarnemen van reclame op de televisie is een voorbeeld van je
A
cognitieve functie
B
conatieve functie
C
affectieve functie
Slide 35 - Quizvraag
Gemotiveerd zijn en tot actie over gaan zijn voorbeelden van je
A
cognitieve functie
B
conatieve functie
C
affectieve functie
Slide 36 - Quizvraag
Je stemming en emoties vallen onder je
A
cognitieve functie
B
conatieve functie
C
affectieve functie
Slide 37 - Quizvraag
affectief = voelen
conatief = willen
cognitief = kennen
Slide 38 - Tekstslide
'Ik heb veel last van cognitieve dissonantie'. Waar is dit een voorbeeld van?
A
intrapersoonlijke communicatie
B
interpersoonlijke communicatie
C
groepscommunicatie
D
massacommunicatie
Slide 39 - Quizvraag
Referentie is een voorbeeld van
A
directe acquisitie
B
indirecte acquisitie
Slide 40 - Quizvraag
Referentiegroep
Een groep mensen die een aanzienlijke invloed heeft op de attituden en vooral op het (aankoop)gedrag van een bepaald individu, omdat deze zich met die groep associeert of vergelijkt. Mensen die andere mensen dus beïnvloeden.
Slide 41 - Tekstslide
Slide 42 - Tekstslide
Canvassing is een vorm van
A
directe acquisitie
B
indirecte acquisitie
Slide 43 - Quizvraag
Canvassing
'stemmenjagen'
Slide 44 - Tekstslide
Een accountmanager bezoekt op eigen initiatief een klant in Brabant. Van welke vorm van verkoop is sprake?
A
actieve verkoop
B
indirecte acquisitie
C
receptieve verkoop
Slide 45 - Quizvraag
Een supermarkteigenaar brengt een bezoek aan een groothandel. Hij bekijkt het assortiment en vraagt een prijslijst op aan de verkoper. Van welke vorm van verkoop is hier sprake?
A
actieve verkoop
B
indirecte acquisitie
C
receptieve verkoop
D
niet-persoonlijke verkoop
Slide 46 - Quizvraag
Je koopt pas een telefoon zodra je verschillende recensies hebt gelezen en zeker weet dat ie goed werkt. Tot welke groep behoor jij?
A
innovators
B
early adopters
C
early majority
D
laggards
Slide 47 - Quizvraag
Slide 48 - Tekstslide
Wat zijn logistieke kosten?
A
variabele kosten
B
vaste kosten
C
indirecte kosten
Slide 49 - Quizvraag
Toetsterm 1.4: Verkoopcyclus
Slide 50 - Tekstslide
Voorbereidingsfase
Hierin bereid je jezelf voor op de ontmoeting van de klant
Slide 51 - Tekstslide
Openingsfase
Hierin maak je kennis met de klant
Slide 52 - Tekstslide
Informatiefase
Hierin geef je de klant informatie over het product of de dienst en ga je in op vragen die de klant stelt.
Slide 53 - Tekstslide
Transformatiefase
Hierin probeer je zoveel mogelijk bezwaren en weerstanden van de klant te bespreken en/of te weerleggen. Jij moet de klant positieve beweegredenen om jou product of dienst te geven.
Slide 54 - Tekstslide
Afsluitfase
Hierin beslist de klant of de order wel of niet doorgaat. De klant geeft dan een afsluitsignaal, een verbaal of non-verbaal signaal waarmee de klant te kennen geeft dat hij een besluit heeft genomen
Slide 55 - Tekstslide
Relatiefase
Inmiddels heeft de klant iets gekocht en is het jouw taak de relatie met de klant goed te onderhouden.
Slide 56 - Tekstslide
In welke fase van het verkoopproces wordt gesproken over levervoorwaarden?
A
Introductiefase
B
Afsluitfase
C
Informatiefase
D
Transformatiefase
Slide 57 - Quizvraag
In welke fase van het verkoopproces worden klantbehoeften in kaart gebracht?
A
Informatiefase
B
Onderhandelingsfase
C
Voorbereidingsfase
D
Transformatiefase
Slide 58 - Quizvraag
Slide 59 - Tekstslide
Een bedrijf plaatst links op de website van andere organisaties. Het betaalt voor elke bezoeker die via zo’n link de website bezoekt. Waarvan is hier sprake?
A
Affiliate marketing
B
link-building
C
zoekmachinemarketing
D
webvertising
Slide 60 - Quizvraag
Een bedrijf verstuurt een nieuwsbrief naar klanten met een gerichte promotionele actie. Waarvan is hier sprake?
A
Affiliate marketing
B
E-mailmarketing
C
link-building
D
appvertising
Slide 61 - Quizvraag
Welk model structureert de stappen van de verkoopcyclus? Er zijn 2 antwoorden goed.
