Nach dem Weg fragen

Nach dem Weg Fragen
In deze lessenreeks leer je de weg vragen, en kun je de weg uitleggen.
De eindopdracht wordt een rondleiding door jullie zelf ontworpen dorp.


1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Nach dem Weg Fragen
In deze lessenreeks leer je de weg vragen, en kun je de weg uitleggen.
De eindopdracht wordt een rondleiding door jullie zelf ontworpen dorp.


Slide 1 - Tekstslide

Wie komme ich zum Goetheplatz?
Je gaat een filmpje bekijken, waarin een vrouw een man de weg vraagt. Het filmpje wordt onderbroken door meerkeuzevragen.
Wat heb je gehoord?
Kies de juiste optie.

Slide 2 - Tekstslide

6

Slide 3 - Video

00:12

A
Können Sie mir helfen?
B
Könnst Sie mir hefen?

Slide 4 - Quizvraag

00:20

A
in der Nah
B
in der Nähe

Slide 5 - Quizvraag

00:31

A
50 Meter geradeaus
B
50 Meters geradeaus

Slide 6 - Quizvraag

00:44

A
sofort wieder nach rechts
B
sofort wieder nach links

Slide 7 - Quizvraag

00:55

A
an der Ampel zu links
B
an der Ampel nach links

Slide 8 - Quizvraag

01:09

A
zuerst
B
sofort

Slide 9 - Quizvraag

Sie gehen geradeaus.
Gehen Sie an die Kirche vorbei.
Nehmen Sie die zweite Straße links.
Gehen Sie die Hügel hinauf.

Slide 10 - Sleepvraag

Biegen Sie links ab.
Gehen Sie über den Platz.
Überqueren Sie an der Ampel.
Überqueren Sie die Brücke.

Slide 11 - Sleepvraag

Aussprache

1) Klicke auf die blauen Tasten um die Aussprache von dem Satz zu hören.
2) Spreche den Satz dann nach.






Gehen Sie geradeaus.
Gehen Sie bis zur Kreuzung.
Überqueren Sie an der Ampel.
Überqueren Sie die Brücke.
Gehen Sie an der Kirche vorbei.

Slide 12 - Tekstslide

Bilde einen Dialog. Welche Reihenfolge ist logisch?
Entschuldigung.
Kennen Sie sich hier aus?
Ja, ich lebe hier.
Wie komme ich zu Restaurant A Mano?
Gehen Sie zuerst an die Kirche vorbei.
Nehmen Sie dann die zweite Straße rechts.
Nach 50 Metern sehen Sie das Restaurant an der linken Seite.
Danke.
Keine Ursache.

Slide 13 - Sleepvraag

Nimm dein Buch
Übersetze (vertaal) die Sätze auf Seite 45 im Buch ins Niederländische.


Slide 14 - Tekstslide

nach und zu
  1. Wie komme ich zu dem (zum) Restaurant?
  2. Ich fahre mit dem Bus zu der (zur) Schule.
  3. Wir gehen zu Vera. Sie feiert ihren Geburtstag.
  4. Hans geht zu seinen Großeltern.
  5. Im Sommer fahren wir nach Italien.
  6. Sie können mit dem Aufzug (lift) nach oben.
  7. Dort gehen Sie nach links.



Slide 15 - Tekstslide

nach und zu
zu = naar als je naar personen, gebouwen en instanties gaat
(zin 1 t/m 4)
nach = naar als in een bepaalde richting gaat of naar aardrijkskundige plaatsen. (zin 5, 6 en 7)
nach kan ook na betekenen:
Nach der Schule treibe ich Sport.
Standaarduitdrukkingen met nach en zu:
nach Hause gehen - zu Hause sein

Slide 16 - Tekstslide

Ich fahre ___ Berlin.
A
nach
B
zu

Slide 17 - Quizvraag

Nächste Woche fliegen wir
___
London.
A
nach
B
zu

Slide 18 - Quizvraag

12:15 = Viertel ___ zwölf
A
nach
B
zu

Slide 19 - Quizvraag

___ dem Essen fahre ich ___ meiner Oma.
A
Nach, nach
B
Nach, zu

Slide 20 - Quizvraag

Ich gehe jetzt ___ Hause.
A
zu
B
nach

Slide 21 - Quizvraag

Wir gehen hier ___ links.
A
zu
B
nach

Slide 22 - Quizvraag

NL>D: Ik wil naar huis.

