les 24 betekenissen (DG/ D-A)

Noteer drie woorden die bij je opkomen bij het woord 'ROOD'.
1 / 35
volgende
Slide 1: Open vraag
PAVSecundair onderwijs

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Noteer drie woorden die bij je opkomen bij het woord 'ROOD'.

Slide 1 - Open vraag

Noteer drie woorden die bij je opkomen bij het woord 'ZOMER'.

Slide 2 - Open vraag

Noteer drie woorden die bij je opkomen bij het woord 'FEE'.

Slide 3 - Open vraag

Probeer op een logische manier van het linkerwoord naar het rechterwoord te gaan. Gebruik maximaal drie woorden als tussenstap.
SCHAATSEN ... ... ... AARDBEIEN

Slide 4 - Open vraag

Probeer op een logische manier van het linkerwoord naar het rechterwoord te gaan. Gebruik maximaal drie woorden als tussenstap.
TOMAAT ... ... ... ZEE

Slide 5 - Open vraag

Probeer op een logische manier van het linkerwoord naar het rechterwoord te gaan. Gebruik maximaal drie woorden als tussenstap.
BOEK ... ... ... FRITUUR

Slide 6 - Open vraag

Lees het artikel op p 291 - 292 en beantwoord de vragen.

Slide 7 - Tekstslide

Synoniemen
Antoniemen
Hyperoniemen
hyponiemen

Slide 8 - Tekstslide

Bedenk een hyperoniem voor je favoriete sport.

Slide 9 - Open vraag

Wanneer is het nuttig om enkele synoniemen van woorden te kennen?

Slide 10 - Open vraag

SYNONIEM: LANGZAAM
A
TRAAG
B
SNEL
C
GAUW
D
RAP

Slide 11 - Quizvraag

SYNONIEM: VUIL
A
REIN
B
SCHOON
C
VIES
D
PROPER

Slide 12 - Quizvraag

Een synoniem is :
A
een woord met een tegengestelde betekenis
B
Een woord dat qua betekenisinhoud hetzelfde betekent als een ander woord.
C
Een woord dat hetzelfde geschreven wordt als een ander woord, maar niet dezelfde betekenis heeft.
D
een woord dat bestaat uit een grondwoord en één of meer voor- of achtervoegsels heeft

Slide 13 - Quizvraag

het synoniem van portemonnee is:
A
tasje
B
geldbeugel
C
zakje
D
pakje

Slide 14 - Quizvraag

SYNONIEM: KWAAD
A
BLIJ
B
VROLIJK
C
GEMEEN
D
BOOS

Slide 15 - Quizvraag

het antoniem van aanmoedigen is:
A
stimuleren
B
ontmoedigen
C
demotiveren
D
bevorderen

Slide 16 - Quizvraag

ANTONIEM: JONG
A
PRIL
B
JEUGDIG
C
OUD
D
KLEIN

Slide 17 - Quizvraag

ANTONIEM: LEEG
A
VOL
B
VERLATEN
C
BEZET
D
ONBEZET

Slide 18 - Quizvraag

ANTONIEM: MOOI
A
PRACHTIG
B
LELIJK
C
AANTREKKELIJK
D
KNAP

Slide 19 - Quizvraag

ANTONIEM: VAAK
A
NOOIT
B
MEESTAL
C
FREQUENT
D
DIKWIJLS

Slide 20 - Quizvraag

Wanneer twee woorden dezelfde betekenis hebben, spreken we van...
A
synoniemen
B
antoniemen
C
hyperoniemen
D
hyponiemen

Slide 21 - Quizvraag

Wanneer een woord de betekenis van een ander woord helemaal omvat, spreken we van ...
A
synoniemen
B
antoniemen
C
hyperoniemen
D
hyponiemen

Slide 22 - Quizvraag

Wanneer een woord een onderliggend begrip is ten opzichte van een ander woord, spreken we van ...
A
synoniemen
B
antoniemen
C
hyperoniemen
D
hyponiemen

Slide 23 - Quizvraag

Wanneer een woord een tegengestelde betekenis heeft, spreken we van ...
A
synoniemen
B
antoniemen
C
hyperoniemen
D
hyponiemen

Slide 24 - Quizvraag

Kledij is een ... van broek.
A
hyperoniem
B
hyponiem

Slide 25 - Quizvraag

'Tomaat' is een ... van 'groenten'.
A
hyperoniem
B
hyponiem

Slide 26 - Quizvraag

'Sneaker' is een ... van 'schoen'.
A
hyperoniem
B
hyponiem

Slide 27 - Quizvraag

'Gebouw' is een ... van 'kasteel'.
A
hyperoniem
B
hyponiem

Slide 28 - Quizvraag

Verklaar de woorden uit de tekst. Noteer tussen haakjes welke strategie je gebruikt hebt.

Slide 29 - Tekstslide


'Die zitten niet netjes van a tot z in een soort MENTAAL woordenboek.'

Slide 30 - Open vraag

De gevoelswaarde van een woord is blijkbaar het allerbelangrijkste PRINCIPE om te ordenen.

Slide 31 - Open vraag

Vraag je mensen naar de associaties van synoniemen, zoals 'begrijpen' en 'verstaan', dan hebben die woorden een groot aantal ASSOCIATIES met elkaar gemeen.

Slide 32 - Open vraag

Anders bevinden die zich in het LUCHTLEDIGE.

Slide 33 - Open vraag

Woordenschatstrategieën
context
voorkennis
taalkundig: betekenis van bestanddelen
overleg met anderen
woordenboek of zoekmachine

Slide 34 - Tekstslide

Maak oefening 4 pagina 296 per twee.

Slide 35 - Tekstslide