A
AIDA-model
B
DAGMAR-model
C
VOITA-model
D
VOCATIO-model
Slide 62 - Quizvraag
Toetsterm 2.2: Indirect klantcontact
Een bedrijf huurt ook vaak mensen in om werk voor ze te doen.
Commissionair = een tussenpersoon die op eigen naam overeenkomsten sluit, maar voor rekening van een opdrachtgever (de committent).
Agent = Handelsagent spoort in een bepaalde markt klanten op met de bedoeling overeenkomsten af te sluiten in naam en voor rekening van hun opdrachtgever.
Slide 63 - Tekstslide
Toetsterm 2.2: Indirect klantcontact
Een bedrijf huurt ook vaak mensen in om werk voor ze te doen.
Makelaar = helpt bij het (ver)kopen van huizen.
Jobber = vaak een groothandelaar dat onderdelen levert.
Value-added reseller = iemand die een product inkoopt en dat voor een duurdere prijs verkoopt.
Slide 64 - Tekstslide
Een eigenaar van onroerend goed besluit een van zijn bedrijfspanden te verkopen. Hij huurt een specialist in om hem hierbij te helpen. Van welk indirect klantcontact is hier sprake?
A
Via een agent
B
Via een commissionair
C
Via een makelaar
D
Via een jobber
Slide 65 - Quizvraag
Een exportbedrijf wil komend jaar grondstoffen in het buitenland kopen. Het bedrijf schakelt een tussenpersoon in. Deze zal op eigen naam de grondstoffen in het buitenland kopen. Van welk indirect klantcontact is hier sprake?
A
Via een agent
B
Via een commissionair
C
Via een makelaar
D
Via een jobber
Slide 66 - Quizvraag
Eric is ingehuurd door een opdrachtgever en spoort in een bepaalde markt klanten op met de bedoeling overeenkomsten af te sluiten in naam en voor rekening van zijn opdrachtgever. Van welk indirect klantcontact is hier sprake?
A
Via een agent
B
Via een commissionair
C
Via een makelaar
D
Via een jobber
Slide 67 - Quizvraag
Slide 68 - Tekstslide
De behoeftepiramide van Maslow heeft verschillende niveaus. Op welk niveau staat de behoefte om jezelf te ontplooien?
A
Erkenning en waardering
B
Sociaal contact
C
Zelfverwezenlijking
D
Veiligheid en zekerheid
Slide 69 - Quizvraag
Op welk niveau staat de behoefte om een huis te kopen?
A
Erkenning en waardering
B
Sociaal contact
C
Zelfverwezenlijking
D
Veiligheid en zekerheid
Slide 70 - Quizvraag
Op welk niveau staat de behoefte om vrienden te maken?
A
Erkenning en waardering
B
Sociaal contact
C
Zelfverwezenlijking
D
Veiligheid en zekerheid
Slide 71 - Quizvraag
Een huis is een ..
A
high involvement product
B
low involvement product
Slide 72 - Quizvraag
Waar is dit een voorbeeld van?
A
cognitieve dissonantie
B
selectieve perceptie
C
high involvement
D
zelfrealisatie
Slide 73 - Quizvraag
Stel je hebt een mooie fotorapportage gemaakt en je twijfelt hoe je dit moet vastleggen. Je wil namelijk niet dat iedereen hiermee aan de haal gaat. Je vindt het goed dat anderen het werk gebruiken, en laten zien als het maar niet gebeurt om winst te maken. Van welke wetgeving kan je dan het beste gebruik maken?
A
creative commons
B
autoriteit persoonsgegevens
C
stichting reclame code
D
DDMA gedragscode
Slide 74 - Quizvraag
Slide 75 - Tekstslide
Wat is een cold prospect?
A
een ex-klant die op het punt staat weer een order te plaatsen
B
Een potentiële klant die op korte termijn nog geen order wil plaatsen
C
Iemand uit de doelgroep waarmee nog geen contact is geweest
D
Een die al heeft laten blijken dat hij interesse heeft door naar de website te gaan
Slide 76 - Quizvraag
Wat is een suspect?
A
Een ex-klant die op het punt staat weer een order te plaatsen
B
Een klant die op korte termijn nog geen order wil plaatsen
C
Een klant uit de doelgroep waarmee nog geen contact is geweest
D
Een verdachte die al een order heeft geplaatst
Slide 77 - Quizvraag
Welke taken heeft een accountmanager? Er zijn 2 antwoorden goed.
A
Leiden van een verkoopteam
B
Managen van topklanten
C
Onderhouden van relaties met klanten
D
Ontwikkelen van accountplannen
Slide 78 - Quizvraag
Welke functionaris heeft als belangrijke taak: ‘het managen van de relatie met strategische klanten’?