Slide 23 - Open vraag

NL>D: We gaan naar Hans.

Slide 24 - Open vraag

NL>D: Ik ben thuis.

Slide 25 - Open vraag

NL>D: We gaan naar boven.

Slide 26 - Open vraag

Nimm dein Buch
Übersetze die Wörter auf Seite 46 im Buch ins Niederländische.



Slide 27 - Tekstslide

Gespräch: nach dem Weg fragen
Maak in tweetallen een gesprekje, waarin leerling 1 aan leerling 2 de weg vraagt in Wenen. 
Je begint bij de Stephansdom, kies zelf een eindbestemming. 
Gebruik in de routebeschrijving in ieder geval de begrippen: vorbei, entlang, überqueren
Gebruik nach en zu ook op de juiste manier.
Spreek degene die je de weg vraagt beleefd aan, vraag hoe lang het lopen is en herhaal de uitgelegde route om te controleren of je het juist verstaan hebt. Bedank degene die jou geholpen heeft (pagina 43/44 in het boek).
De route moet kloppen met de kaart (rechtsonder).
Deze opdracht wordt het huiswerk voor de eerstvolgende les.
Dan moet je het gesprek uit je hoofd kennen.
Het is dus handig om het gesprek op te schrijven.
Mail een foto van jullie uitgewerkte gesprek deze les aan tsps@zaam.nl
als je je tekst wilt laten controleren.





Slide 28 - Tekstslide

Präpositionen
In de hoofdstukken over je kamer en je huis heb je al voorzetsels leren kennen (pagina 114 in je boek)
Neben meinem Bett steht ein Nachttisch.
An der Decke hängt eine Lampe.
Vor dem Tisch steht ein Stuhl.
En nu heb je nach en zu geleerd.



Slide 29 - Tekstslide

Präpositionen
Neben meinem Bett(das) steht ein Nachttisch.
An der Decke(die) hängt eine Lampe.
Vor dem Tisch(der) steht ein Stuhl.
Ich fahre mit dem Fahrrad(das) zu der Schule(die).
Auf dem Bild(das) steht er zwischen seinen Eltern(meerv.).
Zoals je ziet verandert de vorm van het lidwoord als er een 
voorzetsel voor staat.





Slide 30 - Tekstslide

Präpositionen mit Dativ
neben meinem Bett(das)                  --> mein Bett wordt meinem Bett.
an der Decke(die)                                  --> die Decke wordt der Decke
vor dem Tisch(der)                               --> der Tisch wordt dem Tisch
Ich fahre mit dem Fahrrad                --> das Fahrrad wordt dem Fahhrad
 zwischen seinen Eltern(meerv.)   --> seine Eltern wordt seinen Eltern
 
Deze veranderde vorm heet de Dativ (derde naamval)
De betekenis van het woord blijft hetzelfde, alleen de vorm verandert.




Slide 31 - Tekstslide

Fälle (Seite 116 im Buch)
mannelijk
onzijdig
vrouwelijk
meervoud
nom.
der / mein
das / mein
die / meine
die / meine
dat.
dem / meinem
dem / meinem
der / meiner
den / meinen
akk.
den / meinen
das / mein
die / meine
die / meine

Slide 32 - Tekstslide

De juiste uitgang kiezen
Ich gehe zu mein_____ Freundin.
1) Bepaal het geslacht van Freundin. Dat is vrouwelijk.
2) Staat er voor 'mein' een voorzetsel? Ja, zu. Dus dativ
3) Kies de juiste uitgang. er
Ich gehe zu meiner Freundin.

Slide 33 - Tekstslide

De juiste uitgang kiezen
Nach d____ Training gehe ich nach Hause.
1) Bepaal het geslacht van Training. Dat is onzijdig.
2) Staat er voor het lidwoord een voorzetsel? Ja, nach. Dus dativ
3) Kies de juiste uitgang: em
Nach dem Training.

