Groep 7 - 6.1.3.

Blok 6 week 1 les 3
Dictee
Opfrissen: leestekens, woordsoorten en zinsdelen
Nieuw doel:  persoonlijk voornaamwoord
Uitleg: blz 
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpellingBasisschoolGroep 7

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Blok 6 week 1 les 3
Dictee
Opfrissen: leestekens, woordsoorten en zinsdelen
Nieuw doel:  persoonlijk voornaamwoord
Uitleg: blz 

Slide 1 - Tekstslide

woord 1

Slide 2 - Open vraag

woord 2

Slide 3 - Open vraag

woord 3

Slide 4 - Open vraag

Slide 5 - Tekstslide

zin 1

Slide 6 - Open vraag

Slide 7 - Tekstslide

zin 2

Slide 8 - Open vraag

Slide 9 - Tekstslide

zin 3

Slide 10 - Open vraag

Woordsoorten
Mag ik een vraag stellen hadiya vraagt thijs
Waar kom jij eigenlijk vandaan vraagt hij
Hadiya zegt ik ben twee jaar geleden geëmigreerd uit iran
In de twintigste eeuw emigreerden veel Europeanen met houten schepen naar amerika weet thijs
Hij vervolgt de immigranten kwamen uit de volgende landen italië, ierland, rusland en duitsland
Hadiya zegt sommige mensen werden teruggestuurd omdat ze een besmettelijke ziekte hadden. Wat vreselijk roept thijs

Slide 11 - Tekstslide

Woordsoorten
'Mag ik een vraag stellen, Hadiya,' vraagt Thijs.
'Waar kom jij eigenlijk vandaan?' vraagt hij.
Hadiya zegt: 'Ik ben twee jaar geleden geëmigreerd uit Iran.'
'In de twintigste eeuw emigreerden veel Europeanen met houten schepen naar Amerika,' weet Thijs. 
Hij vervolgt: 'De immigranten kwamen uit de volgende landen: Italië, Ierland, Rusland en Duitsland.'
Hadiya zegt: 'Sommige mensen werden teruggestuurd, omdat ze een besmettelijke ziekte hadden. 'Wat vreselijk!' roept Thijs.

Slide 12 - Tekstslide

Hadiya zegt: 'Ik ben twee jaar geleden geëmigreerd uit Iran.'
twee
A
telwoord
B
rangtelwoord

Slide 13 - Quizvraag

Hadiya zegt: 'Ik ben twee jaar geleden geëmigreerd uit Iran.'
uit
A
voorzetsel
B
voegwoord

Slide 14 - Quizvraag

'In de twintigste eeuw emigreerden veel Europeanen met houten schepen naar Amerika,' weet Thijs.
rangtelwoord
A
eeuw
B
twintigste
C
met
D
houten

Slide 15 - Quizvraag

'In de twintigste eeuw emigreerden veel Europeanen met houten schepen naar Amerika,' weet Thijs.
stoffelijk bijvoeglijk nw.
A
eeuw
B
twintigste
C
met
D
houten

Slide 16 - Quizvraag

'In de twintigste eeuw emigreerden veel Europeanen met houten schepen naar Amerika,' weet Thijs.
voorzetsel
A
eeuw
B
twintigste
C
met
D
houten

Slide 17 - Quizvraag

Hadiya zegt: 'Sommige mensen werden teruggestuurd, omdat ze een besmettelijke ziekte hadden.
zelfstandig nw.
A
sommige
B
mensen
C
besmettelijke
D
ziekte

Slide 18 - Quizvraag

Hadiya zegt: 'Sommige mensen werden teruggestuurd, omdat ze een besmettelijke ziekte hadden.
bijvoeglijk nw.
A
sommige
B
mensen
C
besmettelijke
D
ziekte

Slide 19 - Quizvraag

'Sommige mensen werden teruggestuurd, omdat ze een besmettelijke ziekte hadden.
werkwoordelijk gezegde
A
mensen werden
B
werden teruggestuurd
C
werden teruggestuurd hadden
D
teruggestuurd hadden

Slide 20 - Quizvraag

Persoonlijk voornaamwoord
Het persoonlijk voornaamwoord verwijst naar een persoon of personen.

Slide 21 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord
ik                           jij / je                      hij                                wij / we              

mij / me             jou                           zij / ze                        zij / ze

                              u                               het                              jullie / hen / hun

                                                                hem / haar              ons

Slide 22 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord
ik                           jij / je                      hij                                wij / we              

mij / me             jou                           zij / ze                        zij / ze

                              u                               het                              jullie / hen / hun

                                                                hem / haar              ons

Slide 23 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord
Vandaag gaan we iets nieuws leren op school.

Hebben jullie een fijne studiedag gehad gisteren?

Ik heb wel zin in het weekend, jij ook?

Slide 24 - Tekstslide

Wat ga jij dit weekend doen?

Slide 25 - Open vraag

Geeft u het maar aan mij.

Slide 26 - Open vraag

Ik ken hem pas een paar dagen.

Slide 27 - Open vraag

Ze lijkt erg veel op haar ouders.

Slide 28 - Open vraag