A
accountmanager
B
key-accountmanager
C
salesmanager
Slide 79 - Quizvraag
Wat doet een merchandiser?
A
alle activiteiten die op de plaats van verkoop het product zichtbaar of beter grijpbaar maken
B
rondlopen in kleding van de zaak met het logo erop
C
onderhoud de relaties met vaste en stategische klanten
D
naar de klant toe om nieuwe producten in het assortiment te promoten en verkopen
Slide 80 - Quizvraag
Wat is het doel van de Autoriteit Persoonsgegevens?
A
De ethiek van reclame naar burgers toe bewaken
B
Informatie over burgers veiligstellen en waarborgen
C
Toezicht houden op informatiestroom naar burgers
Slide 81 - Quizvraag
Wat is het doel van de Stichting Reclame Code?
A
De ethiek van advertenties bewaken, wat mag wel en wat niet
B
Informatie over personen veiligstellen en waarborgen
C
Toezicht houden op de mededinging en telecommunicatie
Slide 82 - Quizvraag
Wat is het doel van Stichting Reclame Code?
A
de ethiek van advertenties bewaken
B
informatie over personen veiligstellen en waarborgen
C
toezicht houden op de mededinging en telecommunicatie
Slide 83 - Quizvraag
Wat betekent de afkorting ACM?
A
Autoriteit Consument & Markt
B
Autoriteit Consument & Media
C
Autoriteit Commercie & Markt
D
Algemene Consument & Markt
Slide 84 - Quizvraag
Wat doet ACM?
A
ze zorgt voor eerlijke concurrentie
B
bepaalt de regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen
C
zorgt ervoor dat telemarketing vertrouwd wordt ingezet
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 85 - Quizvraag
Wat doet DDMA gedragscode?
A
ze zorgt voor eerlijke concurrentie
B
bepaalt de regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen
C
zorgt ervoor dat telemarketing vertrouwd wordt ingezet
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 86 - Quizvraag
Wat doet Stichting Postfilter?
A
ze zorgt voor eerlijke concurrentie
B
bepaalt de regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen
C
zorgt ervoor dat telemarketing vertrouwd wordt ingezet
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 87 - Quizvraag
Wat doet Consuwijzer?
A
ontvangen meldingen van datalek
B
je behoudt je rechten, maar geeft aan anderen toestemming voor gebruik
C
geeft advies over je rechten als consument
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 88 - Quizvraag
Wat doet Creative Commons?
A
ontvangen meldingen van datalek
B
je behoudt je rechten, maar geeft aan anderen toestemming voor gebruik
C
geeft advies over je rechten als consument
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 89 - Quizvraag
Een huiszoekingsbevel kan vallen onder privacyschending. Bij wie kun je hiervoor terecht?
A
creative commons
B
ACM
C
stichting reclame code
D
autoriteit persoonsgegevens
Slide 90 - Quizvraag
A
stichting reclame code
B
autoriteit persoonsgegevens
C
stichting postfilter
D
ACM
Slide 91 - Quizvraag
A
ACM
B
stichting reclame code
C
stichting postfilter
D
consuwijzer
Slide 92 - Quizvraag
Sascha wordt ongevraagd gebeld door een energiemaatschappij. Bij wie kan zij dit melden?
A
stichting reclame code
B
ACM
C
stichting postfilter
D
DDMA gedragscode
Slide 93 - Quizvraag
A
ACM
B
DDMA gedragscode
C
consuwijzer
D
stichting postfilter
Slide 94 - Quizvraag
..... geeft gratis informatie en advies over uw rechten als consument. Het is onderdeel van ACM.
A
stichting reclame code
B
consuwijzer
C
DDMA gedragscode
D
creative commons
Slide 95 - Quizvraag
Wat is een sellogram?
A
Een klantenregister dat voornamelijk wordt gebruikt voor
marktonderzoek
B
Een schema met daarin productkenmerken en producteigenschappen
C
Een verkoopinformatiesysteem met een database waarin commerciële
informatie wordt opgeslagen
D
een muziekinstrument
Slide 96 - Quizvraag
Wat is seizoenskorting?
A
korting op de prijs door een bepaald jaargetijde
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 97 - Quizvraag
Wat is actiekorting?
A
korting op de prijs door een bepaald jaargetijde
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 98 - Quizvraag
Wat is omzetbonus?
A
korting op de prijs door een bepaald jaargetijde
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting doordat een product zo vaak wordt gekocht
D
korting voor een vaste klant
Slide 99 - Quizvraag
wat betekent de winstmarge?
A
percentage over de prijs wat je aan winst maakt
B
percentage over de bedrijfskosten wat je aan winst maakt
C
nettowinst+brutowinst
D
inkoopprijs x afzet
Slide 100 - Quizvraag
Wat is de kostprijs?