Slide 34 - Tekstslide

De juiste uitgang kiezen
Petra is hier mit ihr____ Eltern.
1) Bepaal het geslacht van Eltern. Dat is meervoud.
2) Staat er voor ihr een voorzetsel? Ja, mit. Dus dativ
3) Kies de juiste uitgang: en
mit ihren Eltern

Slide 35 - Tekstslide

De juiste uitgang kiezen
Ich gehe zu mein____ Freundin.
1) Bepaal het geslacht van Freundin. Dat is vrouwelijk.
2) Staat er voor mein een voorzetsel? Ja, zu. Dus dativ
3) Kies de juiste uitgang: er
zu meiner Freundin

Slide 36 - Tekstslide

De juiste uitgang kiezen
Mein Bruder ist bei ein____ Freund.
1) Bepaal het geslacht van Freund. Dat is mannelijk.
2) Staat er voor ein een voorzetsel? Ja, bei. Dus dativ
3) Kies de juiste uitgang: em
bei einem Freund.

Slide 37 - Tekstslide

De juiste uitgang kiezen
Hast du ein____ Bruder?
1) Bepaal het geslacht van Bruder. Dat is mannelijk.
2) Staat er voor ein een voorzetsel? Nee.
3) Is Bruder OW of LV? LV = akkusativ.
Hast du einen Bruder?

Slide 38 - Tekstslide

Samentrekkingen met zu, bei en in
Ich muss zu dem Zahnarzt. = Ich muss zum Zahnarzt.
Du musst zu der Polizei gehen. = ... zur Polizei gehen.
Ich gehe zu Fuß zu der Schule. = ... zur Schule.
Gehen Sie bis zu der Kreuzung. = ... bis zur Kreuzung.
Ich bin bei dem Bäcker. = Ich bin beim Bäcker.
Ich bin in dem Park. = Ich bin im Park.
Meine Tasche liegt noch in dem Klassenzimmer. = ... im Klassenzimmer.







Slide 39 - Tekstslide

Ich bin hier mit mein____ Eltern.
A
meine
B
meinen

Slide 40 - Quizvraag

Warte vor d____ Schule auf mich.
A
der
B
die

Slide 41 - Quizvraag

Ich muss ____ Zahnarzt.
A
zum
B
zur

Slide 42 - Quizvraag

Überqueren Sie an d___ Ampel (die)

A
die
B
der

Slide 43 - Quizvraag

Der Park ist gegenüber d____ Bahnhof (der).
A
der
B
dem

Slide 44 - Quizvraag

Ich habe kein____ Schwester.
A
keiner
B
keine

Slide 45 - Quizvraag

Hast du ein____ Bruder?
A
ein
B
einem
C
einen

Slide 46 - Quizvraag

An d____ linken Seite.

A
die
B
der

Slide 47 - Quizvraag

Haben Sie ein____ Stadtplan(der)?
A
ein
B
einem
C
einen

Slide 48 - Quizvraag

Gespräch (Achte auf Präpositionen)
Schüler A
Schüler B
Ik woon in een stad (die) en jij?
Ik woon in een dorp (das).
Woon jij in een rijtjeshuis (das)?
Nee ik woon in een boerderij (das).
Woon je tegenover een park(der)?
Nee, ik woon naast een bos (der).
Hoe ga jij naar school (die)?
Ik rijd met de fiets (das) naar school.
Wat doe jij na de school?
Na de school ga ik naar mijn sporttraining (das).
Wenn ihr fertig seid, wechselt ihr die Rollen.

Slide 49 - Tekstslide

Dativ im Schreiben
Toon aan dat je de Dativ schrijvend beheerst door de de inrichting van je kamer te beschrijven. Gebruik minimaal 8 verschillende voorzetsels. Maak de lidwoorden+voorzetsels vet en schrijf achter het zelfstandignaamwoord het geslacht. Dus bijvoorbeeld: In meinem Zimmer (das) steht ein Schrank. 

Zie pagina 35-38 in je boek.
Mail je tekst aan tsps@zaam.nl

Slide 50 - Tekstslide