In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.
Lesduur is: 50 min
Onderdelen in deze les
Wat doen we vandaag?
Vragen grammatica?
Bespreken erga 14 en 15
Bespreken opdracht 20, 23, 24
Vervolg Hoofdstuk 13
Slide 1 - Tekstslide
Vragen Grammatica?
Slide 2 - Open vraag
Slide 3 - Tekstslide
Geen vragen (meer)?
Maak maar twee rijtjes....
Slide 4 - Tekstslide
Hulpboek blz. 118-120
Herhaling imperfectum en aoristus.
Slide 5 - Tekstslide
Slide 6 - Video
Hulpboek blz. 121
Erga 14 en 15.
Slide 7 - Tekstslide
Ergon 14
1
Slide 8 - Tekstslide
Ergon 15
1
Slide 9 - Tekstslide
Hektor & Andromache
Taalboek blz. 58
Hulpboek blz. 51,
Opdracht 20, 23, 24.
Slide 10 - Tekstslide
Opdracht 20abc
a + b eigen verwerking.
c Deze tekst gaat over Hektor, zijn vrouw Andromache en hun niet bij naam genoemde zoontje.
Slide 11 - Tekstslide
Opdracht 20d
d In alinea 1 staat Andromache centraal. Zij is aan het woord van r.5 t/m r.11 en probeert met haar haar argumenten Hektor tegen te houden om weer naar de strijd te gaan.
In alinea 2 reageert Hektor op de woorden van zijn vrouw en staat hij centraal.
In alinea 3 staat het kind centraal. Het kind reageert op Hektor en daarop reageren beide ouders.
Slide 12 - Tekstslide
Opdracht 23a
a Hektor beargumenteert dat hij zichzelf te schande maakt als hij, de aanvoerder van de mannen, niet vecht. Hektor wil zijn dapperheid laten zien. Hektor zegt dat hij hen niet vrijwillig verlaat maar dat hij liever sneuvelt dat moet toekijken naar wat de Grieken met zijn vrouw en kind zullen doen.
Slide 13 - Tekstslide
Opdracht 23bc
b Bijvoorbeeld: schande: het gaat erom wat ik, Andromache, van jou vind en niet wat de mensen zullen zeggen. Het is juist een schande om ons, jouw vrouw en kind, in de steek te laten. Sneuvelen: Wij kunnen beter samen als gezin omkomen als dat ons lot is.
c Eigen verwerking.
Slide 14 - Tekstslide
Opdracht 24
a Het zoontje is niet afgebeeld.
b De kunstenaar legt het accent op het verdriet van de man en de vrouw die afscheid van elkaar nemen in de wetenschap dat ze misschien wel voor het laatst bij elkaar zijn: hij gaat de oorlog in. Dat verdriet tussen man en vrouw is voor iedereen in een oorlogssituatie herkenbaar, het kind speelt daarbij geen rol.
c Eigen verwerking.
Slide 15 - Tekstslide
Hektor & Achilles
Taalboek blz. 60
Maak Hulpboek blz. 52,
Opdracht 26 en 29.
timer
15:00
Slide 16 - Tekstslide
Opdracht 26
a Hij had zich teruggetrokken uit de strijd omdat hij beledigd was door Agamemnon. Bijvoorbeeld: Ja, want Agamemnon had hem beledigd. Of: Nee, hij had de Grieken en zijn vriendPatroklos moeten helpen nu de Trojanen aan het winnen waren.
b De Trojanen krijgen de overhand en steken zelfs al een paar schepen in het scheepskamp in brand.
c Hij vraagt Achilles of hij zijn wapenrusting mag lenen en met Achilles’ troepen toch mee mag vechten.
Slide 17 - Tekstslide
Opdracht 26
d Hij hoopt dat de Trojanen zullen schrikken omdat ze zullen denken dat Achilles weer meevecht. Ja, de list lukt.
e Patroklos wordt overmoedig en waagt zich te ver op de vlakte en komt te dicht bij de stad.
f Eigen verwerking.
Bijvoorbeeld: Ja, Patroklos hield zich niet een de afspraak. Of: Nee, Achilles had de ruil van wapenrusting niet moeten toestaan want dan had Hektor waarschijnlijk niet zo agressief gereageerd.
Slide 18 - Tekstslide
Opdracht 26
g Eigen verwerking.
Bijvoorbeeld: Ja, want hij laat Patroklos zo een risico lopen terwijl hij zelf niet meevecht. Of: Nee, Patroklos heeft immers zelf gevraagd om de wapenrusting te mogen aantrekken en mee te mogen vechten.
Slide 19 - Tekstslide
Opdracht 29c
ὁ πόλεμος oorlog
ἡ νίκη overwinning
βάλλω gooien (hier van wapens)
ἀπο-κτείνω doden
τὸ σῶμα, σώματος lichaam
ἀπο-θνῄσκω sterven, omkomen
πάσχω lijden
πίπτω vallen
Slide 20 - Tekstslide
Hulpboek blz. 122
Bijzonderheden Augment
Slide 21 - Tekstslide
Slide 22 - Tekstslide
Slide 23 - Tekstslide
Slide 24 - Tekstslide
Slide 25 - Tekstslide
Slide 26 - Tekstslide
Slide 27 - Tekstslide
Slide 28 - Tekstslide
Slide 29 - Tekstslide
Hulpboek blz. 123
Maak Ergon 17.
timer
10:00
Slide 30 - Tekstslide
Ergon 17
Slide 31 - Tekstslide
Hulpboek blz. 124
Bijzonderheden Augment
Slide 32 - Tekstslide
Slide 33 - Tekstslide
Slide 34 - Tekstslide
Slide 35 - Tekstslide
Slide 36 - Tekstslide
Hulpboek blz. 125
Maak Ergon 21.
timer
10:00
Slide 37 - Tekstslide
Ergon 21
Slide 38 - Tekstslide
Hulpboek blz. 126
Imperativus en infinitivus Aoristus
Slide 39 - Tekstslide
Slide 40 - Tekstslide
Slide 41 - Tekstslide
Slide 42 - Tekstslide
Slide 43 - Tekstslide
Slide 44 - Tekstslide
Slide 45 - Tekstslide
Slide 46 - Tekstslide
Aan het werk.
Leer Hulpboek blz. 156, 1 t/m 12.
Leer Hulpboek blz. 140 t/m 148 + 150
Maak blz. 127, ergon 24.
Lees Taalbloek blz. 61
Maak Hulpboek blz. 54, Opdracht 32, 34, 35
Dit is ook huiswerk.
Slide 47 - Tekstslide
Opdracht
Ieder krijgt (ongeveer) 2 zinnen toegewezen.
Benoem ieder woord in de zin.
Bij naamwoorden: geef naamval, geslacht, getal
Bij werkwoorden: geef modus, tijd, these, aspect, persoon.
Geef bij naamwoorden de (vermoedelijke) functie in de zin, of geef aan of dit een vaste aanvulling is (waarbij?)
Slide 48 - Tekstslide
Wat heb je vandaag geleerd?
Slide 49 - Open vraag
Wat is nog onduidelijk? Waar wil je meer over weten?