A
de totale kosten die je maakt voor een product
B
de totale omzet die je verdient
C
de bedrijfskosten
D
wat je overhoudt aan nettowinst
Slide 101 - Quizvraag
Wat is een target?
A
een terugblik of je je doel hebt behaald
B
een concreet doel voor de korte termijn
C
hoeveel acquisitie-belletjes je per week uitvoert
D
een concreet doel waar je over 10 jaar staat met het bedrijf
Slide 102 - Quizvraag
Wat is de omloopsnelheid?
A
aantal dagen dat gemiddelde voorraad in bedrijf aanwezig is
B
aantal keren dat de BEO jaarlijks wordt behaald
C
tijd die het duurt om een investering terug te verdienen
D
aantal keren dat de gemiddelde voorraad jaarlijks verkocht wordt
Slide 103 - Quizvraag
Wat is een kwantumkorting?
A
korting bij het plaatsen van grote orders
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 104 - Quizvraag
Wat is een rabatkorting?
A
korting bij het plaatsen van grote orders
B
standaardkorting die een handelaar krijgt
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 105 - Quizvraag
van welke soort kosten zijn maandelijkse telefoonkosten een voorbeeld?
A
indirecte kosten
B
directe kosten
C
variabele kosten
D
geen van deze
Slide 106 - Quizvraag
van welke soort kosten zijn huurkosten een voorbeeld?
A
indirecte kosten
B
directe kosten
C
variabele kosten
D
geen van deze
Slide 107 - Quizvraag
van welk soort kosten zijn grondstofkosten een voorbeeld?
A
vaste kosten
B
directe kosten
C
indirecte kosten
D
geen van deze
Slide 108 - Quizvraag
Wat is servicegraad?
A
het % klanten dat reageert op een reclame
B
% offertes dat leidt tot een order
C
percentage orders dat een bedrijf uit voorraad kan leveren
D
mate van hulp in een winkel
Slide 109 - Quizvraag
van welk soort kosten zijn verzendkosten een voorbeeld?
A
vaste kosten
B
variabele kosten
C
indirecte kosten
D
geen van deze
Slide 110 - Quizvraag
Op een congres wordt informatie uitgewisseld over milieubedreigingen. Van welke communicatievorm is sprake?
A
groepscommunicatie
B
interpersoonlijke communicatie
C
massacommunicatie
D
intrapersoonlijke communicatie
Slide 111 - Quizvraag
Wat is ruis?
A
overbrengen van een reclameboodschap aan personen uit de doelgroep
B
proces waarbij alle info van de ontvanger terugkeert naar de ontvanger
C
storing in het overbrengen van een reclameboodschap aan de doelgroep
Slide 112 - Quizvraag
Een bedrijf verstuurt een nieuwsbrief naar klanten met een gerichte promotionele actie. Waarvan is hier sprake?
A
affiliate marketing
B
e-mailmarketing
C
link-building
Slide 113 - Quizvraag
Wat zijn voordelen van een afnemersgerichte organisatie? 2 antwoorden goed.
A
de verkopers hebben inzicht in de verschillende klantbehoeften
B
de verkopers hebben specifieke kennis van inkoopmarkten
C
de verkopers werken in een voor hen bekende regio
D
de verkopers zijn goed in staat het onderscheid te maken tussen klanten
Slide 114 - Quizvraag
Een consument oriënteert zich uitgebreid op een aankoop. Hij heeft nu voldoende info verzameld. Hij bestelt het product bij een webshop.
A
aankoopgedrag
B
communicatiegedrag
C
gebruiksgedrag
D
afdankgedrag
Slide 115 - Quizvraag
Rico heeft vandaag als eerste de nieuwste Apple gekocht. Onder welke adoptiecategorie valt hij?
A
early adopters
B
early majority
C
innovators
D
laggards
Slide 116 - Quizvraag
Een webwinkel koopt een soortgelijke printer opnieuw, maar dan een nieuwe versie. Van welk koopgedrag is sprake?
A
modified rebuy
B
new task
C
straight rebuy
Slide 117 - Quizvraag
Een modeketen koopt dezelfde collectie nog een keer. Van welk koopgedrag is hier sprake?
A
modified rebuy
B
straight rebuy
C
new task
Slide 118 - Quizvraag
Dora kijkt in de koelkast en ziet dat de boter op is. Van welk gedrag is hier sprake?
A
communicatiegedrag
B
aankoopgedrag
C
gebruiksgedrag
D
afdankgedrag
Slide 119 - Quizvraag
Een modeketen koopt kleding in bij een groothandel en gaat zelf eens kijken hoe dit geproduceerd wordt. waarvan is sprake?